Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:10510

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
30-07-2014
Zaaknummer
AWB-11_4945
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

11/4945 tot en met 11/4962

Van Lanschot Luxemburg

De rechtbank leidt uit een door de gemachtigde in een andere procedure overgelegde brief van Van Lanschot aan belanghebbende af dat hij terecht is geïdentificeerd als rekeninghouder bij Van Lanschot Luxemburg. Naar het oordeel van de rechtbank is de tweede serie navorderingsaanslagen niet voortvarend genoeg opgelegd, omdat deze een jaar na de eerste serie zijn opgelegd. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. De navorderingsaanslagen berusten op een redelijke schatting. Als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn worden de boeten (verder) verminderd. De boete bij de navorderingsaanslag VB 1996 is zo gering dat de rechtbank volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Heropening volgt voor de immateriële schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001, geldigheid: 2014-07-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummers AWB 11/4945 tot en met 11/4962

uitspraak van 20 december 2013

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen, beschikkingen heffingsrente en verhogingen/boetes (hierna: boete of boetes) opgelegd:

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV):

Procedure nr.

Jaar

Aanslagnr. [aanslagnummer].

Dagtekening

Belastbaar inkomen

Belasting

Boete

Heffingsrente

11/4945

1995

H.57

31-12-2007

ƒ 46.450

€ 945

€ 945

€ 349

11/4948

1996

H.68

31-12-2008

ƒ 48.706

€ 1.389

€ 1.389

€ 506

11/4955

1997

H.78

31-12-2009

ƒ 52.587

€ 1.515

€ 1.515

€ 693

11/4956

1998

H.88

31-12-2009

ƒ 47.268

€ 1.845

€ 1.845

€ 784

11/4957

1999

H.98

31-12-2009

ƒ 49.026

€ 2.302

€ 2.302

€ 909

11/4958

2000

H.08

31-12-2009

ƒ 57.108

€ 2.790

€ 2.789

€ 1.001

Procedure nr.

Jaar

Aanslagnr. [aanslagnummer].

Dagtekening

Rendements-

grondslag

Belasting

Boete

Heffingsrente

11/4959

2001

H.17

31-12-2009

€ 233.407

€ 1.993

€ 1.993

€ 628

11/4946

2002

H.27

31-12-2007

€ 248.726

€ 2.221

€ 2.221

€ 387

11/4949

2003

H.37

02-01-2009

€ 268.170

€ 2.561

€ 2.448

€ 579

11/4951

2004

H.47

26-11-2009

€ 299.801

€ 2.677

€ 2.677

€ 597

11/4952

2005

H.57

26-11-2009

€ 327.585

€ 2.904

€ 2.904

€ 502

11/4953

2006

H.67

05-12-2009

€ 374.202

€ 3.132

€ 3.132

€ 487

11/4954

2007

H.77

05-12-2009

€ 414.222

€ 3.741

€ 2.930

€ 413

Vermogensbelasting (hierna: VB):

Proc. nr.

Jaar

Aanslagnr. [aanslagnummer].

Dagtekening

Rendements-

grondslag

Belasting

Boete

Heffingsrente

11/4947

1996

K.67

31-12-2007

ƒ 181.000

€ 65

€ 65

€ 22

11/4950

1997

K.78

31-12-2008

ƒ 215.000

€ 178

€ 178

€ 60

11/4960

1998

K.88

31-12-2009

ƒ 335.000

€ 362

€ 362

€ 154

11/4961

1999

K.98

31-12-2009

ƒ 454.000

€ 661

€ 661

€ 261

11/4962

2000

K.08

31-12-2009

ƒ 488.000

€ 756

€ 756

€ 271

1.2.

De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 25 augustus 2011 de navorderingsaanslagen, beschikkingen en boetes gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 28 september 2011, ontvangen bij de rechtbank op 29 september 2011, beroep ingesteld. Ter zake daarvan heeft de griffier een griffierecht geheven van € 41.

1.4.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 20 februari 2012 heeft de inspecteur met een beroep op artikel 8:29 van de Awb in geschoonde vorm nadere stukken ingediend. Bij brief van 28 februari 2012 heeft de gemachtigde hierop gereageerd.

1.6.

De inspecteur heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2013 te Breda. Voor het verhandelde ter zitting en de daar aanwezige personen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van de zitting. De pleitnota’s van partijen behoren tot de gedingstukken.

1.8.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende is geboren op 26 april 1947 en is gehuwd met [echtgenote 1].

2.2.

Op 18 februari 2005 hebben de Belgische belastingautoriteiten een brief met bijlagen gezonden aan [de heer B], Hoofd van Belastingdienst/FIOD/ECD/ Team Internationaal, met als onderwerp: “Inkomstenbelastingen. Spontane uitwisseling van inlichtingen met Nederland. Van Lanschot Bankiers Luxembourg SA.”. Voor de inhoud van de brief (hierna: de Nota) met 12 bijlagen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding.

2.3.

De bijlagen bij de Nota bevatten gegevens over rekeningstanden per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996. Daarnaast bevatten de bijlagen tevens namen, adreslijsten en getallen. Meerdere bijlagen hebben als aanhef “F. van Lanschot (Bankiers) Luxembourg S.A.” dan wel “FvL cliënts (amounts in mio LUF)” of bevatten het logo van de bank Van Lanschot Bankiers (hierna: Van Lanschot). In de bijlagen staat onder meer het volgende:

Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA Boulevard Prince Henri 3 L-2016 Luxembourg, date: 9/05/96 prog: FVLR102J page: 45, portfolio evaluation

Racine

Name

CCY

Current

Accounts

Deposits

Bonds

Shares/

options

Inv. Funds

Total

Account manager: 0000028

(...)

0024021

[echtgenote 1]

NLG

.00

.00

108,000.00

.00

47,949.00

155,949.00 P

Van Lanschot Bankiers (Luxembourg) SA Boulevard Prince Henri 3 L-2016 Luxembourg, date: 11/28/96 prog: FVLR102J page: 45, portfolio evaluation

Racine

Name

CCY

Current

Accounts

Deposits

Bonds

Shares/

options

Inv. Funds

Total

Account manager: 0000028

(...)

0024021

[echtgenote 1]
[echtgenote 1]

NLG

.00

.00

108,000.00

16,065.00

53,069.70

177,934.70 P

28

24021

[echtgenote 1]

[echtgenote 1]

941221

NLG

93019,19

10000,26

0

0

0

0 P

18 364"

2.4.

Belanghebbende is door de inspecteur geïdentificeerd als rekeninghouder bij Van Lanschot. De inspecteur heeft belanghebbende op 5 december 2006 een eerste vragenbrief gestuurd. In deze brief is belanghebbende gewezen op de omkering van de bewijslast en heeft de inspecteur belanghebbende verzocht om vóór 13 december 2006, respectievelijk 10 januari 2007, nadere informatie te verstrekken.

2.5.

Bij brief van 4 april 2007 heeft de gemachtigde gereageerd op de brief van 5 december 2006. Hij heeft daarin de inspecteur verzocht om meer informatie te verstrekken alvorens inhoudelijk te kunnen reageren.

2.6.1.

Met dagtekening 22 november 2007 heeft de inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen om aan hem “navorderingsaanslagen inkomstenbelasting\premie volksverzekeringen\vermogensbelasting 1995/1996 en 2002 met boete op te leggen”. Over de jaren na 1995 schrijft hij: “Voor de jaren na 1995 die in deze kennisgeving niet zijn opgenomen zal ik op een later moment aanslagen en navorderingsaanslagen opleggen indien de mij bekende feiten niet wijzigen. Hierover wordt u te zijner tijd nader ingelicht.” De inspecteur heeft belanghebbende in deze brief in de gelegenheid gesteld vóór 7 december 2007 schriftelijk te reageren en – indien gewenst – vóór 7 december 2007 een afspraak te maken voor een mondelinge toelichting. De gemachtigde heeft bij brief van 5 december 2007 hierop gereageerd.

2.6.2.

Met dagtekening 10 december 2007 heeft de inspecteur aan belanghebbende een “Mededeling navordering en boetemededeling” betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002 en VB 1996 gezonden. De navorderingsaanslagen, beschikkingen heffingsrente en boetes zijn opgelegd met dagtekening 31 december 2007.

2.6.3.

Bij brief van 8 januari 2008, door de inspecteur ontvangen op 9 januari 2008, heeft de gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002 en VB 1996. Bij brief van 11 maart 2008 heeft de gemachtigde aan de inspecteur geschreven dat hij vooralsnog geen inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken wenst. De bezwaren zijn door de gemachtigde bij brief van 22 april 2008 gemotiveerd. In deze brief heeft de gemachtigde onder meer het volgende geschreven:

“Mijn cliënt ontkent met klem en ten stelligste, zoals hierboven reeds is aangegeven, in het buitenland een bankrekening te hebben dan wel te hebben aangehouden.”

2.7.

Met dagtekening 15 december 2008 heeft de inspecteur aan belanghebbende een “Mededeling navordering en boete” betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 en 2003 en VB 1997 gezonden. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met dagtekening 31 december 2008. In deze brief schrijft de inspecteur tevens dat bij ongewijzigd feitencomplex ook aanslagen en navorderingsaanslagen over de jaren na 1996 zullen worden opgelegd.

Bij brief van 12 januari 2009, door de inspecteur ontvangen op 13 januari 2009, heeft de gemachtigde bezwaar gemaakt tegen deze navorderingsaanslagen. In deze brief heeft de gemachtigde verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden van het bezwaar totdat er onherroepelijk uitspraak is gedaan in hoogste ressort in het Rekeningenproject “Bank Zonder Naam”.

Bij brief van 17 februari 2009 heeft de inspecteur aan belanghebbende meegedeeld dat de bezwaarschriften zullen worden aangehouden. Tevens heeft de inspecteur aan belanghebbende gevraagd of hij ook de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002 en VB 1996 kan aanhouden.

Bij brief van 24 februari 2009 heeft de gemachtigde aan de inspecteur meegedeeld dat hij akkoord gaat met het aanhouden van de bezwaarschriften tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002 en VB 1996.

2.8.

Met dagtekening 10 november 2009 heeft de inspecteur aan belanghebbende een “Mededeling navordering en boete” gezonden betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV 1997 tot en met 2001 en 2004 tot en met 2007 en de navorderingsaanslagen VB 1998 tot en met 2000.

Bij brief van 10 december 2009, door de inspecteur ontvangen op 11 december 2009, heeft de gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de met dagtekening 26 november 2009 dan wel 5 december 2009 opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 2004 tot en met 2007. Bij brief van 18 januari 2010, door de inspecteur ontvangen op 19 januari 2010, heeft de gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de met dagtekening 31 december 2009 navorderingsaanslagen IB/PVV 1997 tot en met 2001 en VB 1998 tot en met 2000.

2.9.

Bij brief van 20 december 2010 heeft de inspecteur aan belanghebbende gevraagd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 4 juni 2010, nr. 09/00212, ECLI:NL:HR:2010:BM0137, binnen zes weken de bezwaarschriften te motiveren en inlichtingen te verstrekken. Bij brief van 7 februari 2011 heeft de inspecteur belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld om vóór 28 februari 2011 te reageren op zijn brief van 20 december 2010.

2.10.

Bij brief van 24 februari 2011 heeft de gemachtigde aan de inspecteur geschreven dat de gronden voor de betreffende bezwaren gelijk zijn aan de gronden die hij heeft ingediend bij brief van 22 april 2008 (zie punt 2.6.3 hiervoor). Tevens heeft de gemachtigde verzocht om uitstel voor het indienen van een nadere motivering totdat in hoogste ressort uitspraak is gedaan ten aanzien van de overige problematiek. Bij brief van 29 april 2011 heeft de inspecteur belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen drie weken zijn bezwaarschriften nader te motiveren. Tevens heeft de inspecteur belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord en om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien. Bij brief van 18 mei 2011 heeft de gemachtigde de bezwaarschriften nader gemotiveerd.

2.11.

Bij brief van 30 mei 2011 heeft de inspecteur gereageerd op de brief van de gemachtigde van 18 mei 2011 en heeft de inspecteur belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord en om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien. Bij brief van 1 juli 2011 heeft de inspecteur belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord en om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zien. Hij heeft belanghebbende verzocht om binnen twee weken te reageren. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd.

2.19.

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 25 augustus 2011 heeft de inspecteur alle bezwaren ongegrond verklaard.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de navorderingsaanslagen, de verhogingen dan wel boetebeschikkingen en de beschikkingen heffingsrente terecht en tot juiste bedragen zijn vastgesteld. Het geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

  1. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?

  2. Is het gebruik van de door de inspecteur verkregen inlichtingen rechtmatig?

  3. Is de door de inspecteur verkregen Nota met bijlagen authentiek?

  4. Is belanghebbende terecht als rekeninghouder geïdentificeerd?

  5. Heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen?

  6. Is de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard en zo ja, is er sprake van een redelijke schatting?

  7. Zijn de boetebeschikkingen terecht en tot juiste bedragen vastgesteld?

  8. Zijn de beschikkingen heffingsrente juist vastgesteld?

  9. Bestaat recht op matiging van de boetes en op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn?

3.2.

Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen en hun conclusies verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Op de zaak betrekking hebbende stukken

4.1.

De inspecteur heeft ter zitting bevestigd dat hij de stukken heeft overgelegd conform de uitspraken van de geheimhoudingskamer van de rechtbank Breda van 18 maart 2011, onder meer gepubliceerd onder ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ5762. Belanghebbende heeft dit niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aldus alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding gebracht en is het niet overleggen van enkele onderdelen daarvan gerechtvaardigd. De rechtbank verwerpt derhalve het verzoek van belanghebbende om de inspecteur op de dragen nadere stukken in te brengen. De rechtbank ziet ook geen reden voor een procedure als bedoeld in artikel 8:29 Awb.

4.2.

De inspecteur heeft bij de stukken een brief overgelegd van Van Lanschot, die onder vermelding van het bankrekeningnummer, gericht is aan belanghebbende en zijn echtgenote en gedagtekend is 1 juni 2007. In deze brief doet Van Lanschot mededeling omtrent het onderzoek van de Nederlandse belastingdienst naar de klanten van de bank in Luxemburg en wordt kort de informatie gegeven die bij de bank op dat moment aanwezig is. Tevens wordt toegezegd de klant op de hoogte te houden. In de brief staat onder meer: “Wij vinden het belangrijk om voor alle Nederlandse cliënten van Van Lanschot Luxemburg de hoofdpunten in deze zaak, zoals die nu bij ons bekend zijn, op een rij te zetten.” De brief is door de gemachtigde in een procedure van een andere belastingplichtige overgelegd. Nu de brief betrekking heeft op belanghebbende zelf acht de rechtbank het overleggen van de brief in onderhavige procedures niet in strijd met artikel 67 van de AWR dan wel met enig ander wetsartikel of rechtsbeginsel.

Rechtmatigheid en authenticiteit van de Nota met bijlagen

4.3.

Zoals deze rechtbank in onder meer de uitspraak van 29 januari 2013, nrs. AWB 09/02873 tot en met 09/2888, ECLI:NL:RBZWB:2013:CA0395, heeft overwogen, is met betrekking tot de Nota met bijlagen geen sprake van onrechtmatig verkregen bewijs en bestaat geen reden om aan de authenticiteit van die gegevens te twijfelen.

Identificatie

4.4.

Uit de brief van Van Lanschot van 1 juni 2007 leidt de rechtbank af dat belanghebbende terecht is geïdentificeerd als (mede)rekeninghouder bij Van Lanschot.

Voortvarendheid

4.5.

Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen niet voortvarend genoeg heeft gehandeld. Hij meent dat de eis van voortvarendheid gesteld moet worden zowel bij toepassing van artikel 16, derde lid, van de AWR (de vijfjaarstermijn) als bij toepassing van het vierde lid van dat artikel (de twaalfjaarstermijn).

De rechtbank oordeelt daarover als volgt.

Voortvarendheid en de twaalfjaarstermijn (‘verlengde navorderingstermijn’)

4.6.

De navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 tot en met 2001, 2003 en VB 1996 tot en met 2000 zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Ter zitting is komen vast te staan dat de navorderingsaanslagen die in 2009 zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn, niet voldoende voortvarend zijn opgelegd en moeten worden vernietigd. Dan resteren de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 1996 en VB 1996 en 1997 die ultimo 2007 en 2008 zijn opgelegd.

4.7.

De door de inspecteur gebruikte tijd bij het opleggen van de navorderingsaanslagen in het kader van het ‘Van Lanschot-Project’, waarvan de onderhavige zaken deel uit maken, is onder te verdelen in grofweg drie periodes. De eerste periode heeft betrekking op de tijd die is verstreken tussen het moment van ontvangst van de gegevens van de Belgische autoriteiten op 18 februari 2005 en het moment waarop voor het eerst vragenbrieven zijn verzonden naar belanghebbende op 5 december 2006. De tweede periode heeft betrekking op de tijd die is verstreken tussen 5 december 2006 en het opleggen van de eerste serie navorderingsaanslagen eind 2007. De derde periode heeft betrekking op de tijd die daarna is verstreken tot het opleggen van de navorderingsaanslagen eind 2008.

4.8.

Ter zake van de eerste periode heeft het volgende te gelden. Tussen het moment waarop de FIOD-ECD Team Internationaal de gegevens van de Belgische autoriteiten heeft ontvangen (18 februari 2005) en het versturen door de inspecteur van de vragenbrief aan belanghebbende (5 december 2006), is een periode van bijna twee jaar verstreken. De inspecteur heeft aangegeven, dat de Belastingdienst de inlichtingen in maart 2005 heeft ontvangen en dat besloten is om tot een projectmatige aanpak over te gaan in verband met de grote hoeveelheid gegevens en de in acht te nemen zorgvuldigheid. De inspecteur heeft voorts aangegeven, dat de projectmatige werkzaamheden in drie fases kunnen worden onderscheiden, te weten de onderzoeksfase, de besluit- en inrichtingsfase en de projectfase. Per periode heeft de inspecteur aangegeven welke soort van activiteiten in de desbetreffende periode zijn verricht. Gezien de complexiteit en de omvang van het project is de rechtbank van oordeel dat de periode van bijna twee jaar om de belastingplichtige te identificeren en vervolgens te benaderen met een vragenbrief niet onredelijk lang is.

4.9.

De inspecteur heeft in de (tweede) periode vanaf het sturen van de vragenbrieven tot het opleggen van de eerste navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 (en IB/PVV 2002) eind 2007 belanghebbende meermalen verzocht om informatie over de in het buitenland aangehouden bankrekening. Belanghebbende heeft op die verzoeken geen informatie aan de inspecteur verstrekt en toen nog niet (expliciet) ontkend rekeninghouder te zijn, maar heeft zelf steeds de inspecteur om nadere informatie gevraagd. De rechtbank acht de periode die is verstreken tot de dagtekening van de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en VB 1996 (en IB/PVV 2002) mede gelet daarop niet onevenredig lang. Met betrekking tot het opleggen van deze navorderingsaanslagen is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld.

4.10.

Tussen het moment waarop de eerste serie navorderingsaanslagen zijn opgelegd (dagtekening 31 december 2007) en het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen (IB/PVV 1996 en VB 1997, met dagtekening 31 december 2008) is één jaar verstreken. In de aankondigingsbrief van de eerste serie navorderingsaanslagen (15 december 2008) was al aangekondigd dat bij een ongewijzigd feitencomplex ook navorderingsaanslagen voor de jaren ná 1996 zouden worden opgelegd. Belanghebbende heeft bij brief van 22 april 2008 ontkend rekeninghouder te zijn bij Van Lanschot en een groot aantal twijfels geuit over de gang van zaken. Naar het oordeel van de rechtbank beschikte de inspecteur op dat moment over voldoende inlichtingen om de navorderingsaanslagen op te leggen. De inspecteur heeft toen nog acht maanden gewacht met het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen, die hij heeft aangekondigd bij brief van 10 november 2009. Volgens de inspecteur is die tijd gebruikt voor extra controle op de identificatie, waarvan de resultaten in de zomer van 2008 bekend waren. De rechtbank heeft geen reden om daaraan te twijfelen. De inspecteur heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de herbevestiging van de identificatie op een dermate laat tijdstip heeft plaatsgevonden dat de inspecteur de tweede serie navorderingsaanslagen niet eerder dan 31 december 2008 kon opleggen. Met betrekking tot het opleggen van deze tweede serie navorderingsaanslagen is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet voortvarend genoeg heeft gehandeld.

Voorvarendheid en ‘vijfjaarstermijn’

4.11.

Belanghebbende heeft gesteld dat het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2011, nr. 09/05204, ECLI:NL:HR:2011:BP4779, evenzeer dient te gelden bij het opleggen van navorderingsaanslagen op grond van het derde lid van artikel 16 van de AWR. De rechtbank volgt belanghebbende niet in zijn stelling. De mogelijkheid tot toepassing van de verlengde navorderingstermijn door de inspecteur wordt beperkt door het communautaire evenredigheidsbeginsel. Dit beginsel beperkt echter niet de toepassing van de ‘gewone’ navorderingstermijn. De rechtbank is voorts niet gebleken dat de termijn die de inspecteur heeft gebruikt om onderhavige navorderingsaanslagen (binnen de vijfjaarstermijn) op te leggen moet leiden tot de conclusie dat de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. De navorderingsaanslagen IB/PVV 1995, 2002, 2004, 2005, 2006, 2007 en VB 1996 zijn tijdig opgelegd.

Tussenconclusie

4.12.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat de navorderingsaanslagen IB/PVV 1996, IB/PVV 1997, IB/PVV 1998, IB/PVV 1999, IB/PVV 2000, IB/PVV 2001, IB/PVV 2003, VB 1997, VB 1998, VB 1999 en VB 2000 en de daarmee samenhangende beschikkingen heffingsrente en boetes dienen te worden vernietigd.

Omkering van de bewijslast en redelijke schatting

4.13.

De inspecteur heeft belanghebbende aangeschreven met het verzoek om informatie te verstrekken met betrekking tot in het buitenland aangehouden bankrekening(en). De inspecteur heeft daarbij meerdere keren gewezen op artikel 47 van de AWR en de mogelijke omkering en verzwaring van de bewijslast. In het onderhavige geval staat de bankrekening op naam van beiden echtgenoten. Belanghebbende heeft ontkend rekeninghouder te zijn.

4.14.

Nu de rechtbank, zoals hiervoor is overwogen, aannemelijk acht dat belanghebbende en zijn echtgenote een bankrekening hebben aangehouden bij Van Lanschot (in Luxemburg), heeft belanghebbende door geen inlichtingen te verstrekken de inlichtingenplicht van artikel 47 van de AWR geschonden. Het niet voldoen aan de vereisten van artikel 47 van de AWR leidt tot verzwaring en omkering van de bewijslast (artikel 27e van de AWR, tekst tot en met 2011). De rechtbank verklaart het beroep dan ongegrond, tenzij belanghebbende bewijst dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Belanghebbende heeft daar geen bewijs voor geleverd.

4.15.

Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de navorderingsaanslagen berusten op een redelijke schatting. De inspecteur heeft een analyse gemaakt van de bekende gegevens van de geïdentificeerde bankrekeninghouders bij Van Lanschot waarvan op alle drie momenten (21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996) de rekeningstand bekend was. Uit deze analyse is naar voren gekomen dat over de periode 21 december 1994 tot en met 5 september 1996 over het gehele bestand van 325 geïdentificeerde personen sprake is van een vermogenstoename van 23,55% op jaarbasis en over de periode 21 december 1994 tot 28 november 1996 een vermogenstoename van 23,66% op jaarbasis. Dit percentage heeft de inspecteur (rekening houdend met rente op rente) naar beneden bijgesteld tot 23,5. Het aldus vastgesteld percentage van 23,5 is vervolgens toegepast op de laatste gerenseigneerde stand van de bankrekening en het aldus berekende bedrag is telkens per jaar bijgeteld als vermogensgroei. Dit betekent dat de procentuele bijtelling elk jaar lager wordt. Voor de berekening van de inkomsten uit dit vermogen heeft de inspecteur voor de jaren tot en met 2000 aangesloten bij het fictieve rendement als bedoeld in artikel 29a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zijnde 6% van het in buitenlandse beleggingsinstellingen belegde vermogen. Vanaf 2001 zijn de aldus berekende saldi aangemerkt als gemeenschappelijke inkomensbestanddelen in box 3 die, gelet op het bepaalde in het (per 1 januari 2005 tot derde lid vernummerde) vierde lid van artikel 2.17 van de Wet IB 2001, aan beide partners voor de helft zijn toegerekend.

4.16.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met de uiteenzetting in het verweerschrift en de overige door hem ingebrachte stukken, voldoende inzicht verschaft in de wijze waarop de vaststelling van het stijgingspercentage van 23,5 en het inkomen uit vermogen tot stand zijn gekomen. De rechtbank acht de door inspecteur gehanteerde berekeningswijze van het vermogen, waarbij het saldo schattenderwijs jaarlijks is verhoogd met 23,5% van het laatst gerenseigneerde saldo, in zijn methode en in zijn uitwerking niet onredelijk aangezien de inspecteur ná 28 november 1996 niet beschikt over enig concreet gegeven ter zake van het door belanghebbende en zijn echtgenote bij Van Lanschot aangehouden vermogen. De stelling van belanghebbende dat bij de berekening van de vermogensstijging van 23,5% de stortingen die door de rekeninghouders zijn gedaan ook zijn meegerekend, leidt niet tot een andere conclusie. De inspecteur is immers van een gemiddelde stijging van de saldi bij vergelijkbare rekeninghouders bij Van Lanschot uitgegaan en daarin zijn eventuele opnamen en stortingen verwerkt.

4.17.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de uitgangspunten die de inspecteur heeft gehanteerd in het ‘Van Lanschot-project’ om het vermogen en de inkomenscorrecties te berekenen, niet onredelijk. Belanghebbende heeft nog gesteld dat helemaal niet zeker is dat de bankrekening niet in de aangiften was vermeld omdat de inspecteur niet alle aangiften heeft overgelegd. Gezien de ontkenning van belanghebbende dat hij rekeninghouder is (geweest), acht de rechtbank het echter volstrekt onaannemelijk dat belanghebbende inkomsten van die rekening heeft aangegeven. De navorderingsaanslagen berusten naar het oordeel van de rechtbank dan ook op een redelijke schatting.

4.18.

Wat betreft de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV 2002, 2004, 2005, 2006 en 2007 zijn partijen ter zitting overeengekomen dat deze dienen te worden gehalveerd in verband met het bepaalde in artikel 2.17 van de Wet IB 2001. Hetzelfde geldt voor de bij deze navorderingsaanslagen opgelegde boetes en berekende heffingsrente.

Boetes

4.19.

Bij alle navorderingsaanslagen zijn verhogingen of boetes begrepen c.q. opgelegd van 100% van de nagevorderde belasting. Het onderscheid tussen de boetes en verhogingen in de wettelijke regelingen heeft voor deze beslissing geen betekenis, zodat hierna uitsluitend wordt verwezen naar de wettelijke regelingen zoals deze luiden vanaf 1998 en de daarbij behorende terminologie.

4.20.

Op grond van de artikelen 67d en 67e van de AWR kan de inspecteur met betrekking tot belastingen die bij wege van aanslag worden geheven gelijktijdig met het vaststellen van de (navorderings)aanslag een vergrijpboete opleggen, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven. Opzet is het willens en wetens handelen of nalaten, leidend tot het niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn heffen of betalen van belasting.

4.21.

Ingeval van ‘opzet’ bedraagt de boete 50% (§ 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, hierna: BBBB en § 21 Voorschrift administratieve boeten 1993 (hierna: VAB), tenzij sprake is van strafverzwarende omstandigheden(§ 43 BBBB) c.q. ernstige fraude (§ 21 lid 3 VAB), in welk geval de boete tot 100% kan worden verhoogd. De omstandigheid dat de tegoeden in het buitenland zijn aangehouden met het doel deze buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden, is naar het oordeel van de rechtbank “ernstige fraude” in de zin van het VAB. Het is ook een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in § 43 van het BBBB. In beginsel is dan een boete van 100% gerechtvaardigd.

4.22.

Reeds met de brief van Van Lanschot aan belanghebbende met dagtekening 1 juni 2007, waarin het bankrekeningnummer expliciet staat vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank het bewijs geleverd dat belanghebbende in elk geval tot en met 2007 rekeninghouder was bij die bank. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende de inkomsten daaruit en het vermogen niet heeft aangegeven. Belanghebbende heeft niet betwist dat hij wist dat tegoeden en inkomsten van een buitenlandse bankrekening moeten worden aangegeven bij de Nederlandse fiscus. De rechtbank acht de inspecteur dan ook geslaagd in het bewijs dat het aan opzet van belanghebbende te wijten is dat de oorspronkelijke aanslagen tot te lage bedragen zijn vastgesteld en dat sprake is van strafverzwarende omstandigheden. De rechtbank acht boetes van 100% van de na te vorderen belasting in deze omstandigheden passend en geboden. Daaraan doet niet af dat de aanslagen zijn vastgesteld met omkering van de bewijslast.

4.23.

Belanghebbende heeft gesteld dat de boetes in verband met de overschrijding van de redelijke termijn (verder) moeten worden verminderd.

4.24.

De redelijke termijn is voor de eerste serie navorderingsaanslagen aangevangen met de brief van 22 november 2007, waarin de inspecteur de boetes die betrekking hebben op de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002 en VB 1996 heeft aangekondigd. Voor de tweede serie is de termijn naar het oordeel van de rechtbank aangevangen op 15 december 2008 omdat toen bij brief is aangekondigd dat ook voor andere jaren aanslagen met boetes zouden worden opgelegd (zie 2.7). Sinds 22 november 2007 tot heden zijn ruim 72 maanden verstreken en sinds 15 december 2008 ruim 60 maanden.

4.25.

Naar het oordeel van de rechtbank is een langere termijn dan 24 maanden gerechtvaardigd voor zover belanghebbende daarvoor verantwoordelijk is. Dat geldt voor:

- het uitstel dat op verzoek van belanghebbende is verleend in de bezwaarfase (zie 2.7 en 2.10), zodat de periode van 12 januari 2009 tot en met 18 mei 2011 (28 maanden) voor rekening komt van belanghebbende;

- het uitstel dat op verzoek van belanghebbende is verleend in de beroepsfase voor de motivering van het beroepschrift, zodat de periode van 29 september 2011 tot 2 november 2011 (1 maand) voor rekening komt van belanghebbende.

4.26.

De redelijke termijn is dan voor de eerste serie navorderingsaanslagen met 19 maanden (72 maanden minus (de redelijke termijn van) 24 maanden minus 28 maanden minus 1 maand) overschreden, en voor de tweede serie met 7 maanden (60 min 24 min 28 min 1 maand). Gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn dienen de boetes (in sommige gevallen na halvering) voor de eerste serie navorderingsaanslagen te worden gematigd met 20% en voor de tweede serie met 10%. De boetes bij de aanslagen die (gedeeltelijk) in stand blijven bedragen dan:

IB/PVV 1995: € 756 (80% van € 945) (eerste serie).

IB/PVV 2002: € 888 (80% van 50% van € 2.221) (eerste serie).

IB/PVV 2004: € 1.204 (90% van 50% van € 2.677) (tweede serie).

IB/PVV 2005: € 1.306 (90% van 50% van € 2.904) (tweede serie).

IB/PVV 2006: € 1.409 (90% van 50% van € 3.132) (tweede serie).

IB/PVV 2007: € 1.318 (90% van 50% van € 2.930) (tweede serie).

4.27.

De boete bij de navorderingsaanslag VB 1996 is € 65. Dat bedrag is zo gering dat de rechtbank volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Heffingsrente

4.28.

Belanghebbende heeft onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2009, nr. 07/13362, ECLI:NL:HR2009:BJ8524 en van 28 maart 2011, nr. 35968, ECLI:NL:HR:2011:AB0764, betoogd dat het zorgvuldigheidsbeginsel meebrengt dat de periode waarover heffingsrente wordt berekend met betrekking tot alle navorderingsaanslagen moet worden beperkt tot de dagtekening van de eerste serie opgelegde navorderingsaanslagen op 31 december 2007.

4.29.

Het door belanghebbende genoemde arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009 ziet op de situatie dat de inspecteur niet binnen drie maanden na de ingediende aangifte dan wel een verzoek om een voorlopige aanslag, een (voorlopige) aanslag oplegt. Alsdan mag op basis van dit arrest niet meer heffingsrente in rekening worden gebracht dan verschuldigd zou zijn als wel binnen drie maanden een aanslag conform de aangifte c.q. het verzoek zou zijn opgelegd. Die situatie doet zich hier niet voor nu in afwijking van de aangiftes navorderingsaanslagen zijn opgelegd. Het belopen van de heffingsrente is in het onderhavige geval een gevolg van de omstandigheid dat belanghebbende onjuiste aangiften heeft gedaan en is voor de volledige periode terecht berekend over het nagevorderde bedrag.

De omstandigheid dat de inspecteur niet alle navorderingsaanslagen met dezelfde dagtekening heeft opgelegd, leidt evenmin tot een beperking van de heffingsrente.

4.30.

Belanghebbende heeft voor het overige geen concrete bezwaren tegen de periode waarover heffingsrente is berekend ingebracht. De rechtbank is ook niet gebleken dat de beschikkingen onjuist zouden zijn.

Immateriële schadevergoeding

4.31.

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een vergoeding van de immateriële schade als gevolg van de lange behandelingsduur van het bezwaar en beroep.

4.32.

Gezien de samenhang tussen de navorderingsaanslagen, gaat de rechtbank ervan uit dat de lange behandelingsduur éénmaal heeft geleid tot spanning en frustratie bij belanghebbende waarvoor een vergoeding op zijn plaats is. De rechtbank ziet hierin aanleiding voor alle onderhavige zaken tezamen eenmaal schadevergoeding toe te kennen wegens (redelijke) termijnoverschrijding en voor het overige te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

4.33.

Tussen de ontvangst van het eerste bezwaarschrift door de inspecteur op 9 januari 2008, en de dagtekening van de uitspraak daarop (25 augustus 2011) zit een tijdsverloop van afgerond 44 maanden. Daarvan komen, zoals in 4.25 is overwogen, 28 maanden voor rekening van belanghebbende. De behandeling van het bezwaar heeft dan per saldo 16 maanden geduurd, dus 10 maanden te lang.

4.34.

Het beroepschrift is bij de rechtbank binnengekomen op 29 september 2011. De uitspraak van de rechtbank wordt gedaan op 20 december 2013. Dat is afgerond 27 maanden na ontvangst van het beroepschrift. Daarvan komt, zoals in 4.25 is overwogen, één maand voor rekening van belanghebbende. De behandeling van het beroep heeft dan per saldo 26 maanden geduurd, dus 8 maanden te lang.

4.35.

Gelet op het in punt 4.33 geconstateerde dient de Minister van Veiligheid en Justitie in de procedure te worden betrokken. De rechtbank zal daarom op grond van artikel 8:73, lid 2, van de Awb het onderzoek heropenen ter voorbereiding van een uitspraak op het verzoek van belanghebbende om de door hem geleden schade te vergoeden.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank beschouwt de zaken met de procedurenummers AWB 11/4945 tot en met 11/4962 als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en zal de proceskostenvergoeding in de zaak met procedurenummer AWB 11/4962 (VB 2000) toekennen. De kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op, afgerond, € 1.769 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften met een waarde per punt van € 235, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1,5).

6 Beslissing

De rechtbank:

IB/PVV 1995

  • -

    verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op het kwijtscheldingsbesluit;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar met betrekking tot het kwijtscheldingsbesluit;

  • -

    scheldt de verhoging van € 945 begrepen in de navorderingsaanslag voor een bedrag van € 189 kwijt;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

IB/PVV 1996

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag met de daarin begrepen verhoging, het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente.

IB/PVV 1997

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag met de daarin begrepen verhoging, het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente.

IB/PVV 1998

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente.

IB/PVV 1999

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente.

IB/PVV 2000

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente.

IB/PVV 2001

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente.

IB/PVV 2002

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag met een bedrag van € 1.111 (= 50% x € 185.101 x 4% x 30%);

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van € 888;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig.

IB/PVV 2003

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente.

IB/PVV 2004

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag met een bedrag van € 1.338 (= 50% x € 223.050 x 4% x 30%);

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van € 1.204;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig.

IB/PVV 2005

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag met een bedrag van € 1.452 (= 50% x € 242.024 x 4% x 30%);

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van € 1.306;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig.

IB/PVV 2006

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag met een bedrag van € 1.566 (= 50% x € 260.999 x 4% x 30%);

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van € 1.409;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig.

IB/PVV 2007

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag met een bedrag van € 1.465 (= 50% x € 279.973 x 4% x 30%);

  • -

    vermindert de boete tot een bedrag van € 1.318;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig.

VB 1996

- verklaart het beroep ongegrond.

VB 1997

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag met de daarin begrepen verhoging, het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente.

VB 1998

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag met de daarin begrepen verhoging, het kwijtscheldingsbesluit en de beschikking heffingsrente.

VB 1999

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente.

VB 2000

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag, de boetebeschikking en de beschikking heffingsrente;

  • -

    veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.769;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

IB/PVV 1995 tot en met 2007 en VB 1996 tot en met 2000

- stelt vast dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding op een uitspraak op het verzoek om immateriële schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van de Awb en merkt de Minister van Veiligheid en Justitie aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan op 20 december 2013 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr.drs. M.M. Breij, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Arts, griffier. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.