Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:10252

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
13-01-2014
Zaaknummer
242812 / HA ZA 11-1500
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

/

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2014/38

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht

Breda

zaaknummer / rolnummer: C/02/242812 / HA ZA 11-1500

Vonnis van 18 december 2013

in de zaak van

1. de maatschap

SMEETS & WEIJMER NOTARISSEN,

gevestigd te Goirle,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. H.G.A.M. Spoormans,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A. Sanders-Maanurdin.

Partijen zullen hierna Smeets & Weijmer Notarissen c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 25 januari 2012

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 24 mei 2012

  • -

    de akte van [eisers] met producties nummer 3,4 en 5

  • -

    de antwoord akte van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

[eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om tegen bewijs van kwijting aan [eisers] datgene te betalen waartoe [eisers] in de hoofdzaak, bekend bij deze rechtbank onder rolnummer 232594/HAZA 11-513, mochten worden veroordeeld, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding zowel in de hoofdzaak als in de vrijwaring.

2.2

[gedaagde] weerspreekt de vordering.

3 De beoordeling

3.1.

Tussen partijen kan in dit geding van de navolgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

Medio 2009 hebben [eisers] de Rabobank (de Kempen West U.A.) benaderd met het verzoek om mee te werken aan doorhaling van het eerste recht van hypotheek van deze bank, welk recht gevestigd was op een aantal onroerende zaken die eigendom waren van [gedaagde] en [naam toenmalige echtgenoot], de toenmalige echtgenoot van [gedaagde]. Laatstgenoemden hadden geld geleend van de bank en een hypotheek recht verstrekt tot, laatstelijk, € 250.000,=. De bank heeft hierop aan [eisers] op 14 mei 2009 laten weten, dat zij bereid was om mee te werken aan doorhaling, indien aan haar een bedrag van € 251.914,98 zou worden betaald; de bank heeft in het kader van deze bereidverklaring een royements volmacht aan [eisers] doen toekomen. Op 12 januari 2010 is het hypotheekrecht van de bank doorgehaald met gebruikmaking van deze royements volmacht. Op dat moment echter was de vordering van de bank, naar later bleek, niet voldaan; ook nadien hebben [gedaagde] en [naam toenmalige echtgenoot] de vordering van de bank niet betaald.

De bank heeft [eisers] aansprakelijk gesteld wegens een beroepsfout; deze claim heeft geleid tot een toewijzend eindvonnis van deze rechtbank van 3 april 2013; [eisers] werden bij dat vonnis hoofdelijk veroordeeld om aan de bank, kortgezegd, € 275.686,= te betalen, vermeerderd proceskosten.

De beroepsaansprakelijkheidsverzekeraars van [eisers] hebben dit bedrag inmiddels voldaan; [eisers] zetten als lasthebbers van deze verzekeraars de onderwerpelijke vrijwaringsprocedure voort.

3.2

[eisers] stellen zich op het standpunt dat [gedaagde] en [naam toenmalige echtgenoot] hoofdelijk gehouden zijn om hen te vrijwaren voor de claim van de bank, welke claim – inmiddels- is toegewezen tot voormeld bedrag en voldaan door de verzekeraars. [eisers] stoelen dit standpunt op de stelling dat [gedaagde] en [naam toenmalige echtgenoot] ongerechtvaardigd zijn verrijkt in de zin van artikel 6:212 BW. Zij immers, aldus [eisers], zijn verrijkt doordat de vordering van de bank op hen is verminderd ter hoogte van het bedrag dat de verzekeraars ingevolge het eindvonnis van 3 april 2013 hebben betaald. De verzekeraars zijn na betaling van dit bedrag voor hetzelfde bedrag verarmd; op grond van de werking van subrogatie, geregeld in artikel 7:962 lid 1 BW, komt het vorderingsrecht ter zake de ongerechtvaardigde verrijking aan hen toe.

Volgens [eisers] is het redelijk dat [gedaagde] de schade vergoedt, omdat immers haar schuld aan de bank tot het beloop van de betaling door de verzekeraars is verlaagd zonder enige tegenprestatie van haar zijde of die van haar toenmalige echtgenoot.

3.3

[gedaagde] verweert zich door te stellen, dat [eisers] niet zijn verarmd. Immers de beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft de schade betaald, zodat er van verarming van [eisers] geen sprake is. Als er al wel sprake zou zijn van enige verarming dan geldt dit hoogstens voor het eigen risico van [eisers]; zij vindt evenwel dat op grond van de billijkheid, gezien de ernst van de beroepsfout die is gemaakt door [eisers], het niet meer dan redelijk is als ook het eventueel eigen risico volledig aan [eisers] zelf wordt toegerekend op grond van artikel 6: 101 BW.

Overigens, zo voert [gedaagde] verder aan, is de schade die aan de zijde van [eisers] is ontstaan, een omstandigheid die geheel aan [eisers] zelf dient te worden toegerekend. Zij hebben immers een beroepsfout gemaakt waardoor de schade is ontstaan.

Bovendien vindt [gedaagde], dat er geen goede grond is om bij eventuele toewijzing van de vrijwaringsvordering ook de kosten van de hoofdzaak voor rekening van [gedaagde] te laten komen.

3.4

Op grond van artikel 6:212 BW moet degene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van iemand anders diens schade vergoeden tot het bedrag van de verrijking, alles voor zover dit redelijk is.

Hier doet zich de situatie voor, dat [gedaagde] en [naam toenmalige echtgenoot] zijn verrijkt als gevolg van de betaling door de verzekeraars; door de betaling namelijk aan de bank is hun schuld aan de bank voor hetzelfde bedrag verlaagd. Deze verrijking is ongerechtvaardigd, want de schuld aan de bank betrof een betalingsverplichting van [gedaagde] en van [naam toenmalige echtgenoot] en tegenover de schuldverlaging stond geen enkele tegenprestatie van [gedaagde] en van [naam toenmalige echtgenoot]; tussen [gedaagde] en [naam toenmalige echtgenoot] enerzijds en [eisers] c.q. de verzekeraars anderzijds bestond geen rechtsband waaruit enige verplichting voor laatstgenoemden voortvloeide om bij te dragen aan aflossing van de leenschuld van [gedaagde] en [naam toenmalige echtgenoot] aan de bank.

Tegenover deze verrijking staat een even grote verarming aan de zijde van [eisers]. Vaststaat immers dat [eisers] veroordeeld zijn voormeld bedrag aan de bank te betalen, dat de verzekeraars van [eisers] dit bedrag inmiddels voldaan hebben en dat zij gesubrogeerd zijn in de rechten van [eisers]. Als niet betwist dat vast dat [eisers] als lasthebbers in dit geding optreden ten gunste van de verzekeraars.

3.5

Het vorenstaande leidt ertoe dat geconcludeerd moet worden, dat aan de elementen van ongerechtvaardigde verrijking voldaan is en [gedaagde] gehouden is - als zoals onbetwist gesteld: hoofdelijk aansprakelijke schuldenares- om aan [eisers] de schade te vergoeden, voor zover dit redelijk is.

Anders dan [gedaagde] betoogt is het redelijk te noemen, dat de volledige schade voor rekening van [gedaagde] komt. Niet uit het oog verloren moet immers worden, dat de claim van de bank, die uiteindelijk betaald is door de verzekeraars, ontstaan is doordat [gedaagde] en [naam toenmalige echtgenoot] zich niet gehouden hebben aan hun betalingsverplichtingen aan de bank en daarin tekort zijn geschoten. Niet valt in te zien waarom het redelijk is dat een ander dan [gedaagde] en [naam toenmalige echtgenoot] deze schuld aan de bank geheel of gedeeltelijk zou hebben te dragen.

3.6

Het verweer van [gedaagde], dat (de ernst van) de beroepsfout van [eisers] een rol dient te spelen bij beantwoording van de toerekenings vraag zoals bedoeld in artikel 6:101 BW snijdt geen hout. In de relatie tussen de bank en [eisers] speelt de beroepsfout uiteraard wèl een belangrijke rol; zonder de beroepsfout had de rechtbank [eisers] niet verantwoordelijk gehouden voor de, volledig aan het gedrag van [eisers] toegerekende, schade. [gedaagde] geeft geen argumenten waarom het redelijk zou zijn dat zij en [naam toenmalige echtgenoot] zou dienen te profiteren van deze fout van [eisers], waardoor de bank schade heeft geleden. Zoals in 3.4 al overwogen ziet ook de rechtbank niet in waarom dit redelijk zou zijn.

3.7

Het bovenstaande leidt tot toewijzing van de hoofdvordering. In de loop van deze procedure is het bedrag bekend geworden waarvoor [gedaagde] heeft te vrijwaren. De rechtbank zal de beslissing hierop aanpassen zoals hierna geformuleerd.

Omdat [gedaagde] in het ongelijk wordt gesteld wordt zij verwezen in de proceskosten. De kosten van deze vrijwaringsprocedure aan de zijde van [eisers] bestaan uit de kosten van het deurwaardersexploot ad € 97,80 en uit het salaris van de advocaat ad (2 punten à € 2000,=) € 4.000,=.

Anders dan [eisers] vorderen wordt [gedaagde] niet belast met veroordeling van de kosten in de hoofdzaak; deze kosten namelijk vloeien voort uit proceskeuzes die [eisers] in die hoofdzaak zelf hebben gemaakt, waar [gedaagde] buiten heeft gestaan en welke keuzes niet tot succes hebben geleid.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers] het bedrag van € 275.686,= (tweehonderdvijfenzeventigduizendzeshonderdzesentachtig euro) te betalen,

4.2

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding in vrijwaring deze voor zover gerezen aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 4.097,80,

4.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.4

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J.E. Poerink en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.