Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:10246

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
C/12/86572 / HA ZA 12-301
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaringsverweer. Aan welke vereisten moet een stuitingshandeling voldoen. Uitleg van gezonden e-amail. Geschil betrof zakelijke geldlening. Verweer van mede-gedaagde echtgneote dat zijniet gebonden is (Bw art. 1: 85) gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht


Middelburg

zaaknummer / rolnummer: C/12/86572 / HA ZA 12-301

Vonnis van 9 oktober 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

THEMIS VASTGOED B.V. ,

gevestigd en kantoorhoudende te 's-Heerenhoek,

eiseres,

advocaat mr. K.M. Moeliker te Middelburg,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. J.A.M. de Kerf te Goes.

Partijen zullen hierna ieder afzonderlijk Themis Vastgoed B.V., [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden genoemd. Voor zover [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gezamenlijk worden bedoeld, zullen zij [gedaagden] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 maart 2013,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 april 2013.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

2.2.

In februari 2006 is een overeenkomst van geldlening gesloten welke is ondertekend door Sagro Projectontwikkelingsmaatschappij B.V., rechtsvoorgangster van Themis Vastgoed B.V., en [gedaagde sub 1]. [gedaagde sub 2] heeft de overeenkomst niet ondertekend. Deze overeenkomst vermeldt het volgende:

“(…)

Ondergetekende:

  1. [gedaagde sub 1] , (…) hierna te noemen: “de schuldenaar” , gehuwd met na te noemen mevrouw [gedaagde sub 2];

  2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: SAGRO PROJEKTONTWIKKELINGSMAATSCHAPPIJ B.V. , (…) hierna te noemen “de schuldeiser”.

Overwegingen vooraf

1. De schuldenaar en de schuldeiser verklaren een overeenkomst van geldlening met bijubehorende, in de onderhavige overeenkomst weergegeven afspraken te zijn aangegaan. (…)

Overeenkomst van geldlening

2. De schuldenaar verklaart ter leen te hebben ontvangen van en daarom verschuldigd te zijn aan de schuldeiser, die verklaart daarom van de schuldenaar te vorderen te hebben, een bedrag van totaal VIJFTIG DUIZEND EURO (€ 50.000,00), welk bedrag in 2 tranches is ontvangen, te weten:
- VIJF EN TWINTIG DUIZEND EURO (€ 25.000,00) per 25 januari 2006;
- VIJF EN TWINTIG DUIZEND EURO (€ 25.000,00) per 5 oktober 2005. (…)

Rente

a. Vanaf de onder 2 genoemde data is de schuldenaar verplicht over het respectievelijke deel van de hoofdsom of het onafgeloste gedeelte daarvan aan de schuldeiser te voldoen een rente van acht procent (8%) per jaar. (…)

Looptijd

De looptijd van de lening is tot en met 30 december 2006 of zoveel eerder als het woonhuis met aanbehoren van de schuldenaar zal zijn verkocht en aan de betreffende koper zal zijn geleverd en de verkoopopbrengst ter aflossing van de hoofdsom en de interest onvoorwaardelijk aan de schuldeiser zal zijn uitgekeerd en door hem ontvangen zijn of zoveel eerder wordt “inverdiend” als later in deze overeenkomst is omschreven.

(…)

Opeisbaarheid lening

e. De hoofdsom of het restant daarvan is bovendien terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar, met de rente tot de dag der terugbetaling, in de volgende gevallen:
- ingeval de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van de rente en/of

aflossing op 30 december 2006; (…)

Intreden verzuim

f. De schuldenaar is in verzuim door het enkele tijdsverloop van een door de betaling ingevolge deze akte opgestelde termijn of betalingsdatum of het enkele feit van de niet of niet-behoorlijke nakoming of overtreding van de bepalingen in deze akte, zonder dat daartoe een ingebrekestelling, aanmaning, bevel of soortgelijke daad van rechtsvervolging nodig is. (…)”

2.3.

Op 5 juli 2010 heeft Themis Vastgoed B.V. [gedaagde sub 1] per e-mail het volgende bericht:
“[gedaagde sub 1],

Ik heb je meerdere malen gebeld. Vorige week nog gemaild en ik krijg geen antwoord. Ik heb tevens geen nieuw adres van je mogen ontvagen.

Ik zou graag binnen twee dagen contact met elkander hebben, anders ben ik genoodzaakt om andere maatregelen te nemen

Ik hoor graag je van en tevens je adres waar je nu woont

Met vriendelijke groet

[naam medewerker]”.

2.4.

De bijlage bij de e-mail van 5 juli 2010 vermeldt onder meer het volgende:
Lening [gedaagde sub 1] (op grb.rek 1910 Diverse voorschotten)

(…)

Stand 31 dec. 2007 € 58.715

Rente 2008 € 58.715 8% € 4.697

----------

Stand 31 dec. 2008 € 63.412

Rente 2009 € 63.412 8% € 5.073

----------

Stand 31 december 2009 € 68.485

2.5.

Terugbetaling van de lening is tot op heden uitgebleven.

3 Het geschil

3.1.

Themis Vastgoed B.V. vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 87.381,26, vermeerderd met de overeengekomen rente van 8 % op jaarbasis, althans de wettelijke rente, over een bedrag van € 50.000,00 vanaf 1 december 2012. Daarnaast vordert Themis Vastgoed B.V. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de vijftiende dag na betekening van het vonnis.

3.2.

Themis Vastgoed B.V. legt aan haar vordering ten grondslag dat zij bij de overeenkomst van geldlening van 4/2 februari 2006 € 50.000,00 aan [gedaagden] heeft geleend. Bij deze overeenkomst is afgesproken dat [gedaagden] uiterlijk op 30 december 2006 het geleende geld alsmede 8 % rente per jaar aan Themis Vastgoed B.V. zou terugbetalen. Betaling is echter tot op heden uitgebleven.

Voor wat betreft de vordering jegens [gedaagde sub 2] stelt Themis Vastgoed B.V. primair dat ook [gedaagde sub 2] contractspartij is bij de overeenkomst van geldlening, nu uit de overeenkomst blijkt dat [gedaagde sub 2] heeft verklaard bekend te zijn met de overeenkomst en zich te binden tot nakoming daarvan. Bovendien heeft [gedaagde sub 2] geprofiteerd van de lening en zijn er diverse besprekingen geweest waarin over het geld en terugbetaling daarvan is gesproken. Subsidiair stelt Themis Vastgoed B.V. dat nu [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, [gedaagde sub 2] om die reden ook op grond van artikel 1:85 BW aansprakelijk is voor de door [gedaagde sub 1] aangegane schuld. Daarnaast is [gedaagde sub 2] op grond van artikel 1:94 BW aansprakelijk voor voornoemde schuld nu deze in de huwelijkse gemeenschap van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] valt. Voor zover deze gemeenschap thans zou zijn ontbonden volgt aansprakelijkheid uit artikel 1:102 BW.

In reactie op het verweer van [gedaagden] betwist Themis Vastgoed B.V. dat haar vordering tot nakoming zou zijn verjaard. De overeenkomst is stilzwijgend verlengd nu Themis Vastgoed B.V. na het verstrijken van de looptijd niet heeft aangedrongen op aflossing van de lening en zich heeft neergelegd bij aflossing op een later moment. Als gevolg daarvan is de verjaringstermijn pas aangevangen nadat de woning op 1 februari 2008 was verkocht en is de verjaring met de brief van november 2012 gestuit. Daar komt bij dat [gedaagden] ook uit de inhoud van de e-mail van 5 juli 2010 en het bijgevoegde overzicht had moeten afleiden dat Themis Vastgoed B.V. aanspraak maakte op aflossing van de lening. Tot slot is het beroep van [gedaagden] op verjaring in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

3.3.

[gedaagden] voert verweer en stelt dat de vordering tot nakoming van de overeenkomst tot geldlening is verjaard. De aflossing van de lening zou uiterlijk geschieden op 30 december 2006, zodat de lening en de daarover verschuldigde rente eind 2006 opeisbaar is geworden. Nu Themis Vastgoed B.V. eerst in november 2012 – derhalve meer dan vijf jaar later – aanspraak heeft gemaakt op terugbetaling van de lening en de verjaring daarvoor niet is gestuit, is de vordering tot nakoming van de overeenkomst van geldlening verjaard.

[gedaagde sub 2] betwist verder dat zij partij is bij de tussen Themis Vastgoed B.V. en [gedaagde sub 1] gesloten overkomst en dat zij op de hoogte zou zijn geweest van deze lening. De overeenkomst is niet door haar ondertekend, noch heeft zij op andere wijze met deze overeenkomst ingestemd. Evenmin heeft zij toestemming gegeven voor het vestigen van zekerheden ten behoeve van de toenmalige echtelijke woning van [gedaagden], zoals in de overeenkomst is opgenomen. Zodra [gedaagde sub 2] kennis had genomen van de door [gedaagde sub 1] gevestigde zekerheden heeft [gedaagde sub 2] de nietigheid van de overeenkomst ingeroepen voor zover hierbij voornoemde zekerheden waren gevestigd. Om voorgaande redenen kan zij niet uit hoofde van de overeenkomst worden aangesproken voor de door [gedaagde sub 1] aangegane lening.

Ook is [gedaagde sub 2] niet aansprakelijk op grond van het huwelijksvermogensrecht. De aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 1:85 BW ziet uitsluitend op huishoudelijke schulden en daarvan is gezien het bedrag van de lening in het onderhavige geval geen sprake. Daar komt bij dat de lening door [gedaagde sub 1] is aangegaan ten behoeve van zijn zakelijke activiteiten en het geleende bedrag is overgemaakt naar de bankrekening van de toenmalige holding van [gedaagde sub 1].

4 De beoordeling

Verjaring

4.1.

Zelfs als ervan uitgegaan wordt dat de vordering op 31 december 2006 opeisbaar is geworden, is zij niet verjaard, aangezien de verjaring met de e-mail van 5 juli 2010 tijdig is gestuit. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge art. 3:317, eerste lid, BW kan de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis worden gestuit door een ‘schriftelijke aanmaning’ of ‘een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt.’
Tussen partijen is niet in geschil dat de e-mail van 5 juli 2010 als schriftelijk in vorenbedoelde zin kan worden aangemerkt.
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat dit artikel moeten worden begrepen in het licht van de strekking van de stuitingshandeling, welke neerkomt op een – voldoende duidelijke – waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering kan verweren. Bij de uitleg van de strekking van de e-mail van 5 juli 2010 komt het er derhalve op aan of [gedaagden] daaraan redelijkerwijs de betekenis heeft moeten toekennen dat Themis Vastgoed B.V. zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming heeft voorbehouden.

In de processtukken heeft [gedaagden] de ontvangst van voornoemde e-mail met bijbehorend overzicht van de lening en de inmiddels verschuldigde contractuele rente, niet betwist. [gedaagde sub 1] heeft deze e-mail, met het onderwerp “afspraak en stand
31 12 2009” diezelfde dag beantwoord.
In haar e-mail heeft Themis Vastgoed B.V. expliciet opgemerkt dat zij zich genoodzaakt zal zien andere maatregelen te treffen indien er niet binnen twee dagen contact tussen Themis Vastgoed B.V. en [gedaagde sub 1] zal zijn. Verder behelst de bijlage bij deze e-mail een overzicht van de eerder afgesloten lening inclusief de tot en met 31 december 2009 verschuldigde contractuele rente. Uit deze e-mail in samenhang met het bijgevoegde overzicht had [gedaagden] moeten opmaken dat Themis Vastgoed B.V. nog steeds aanspraak maakte op terugbetaling van de lening.

Nu deze e-mail binnen vijf jaar na het opeisbaar worden van de vordering is verzonden, is hiermee de verjaring van de vordering tijdig gestuit. Daarbij kan in het midden blijven of de vordering opeisbaar is geworden op 31 december 2006 of op 1 februari 2008. Zelfs als [gedaagden] immers moet worden gevolgd in zijn stelling dat de verjaringstermijn op 31 december 2006 is aangevangen, is de verjaring met de e-mail van 5 juli 2010 tijdig gestuit.
Door de stuiting van de verjaring is op 6 juli 2010 een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar aangevangen, welke thans nog niet is verstreken. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van [gedaagden] dat de vordering van Themis Vastgoed B.V. tot nakoming van de overeenkomst van geldlening zou zijn verjaard. Gelet hierop behoeft hetgeen Themis Vastgoed B.V. overigens heeft gesteld geen boordeling.

De vordering ten aanzien van [gedaagde sub 2]

4.2.

Themis Vastgoed B.V. heeft haar stelling dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] beiden partij zijn bij de overeenkomst van geldlening, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde sub 2] de overeenkomst van geldlening niet heeft ondertekend en dat in de overeenkomst uitsluitend [gedaagde sub 1] is aangemerkt als schuldenaar. Verder is gesteld noch gebleken dat [gedaagde sub 2] betrokken is geweest bij de totstandkoming van de overeenkomst in die zin dat zij (mondeling) Themis Vastgoed B.V. een aanbod heeft gedaan dat door Themis Vastgoed B.V. is aanvaard of omgekeerd. Weliswaar heeft Themis Vastgoed B.V. gesteld dat er besprekingen zijn geweest over het geleende geld en de terugbetaling daarvan, doch zij heeft niet gesteld dat ook [gedaagde sub 2] op enigerlei wijze bij deze besprekingen was betrokken.

De rechtbank volgt Themis Vastgoed B.V. evenmin in haar stelling dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de aangegane lening, omdat in de overeenkomst van geldlening is opgenomen dat [gedaagde sub 2] heeft verklaard bekend te zijn met de overeenkomst en zich te binden tot nakoming daarvan. Daargelaten of deze toestemming daadwerkelijk is gegeven, zelfs als dit juist zou zijn heeft dit niet tot gevolg dat [gedaagde sub 2] daarmee ook contractspartij van Themis Vastgoed B.V. zou zijn en dat zij op die grond aansprakelijk zou zijn jegens Themis Vastgoed B.V.

In het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde sub 2] heeft Themis Vastgoed B.V. derhalve haar stelling dat ook [gedaagde sub 2] contractspartij was bij de overeenkomst van geldlening, onvoldoende onderbouwd. Gelet op het voorgaande is [gedaagde sub 2] niet uit hoofde van deze overeenkomst aansprakelijk voor de door [gedaagde sub 1] aangegane lening. Het door Themis Vastgoed B.V. terzake gedane bewijsaanbod wordt om die reden gepasseerd.

4.3.

Met [gedaagde sub 2] is de rechtbank van oordeel dat zij evenmin aansprakelijk is op grond van artikel 1:85 BW. Zoals [gedaagde sub 2] terecht heeft gesteld ziet dit artikel op de aansprakelijkheid van echtgenoten voor door de andere echtgenoot aangegane verbintenissen ten behoeve van de gewone gang van de huishouding. Van een dergelijke verbintenis is in het onderhavige geval geen sprake. Onbetwist is komen vast te staan dat de lening is aangegaan ten behoeve van de zakelijke activiteiten van [gedaagde sub 1] alsmede dat het geleende bedrag rechtstreeks op de rekening van de toenmalige holding van [gedaagde sub 1] is gestort. Om die reden verwerpt de rechtbank deze stelling van Themis Vastgoed B.V.

4.4.

Voor zover Themis Vastgoed B.V. meer subsidiair heeft bedoeld te stellen dat [gedaagde sub 2] aansprakelijk is voor de door [gedaagde sub 1] aangegane schuld reeds omdat deze in de huwelijkse gemeenschap tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] valt, gaat de rechtbank hieraan eveneens voorbij. Artikel 1:94 BW bepaalt welke baten en schulden in een huwelijkse gemeenschap vallen en heeft betrekking op de vraag welke schulden kunnen worden aangeduid als gemeenschapsschulden. Daarmee ziet dit artikel op de onderlinge draagplicht van echtgenoten voor schulden, doch niet op hun aansprakelijkheid voor deze schulden jegens derden. Artikel 1:94 BW biedt dan ook geen grondslag voor aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] jegens Themis Vastgoed B.V. voor deze schuld. In het midden kan derhalve blijven of de door [gedaagde sub 1] aangegane schuld in de gemeenschap tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] valt.
Evenmin biedt artikel 1:102 BW voornoemde grondslag voor aansprakelijkheid, nu gesteld noch gebleken is dat de gemeenschap tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zou zijn ontbonden.

4.5.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 2] niet aansprakelijk is voor de door [gedaagde sub 1] aangegane schuld. De vordering van Themis Vastgoed B.V. wordt in zoverre afgewezen.
De vordering van Themis Vastgoed B.V. jegens [gedaagde sub 1] komt wel voor toewijzing in aanmerking, nu het beroep van [gedaagde sub 1] op verjaring wordt verworpen en hij de vordering van Themis Vastgoed B.V. niet anderszins heeft betwist.

Beslagkosten

4.6.

Uit het proces-verbaal van de comparitie van 22 april 2013 blijkt dat Themis Vastgoed B.V. ter comparitie te kennen heeft gegeven dat zij tevens vergoeding wenst van de eerder door haar gemaakte beslagkosten. In de dagvaarding is door Themis Vastgoed B.V. echter niet verzocht om vergoeding van voornoemde kosten.

4.7.

De rechtbank overweegt dat zolang zij nog geen eindvonnis heeft gewezen, de eiser in beginsel bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. Bij wijze van uitzondering kan, in geval van een eenvoudige wijziging, dit ook mondeling ter comparitie gebeuren. In dat geval dient deze wijziging expliciet te worden neergelegd in het proces-verbaal van de comparitie, waarna gedaagde in de gelegenheid zal worden gesteld zich over deze wijziging uit te laten.
Uit het proces-verbaal van de comparitie van 22 april 2013 blijkt niet dat Themis Vastgoed B.V. met deze toelichting heeft bedoeld haar eis te wijzigen en evenmin of [gedaagde sub 1] vervolgens in de gelegenheid is gesteld zich over deze eiswijziging uit te laten.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding de ter comparitie door Themis Vastgoed B.V. gegeven toelichting op haar vordering aan te merken als een eiswijziging, in die zin dat door Themis Vastgoed B.V. tevens aanspraak wordt gemaakt op vergoeding van de door haar gemaakte beslagkosten. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van deze stelling van Themis Vastgoed B.V.

Proceskosten

4.8.

[gedaagde sub 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij jegens Themis Vastgoed B.V. in haar proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Themis Vastgoed B.V. worden begroot op:

- dagvaarding € 76,17

- griffierecht 1.789,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

totaal € 3.653,17

4.9.

Themis Vastgoed B.V. zal als de in het ongelijk gestelde partij jegens [gedaagde sub 2] in haar proceskosten worden veroordeeld. Nu [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gezamenlijk hebben geprocedeerd worden de kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] begroot op de helft van de kosten aan de zijde van [gedaagden]:

- griffierecht 410,50 (€ 821,00 gedeeld door 2)

- salaris advocaat 894,00 (2,0 punten × tarief € 894,00 gedeeld door 2)

totaal € 1.304,50

4.10.

De door Themis Vastgoed B.V. gevorderde nakosten zullen als niet weersproken worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan Themis Vastgoed B.V. te betalen een bedrag van € 87.381,26, vermeerderd met de contractuele rente van 8 % per jaar over een bedrag van € 50.000,00 met ingang van 1 december 2012 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van Themis Vastgoed B.V. tot op heden begroot op € 3.653,17, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Themis Vastgoed B.V. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 1.304,50,

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 1] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2013. 1

1 SdJ