Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2013:10008

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
24-01-2014
Zaaknummer
AWB 13/232
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

13/232 (Dit is één van 3 zaken, nrs. 13/229, 13/230 en 13/232)

Navordering inkomstenbelasting 2009 met boete. Belanghebbende heeft verklaard dat hij in 2009 een hennepkwekerij exploiteerde en dat hij één keer heeft geoogst. Gelet daarop en op de in het proces verbaal berekende netto-opbrengst per oogst van € 48.130, heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende inkomsten heeft genoten, die hij niet in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen heeft vermeld. Belanghebbende heeft een onjuiste aangifte gedaan wat leidt tot omkering van de bewijslast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aangetoond dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Wel acht de rechtbank de schatting van de inspecteur met betrekking tot de opbrengsten uit hennepkwekerij niet redelijk. De navorderingsaanslag moet worden verminderd. De boete wordt, gelet op de omstandigheid dat deze is vastgesteld door toepassing van de omkering van de bewijslast en wegens “undue delay”, gematigd. Het beroep is gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/174
V-N 2014/9.19.30
FutD 2014-0200
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Procedurenummer AWB 13/232

uitspraak van 28 november 2013

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 4 december 2012 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem over het jaar 2009 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 129.199 en de daarbij bij beschikkingen vastgestelde vergrijpboete en in rekening gebrachte heffingsrente (aanslagnummer [aanslagnummer].H.97).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2013. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te Roermond, en namens de inspecteur, [verweerder].

1 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.391;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    vermindert de boete tot € 6.141;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 471.

2 Gronden

2.1.

Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar aangifte IB/PV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.077. In deze aangifte is geen resultaat uit hennepteelt opgenomen. De primitieve aanslag IB/PV over dit jaar is opgelegd conform de door belanghebbende ingediende aangifte. Deze aanslag heeft geresulteerd in een verschuldigd bedrag aan IB/PV van nihil.

2.2.

Volgens de Gemeentelijke basisadministratie stond belanghebbende van 22 oktober 2003 tot 8 juli 2009 ingeschreven op het adres [adres] te [plaats Y] (hierna: de woning). Op [datum] 2009 ontstond brand in de woning. De woning is eigendom van [Stichting], gevestigd te [plaats Z] en werd vanaf 1 oktober 2003 gehuurd door belanghebbende. Na de brand werd geconstateerd dat er in de woning een hennepkwekerij werd geëxploiteerd.

2.3.

Met dagtekening 12 november 2009 is door de Politie Limburg‑Noord een proces‑verbaal inzake berekening wederrechtelijk verkregen voordeel opgemaakt (hierna: het proces-verbaal). In het proces-verbaal wordt geconcludeerd dat belanghebbende een netto wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten van minimaal € 48.130 (bij één eerdere oogst in 2009, optie 1) en maximaal € 576.060 (bij 12 eerdere oogsten vanaf 2007, optie 2). Beide opties zijn in het proces-verbaal cijfermatig uitgewerkt. Bij optie 2 is de in aanmerking genomen periode gebaseerd op de verklaring van belanghebbende dat hij 2,5 jaar voor de brand is begonnen met de inrichting van de hennepkwekerij. Uit het proces-verbaal volgt voorts dat belanghebbende heeft verklaard dat er 575 planten in de woning stonden en dat hij één eerdere oogst heeft gehad, waarvan hij 90% had weggegooid omdat de kwaliteit niet goed was. Tevens wordt in het proces-verbaal melding gemaakt van twee (anonieme) meldingen die in 2005 bij de politie zijn binnengekomen met betrekking tot de aanwezigheid van een hennepkwekerij in de woning. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van de gegevens uit de rapportage van het “Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht”, van april 2005 en van een overzicht verkoopprijzen van hennep volgens informatie van het Nationaal Netwerk Drugsexpertise.

2.4.

In het proces-verbaal zijn twee opties uitgewerkt. Bij optie 1 is uitgegaan van één eerdere oogst in 2009. Bij optie 2 is ervan uitgegaan dat er in het jaar 2009 twee oogsten hebben plaatsgevonden, welke voordeel hebben opgeleverd. Voor het aantal planten per oogst is aangesloten bij de verklaring van belanghebbende dat er vóór de brand 575 planten op zolder hebben gestaan. De opbrengsten per oogst in 2009 zijn gesteld op afgerond € 52.800 (uitgaande van 575 planten, een opbrengst van 27,2 gram per plant bij 17 planten per m2 en een verkoopprijs van € 3,385 per gram). Daarnaast is per oogst rekening gehouden met afschrijvingskosten van € 350, met variabele kosten van € 2.530 en met elektriciteitskosten van € 1.790. Het wederrechtelijk verkregen voordeel (wvv) werd op basis daarvan geschat op € 48.130 per oogst (€ 52.800 minus (€ 350 plus € 2.530 plus € 1.790)). Tot op de dag van de zitting is belanghebbende strafrechtelijk niet vervolgd.

2.5.

De inspecteur is voor het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag uitgegaan van 2 oogsten in 2009. Op grond van het proces-verbaal heeft de inspecteur de opbrengsten uit hennepkwekerij over het jaar 2009 gesteld op € 105.882 (uitgaande van 575 planten, 2 oogsten, een opbrengst van 27,2 gram per plant en een verkoopprijs van € 3,385 per gram). Het wvv werd geschat op € 100.122 (€ 105.882 minus 2 maal (€ 350 plus € 2.530). De navorderingsaanslag over dit jaar is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 129.199 (€ 29.077 plus € 100.122) en heeft geresulteerd in een verschuldigd bedrag aan IB/PV van € 49.528. Daarbij is bij gelijktijdige beschikkingen een boete opgelegd van € 23.002 en is heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 3.576. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. In de uitspraken op bezwaar zijn de navorderingsaanslag, de boete en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

2.6.

Tot de stukken van het geding behoort een brief met dagtekening 19 november 2009 van Europay B.V. inzake een betalingsregeling ter aflossing van een vordering van Enexis van afgerond € 3.706, die is ontstaan door het illegaal aftappen van energie door belanghebbende. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij het genoemde bedrag inmiddels volledig aan Enexis heeft voldaan.

2.7.

In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

  1. Is de navorderingsaanslag terecht met omkering van bewijslast opgelegd?

  2. Zo ja, heeft belanghebbende aangetoond dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn?

  3. Heeft de inspecteur de navorderingsaanslag gebaseerd op een redelijke schatting?

  4. Is de beschikking heffingsrente juist vastgesteld?

  5. Is de boete terecht en tot een juist bedrag opgelegd?

1. Is de navorderingsaanslag terecht met omkering van bewijslast opgelegd?

2.8.1.

Artikel 27e van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien niet de vereiste aangifte is gedaan de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (“omkering van de bewijslast”). De inspecteur heeft gesteld dat in het onderhavige geval de vereiste aangifte niet is gedaan en dat daarom de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

2.8.2.

Voor de inkomstenbelasting geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting (vergelijk Hoge Raad 23 april 1986, nr. 23374, BNB 1986/276). Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (vergelijk Hoge Raad 20 mei 1987, nr. 23840, BNB 1987/208). Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (vergelijk Hoge Raad 11 april 2003, nr. 36822, LJN AE3220, BNB 2003/264).

2.8.3.

Gelet op de verklaring van belanghebbende dat hij in 2009 voorafgaand aan de brand één keer eerder heeft geoogst, gaat de rechtbank er van uit dat in 2009 sprake is geweest van (tenminste) één oogst. De inspecteur heeft zich, voor wat betreft de netto-opbrengst per oogst – gebaseerd op het proces-verbaal. Belanghebbende heeft hiertegenover gesteld dat van de oogst 90% moest worden weggegooid omdat de kwaliteit niet goed was. Gelet op de bevindingen in het proces-verbaal dat sprake was van een professionele kwekerij met 575 planten, acht de rechtbank de verklaring van belanghebbende op dit punt niet geloofwaardig. Nu belanghebbende de bedragen in het proces-verbaal op zichzelf niet betwist, gaat de rechtbank uit van een netto‑opbrengst per oogst van € 48.130. Vaststaat dat belanghebbende dit bedrag noch enig ander bedrag aangaande de hennepteelt in zijn aangifte heeft opgenomen. Dit bedrag is zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk, zodat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende over het onderhavige jaar niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Omkering en verzwaring van de bewijslast is derhalve gerechtvaardigd.

2. Heeft belanghebbende aangetoond dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn?

2.9.

Gelet op het vorenstaande moet belanghebbende doen blijken - in de zin van overtuigend aantonen - dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Daar acht de rechtbank belanghebbende niet in geslaagd. Belanghebbende heeft gesteld dat er in het jaar 2009, voorafgaand aan de brand, één eerdere oogst is geweest. Die oogst zou slechts € 1.500 hebben opgebracht. Dat de eerste oogst in 2009 slechts € 1.500 zou hebben opgebracht doordat 90% van die oogst onverkoopbaar was door de nog niet afgestelde installatie, wordt niet door enig objectief bewijsmateriaal ondersteund en acht de rechtbank niet geloofwaardig. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele verklaring van belanghebbende, gelet op de mate van professionaliteit van de hennepkwekerij die in het proces‑verbaal aan de hand van een aantal criteria als hoog is bestempeld, onvoldoende om

te doen blijken dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

3. Heeft de inspecteur de navorderingsaanslag gebaseerd op een redelijke schatting?

2.10.

De navorderingsaanslag, zoals die met de omkering van de bewijslast tot stand komt, moet niettemin gebaseerd zijn op een redelijke schatting. De navorderingsaanslag mag immers niet naar willekeur zijn vastgesteld. In het proces-verbaal wordt een berekening gegeven van het wvv uitgaande van één eerdere oogst in het jaar 2009 (optie 1) dan wel van twee oogsten in 2009 (optie 2). De inspecteur heeft gekozen voor optie 2 en is uitgegaan van twee oogsten in het jaar 2009. Belanghebbende heeft gesteld dat sprake is geweest van één oogst. De rechtbank acht het redelijk om daarvan uit te gaan, nu de gedingstukken en de verklaringen ter zitting onvoldoende aanknopingspunten bieden om uit te gaan van meer dan één eerdere oogst. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de planten die ten tijde van de brand in de woning aanwezig waren, alle verloren zijn gegaan, zodat in zoverre geen sprake kan zijn geweest van een oogst. Voorts leidt de rechtbank uit de hoogte van de onder 2.6 genoemde vordering door Enexis af dat het moeilijk voorstelbaar is dat er meer dan twee kweekcycli (waarvan er één door de brand verloren is gegaan) hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht het dan ook redelijk om uit te gaan van één oogst in 2009 en daarmee van de bedragen zoals opgenomen in het proces‑verbaal onder optie 1, met dien verstande dat naar het oordeel van de rechtbank rekening moet worden gehouden met het door belanghebbende aan Enexis terugbetaalde bedrag van € 3.706.

2.11.

Gelet op het voorgaande dienen de opbrengsten uit hennepkwekerij over dit jaar te worden gesteld op afgerond € 52.900 (uitgaande van 575 planten, 1 oogst, een opbrengst van 27,2 gram per plant bij 17 planten per m2 en een verkoopprijs van € 3.385 per gram).

2.12.

Nu vaststaat dat belanghebbende tot op de dag van de zitting niet strafrechtelijk is vervolgd en de rechtbank de kosten, zoals de afschrijvingskosten van € 350 en de variabele kosten van € 2.530, zoals vermeld in het proces-verbaal redelijk acht, kunnen deze kosten in aftrek worden gebracht. Voorts is het, zoals gezegd, naar het oordeel van de rechtbank redelijk om de in 2.6 genoemde elektriciteitskosten van € 3.706 in aftrek te brengen. Immers, niet in geschil is dat die kosten in directe relatie staan tot het telen van en handelen in hennep en dat dit bedrag aan het energiebedrijf is terugbetaald. De totale kosten komen dan uit op een bedrag van € 6.586 (€ 350 plus € 2.530 plus € 3.706).

Resumerend met betrekking tot de navorderingsaanslag

2.13.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het belastbare inkomen uit werk en woning dient te worden verminderd tot € 75.391 (€ 29.077 plus € 52.900 minus € 6.586). Het voormelde leidt tot het oordeel dat het beroep betreffende de navorderingsaanslag gegrond is.

4. Is de beschikking heffingsrente juist vastgesteld?

2.14.

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (artikel 24a, derde lid, van de AWR). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep met betrekking tot de beschikking heffingsrente slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de navorderingsaanslag betreft.

5. Is de boete terecht en tot een juist bedrag opgelegd?

2.15.1.

De inspecteur heeft met toepassing van artikel 67e van de AWR een vergrijpboete opgelegd van € 23.002.

2.15.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende door de inkomsten uit de hennepkwekerij niet in zijn aangifte te vermelden de reële kans aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven. De rechtbank acht, nu vaststaat dat sprake is van verzwegen inkomsten uit de hennepkwekerij, aannemelijk dat belanghebbende de inkomsten bewust niet heeft aangegeven om daarover geen belasting te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van opzet.

2.15.3.

De rechtbank acht de door de inspecteur opgelegde boete van € 23.002 gezien de omstandigheden van het geval en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, echter niet passend en geboden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de Hoge Raad in zijn arrest van 18 januari 2008, nr. 41.832, LJN: BC1962, heeft overwogen dat bij de beoordeling of een boete passend en geboden is, rekening gehouden dient te worden met de omstandigheid dat de verschuldigde boete is vastgesteld met omkering van de bewijslast. Naar het oordeel van de rechtbank is door de toepassing van de omkering van de bewijslast, niet uit te sluiten dat belanghebbende voor een te hoog bedrag in de heffing wordt betrokken. De kans dat daarmee ook de boete tot een te hoog bedrag wordt vastgesteld, vormt voor de rechtbank reden om de boete te verlagen. Naar het oordeel van de rechtbank is, gezien de ernst van het gepleegde feit en in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende een boete van 30% van de nagevorderde belasting in dit geval passend en geboden.

2.15.4.

Tussen de aankondiging van de boete op 13 september 2011 en de uitspraak van de rechtbank is een periode van ongeveer twee jaar en tweeëneenhalve maand verstreken. De rechtbank is van oordeel dat daarmee de redelijke termijn is overschreden (undue delay), hetgeen aanleiding geeft tot verdere matiging van de boete met 5%.

2.15.5.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de boete dient te worden gematigd. De vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning van € 129.199 tot € 75.391 leidt tot een bedrag aan nagevorderde belasting van € 21.548 (€ 49.528 minus 52% van € 53.808 (€ 129.199 minus € 75.391). De boete wordt dan 30% daarvan of € 6.464 en wordt gematigd met 5% daarvan of € 323 tot € 6.141 (€ 6.464 minus € 323).

2.17.

Uit het voorgaande volgt dat de navorderingsaanslag moet worden verminderd, evenals de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking. Gelet hierop is het beroep gegrond verklaard.

3 Proceskostenvergoeding

3.1.

Nu het beroep gegrond is verklaard, vindt de rechtbank aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3.2.

De zaken met procedurenummers 13/229, 13/230 en 13/232 beschouwt de rechtbank als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). De vergoeding is op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.414 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 235, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472 en een wegingsfactor 1). Nu het beroep in alle samenhangende zaken gegrond is, wordt aan de onderhavige zaak een vergoeding toegekend van 1/3 maal € 1.414 ofwel € 471. In de zaken met procedurenummers 13/230 en 13/232 zal de rechtbank een vergoeding toekennen van € 471 en in de zaak met procedurenummer 13/229 een vergoeding van € 472. Overige kosten die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen, zijn gesteld noch gebleken.

Deze uitspraak is gedaan op 28 november 2013 door mr. J.W.M. Tijnagel, voorzitter, mr.drs. M.M. de Werd en mr.drs. M.H. van Schaik, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.D.E. Copra‑Carolie, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.