Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BZ2245

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
25-02-2013
Zaaknummer
104920 - HA ZA 09-970
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis in zaak tussen Carwash Doetinchem en gemeente Doetinchem. Zie ook eerdere tussenvonnissen LJN BX4477 en BV3633.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 104920 / HA ZA 09-970

Vonnis van 19 december 2012

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CARWASH DE ACHTERHOEK B.V.,

gevestigd te Doetinchem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTOSCHADE DE ACHTERHOEK B.V.,

gevestigd te Doetinchem,

eiseressen,

advocaat mr. H.J. Breeman te Rotterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DOETINCHEM,

zetelend te Doetinchem,

gedaagde,

advocaat mr. K.A.M. van Os- ten Have te Zutphen.

Partijen zullen hierna Carwash en Autoschade en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 1 augustus 2012 (hierna: het tussenvonnis)

- de akte van Carwash en Autoschade van 29 augustus 2012

- de akte na derde tussenvonnis van de Gemeente van 26 september 2012

- de antwoordakte na derde tussenvonnis van Carwash en Autoschade van 24 oktober 2012

- de antwoordakte na derde tussenvonnis van de Gemeente van 24 oktober 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat er aanleiding is om een deskundigenonderzoek te gelasten. Met het oog daarop zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, het aantal en de persoon of personen van de te benoemen deskundige(n) en over de aan deze(n) te stellen vragen. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

2.2. Carwash en Autoschade hebben allereerst aangevoerd dat het feit dat het definitieve advies van de commissie waarnaar de Gemeente heeft verwezen ter onderbouwing van haar betwisting van het rapport Verhagen, geen reactie vormt op dit rapport, terwijl Verhagen op zijn beurt wel heeft gereageerd op het definitieve advies van de commissie, de conclusie rechtvaardigt dat het definitieve advies van de commissie niet kan dienen als weerlegging van het rapport van Verhagen en daarom geoordeeld moet worden dat de Gemeente haar betwisting onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank kan Carwash en Autoschade hierin niet volgen. Waar het in dit verband om gaat is niet wie als laatste zijn standpunt naar voren heeft gebracht, maar om de onderbouwing van de wederzijdse standpunten. Die onderbouwing is niet zodanig gebrekkig dat op voorhand aan een daarvan voorbij moet worden gegaan.

2.3.Carwash en Autoschade hebben vervolgens benadrukt dat het van belang is dat een uit te brengen deskundigenbericht op korte termijn verschijnt. In de eerste plaats vanwege de tijd die al is verstreken na het schadeveroorzakende handelen. Ten tweede opdat het uit te brengen bericht nog een rol kan spelen in de ondertussen aanhangig gemaakte procedure bij de bestuursrechter, waarin het op het definitieve advies van de commissie stoelende besluit van de Gemeente van 10 mei 2012 over de te vergoeden schade veroorzaakt door Onttrekkingsbesluit II ter toetsing voorligt. Vanwege dit belang geven Carwash en Autoschade de voorkeur aan benoeming van één deskundige en wel aan mr. H.J.A. van Hoogmoed RT, beëdigd rentmeester RT te Nijverdal (hierna: mr. Van Hoogmoed). Aan deze deskundige moet naar de mening van Carwash en Autoschade de vraag worden voorgelegd of de berekening van Verhagen van de schade veroorzaakt door Onttrekkingsbesluit I houdbaar is en zo neen, of hij zelf een berekening daarvan wil vervaardigen.

2.4. Van de kant van de Gemeente is (alsnog) voorgesteld om de opdracht aan de commissie uit te breiden en haar te verzoeken ook die laatste schade vast te stellen. Vooral om die reden geeft de Gemeente de voorkeur aan de benoeming van mr. B.S. ten Kate (hierna: mr. Ten Kate), verbonden aan Nysingh Advocaten te Arnhem, die eerder in zijn hoedanigheid van enig lid van de commissie heeft geadviseerd over de omvang van de schade als gevolg van Onttrekkingsbesluit II. Vanwege het vermoeden dat Carwash en Autoschade niet met deze benoeming zullen instemmen heeft de Gemeente haar voorkeur uitgesproken voor de benoeming van drs. E. Horlings, registeraccountant te Amsterdam (hierna: drs. Horlings). Ook de Gemeente is van mening dat volstaan kan worden met de benoeming van één deskundige. Aan hem of haar dient volgens de Gemeente in ieder geval te worden gevraagd of Carwash schade heeft geleden als gevolg van Onttrekkingsbesluit I, en zo ja, wat de omvang van deze schade is en voorts of de kosten die Carwash heeft gemaakt voor vergoeding in aanmerking komen, gelet op het feit dat zij grotendeels door een andere vennootschap zijn gemaakt.

2.5.Carwash en Autoschade hebben zich in hun antwoordakte van 24 oktober 2012 gekeerd tegen benoeming van mr. Ten Kate voornoemd. In de eerste plaats vanwege het feit dat een deel van de gronden van het beroep tegen het besluit van de Gemeente van 10 mei 2012 is gericht tegen het aan dit besluit ten grondslag liggende advies van mr. Ten Kate. Ten tweede omdat hij niet over de vereiste expertise beschikt, getuige (aldus Carwash en Autoschade) dit advies waarin mr. Ten Kate geen eigen integrale schadeberekening heeft gemaakt maar op basis van ondeskundige aannamen gedeeltelijk is afgeweken van de berekeningen van MKB Adviseurs die Carwash en Autoschade hadden ingebracht ter onderbouwing van hun standpunt over de schade geleden ten gevolge van Ontrekkingsbesluit II. Ook de expertise van drs. Horlings is naar de mening van Carwash en Autoschade te beperkt. Om deze redenen handhaven zij hun voorkeur voor de benoeming van een rentmeester en houden zij vast aan haar voorstel om mr. Van Hoogmoed te benoemen. Carwash en Autoschade kunnen zich verenigen met de eerste twee vragen die de Gemeente aan de te benoemen deskundige wil voorleggen. De derde vraag is van louter juridische aard en kan door de rechtbank zelfstandig worden beantwoord. Zij blijft erbij dat het de voorkeur verdient dat de deskundige het rapport Verhagen bij zijn advisering betrekt.

Van de kant van de Gemeente is erop gewezen dat zij niet bekend is met de deskundigheid van mr. Van Hoogmoed. Wel heeft zij geconstateerd dat op de website van mr. Van Hoogmoed geen melding wordt gemaakt van ervaring in het bepalen van de omvang van schade veroorzaakt door een onrechtmatige daad. De door de Gemeente voorgedragen deskundigen beschikken wel over deze deskundigheid. De Gemeente verzet zich tegen een vraag aan de te benoemen deskundige over de houdbaarheid van de berekening van Verhagen. De deskundige dient in alle vrijheid te kunnen oordelen over alle aspecten die voor het bepalen van de omvang van de schade relevant zijn.

2.6.De rechtbank overweegt allereerst dat zij zich niet vrij acht om in overleg met de behandelend rechter(s) van de sector bestuursrecht af te spreken dat aan de te benoemen deskundige zal worden gevraagd om ook een oordeel te geven over de schade als gevolg van Onttrekkingsbesluit II, nu de Gemeente zich tegen deze suggestie van Carwash en Autoschade heeft verzet.

2.7. Wat de persoon van de te benoemen deskundige betreft stelt de Gemeente voorop dat benoeming van mr. Ten Kate als deskundige bepaald niet in de rede ligt, alleen al omdat de Gemeente haar betwisting van het standpunt van Carwash en Autoschade over de omvang van de geleden schade hoofdzakelijk doet steunen op het advies van mr. Ten Kate. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om drs. Horlings als deskundige te benoemen aangezien diens primaire deskundigheid kennelijk op een ander vlak is gelegen. Anders dan de Gemeente suggereert is er geen grond om aan te nemen dat mr. Van Hoogmoed de in deze zaak vereiste deskundigheid ontbeert. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het haar ambtshalve bekend is dat mr. Van Hoogmoed regelmatig wordt benoemd als deskundige in onteigeningszaken, waarin eveneens aanspraak bestaat op volledige schadevergoeding (en niet, zoals bij een rechtmatige overheidsdaad op compensatie van ondervonden nadeel).

2.8. De rechtbank acht het met partijen aangewezen de deskundige te vragen of Carwash schade heeft geleden tengevolge van Onttrekkingsbesluit I en zo ja, wat de omvang is van deze schade. Anders dan de Gemeente meent, ligt het voor de hand dat de deskundige bij de beantwoording van deze vragen ook acht slaat op het rapport Verhagen aangezien naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand kan worden gezegd dat de prognoses waarop Verhagen zich baseert in het geheel niet van belang zijn bij de vaststelling van de schade die een gevolg is van Onttrekkingsbesluit I. Daar staat tegenover dat de deskundige in het geval de Gemeente verwijst naar de benadering die de commissie heeft gekozen ook daaraan aandacht moet schenken. Het spreekt voor zich dat de deskundige zijn visie (ongeacht of die overeenkomt met de benadering van Verhagen of die van de commissie) dient te motiveren.

2.9. In het tussenvonnis is al aangekondigd door welke partij het voorschot op de kosten van de deskundige moet worden gedeponeerd.

2.10. De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

2.11. Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

2.12. De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van deze tussenbeslissing toe te staan. Zij wijst partijen op het arrest van 22 januari 2010 (LJN BK1639), waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de beslissing over de partij die het voorschot moet betalen, moet worden aangemerkt als een beslissing in het kader van de voortgang en de instructie van de zaak waartegen geen appel mogelijk is.

2.13. Iedere verdere beslissing, ook die over de aanspraak op vergoeding van de bijkomende die Carwash en Autoschade vorderen, zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Heeft Carwash schade geleden tengevolge van Onttrekkingsbesluit I?

2. Zo ja, wat is de omvang van deze schade?

3. Wat is uw oordeel over de berekening in het rapport Verhagen van 29 maart 2012?

4. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

3.2. benoemt tot deskundige:

Mr. J. W. van Hoogmoed,

correspondentieadres: [adres]

telefoon: [nummer],

emailadres: [e-mailadres] ,

het voorschot

3.3. stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van € 5.293,75,

3.4. bepaalt dat de Gemeente het voorschot dient over te maken op rekeningnummer 56.99.90.726 ten name van arrondissement Zutphen onder vermelding van "voorschot deskundigenrapport" en het zaak- en rolnummer, en wel binnen twee weken na deze beslissing,

3.5. draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het onderzoek

3.6. bepaalt dat de Gemeente haar procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,

3.7. bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

3.8. wijst de deskundige er op dat:

- de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),

- de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,

- de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,

- indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,

3.9. bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

het schriftelijk rapport

3.10. draagt de deskundige op om uiterlijk vier maanden na deze beslissing een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

3.11. wijst de deskundige er op dat:

- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,

- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,

- 3.12. bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

overige bepalingen

3.13. bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 3 april 2013,

3.14. draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:

- indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of

- na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van de Gemeente op een termijn van vier weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.