Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BY7868

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
08-02-2013
Zaaknummer
06/950812-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Harddrugsdealer veroordeeld tot een gevangenisstraf van 360 (driehonderdzestig) dagen waarvan 197 (honderdzevenennegentig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 100 uur. De man handelde in 2011 cocaïne in de regio Epe, Apeldoorn en Rhede.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/950812-11

Uitspraak d.d. 21 december 2012

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1989],

wonende te [plaats, adres 1].

Raadsman: mr. M.U. Özsüren, advocaat te Harderwijk.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 december 2012.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2011

tot en met 16 december 2011, in elk geval in of omstreeks het jaar 2011 in de

gemeente(n) Apeldoorn en/of Epe en/of Rheden, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt

aan [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5]

en/of [naam 6] en/of [naam 7], een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 16 december 2011 te Dieren in de gemeente Rheden en/of te

Apeldoorn, in elke geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 61 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 10 lid 3 Opiumwet.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Aanleiding voor het onderzoek was onder meer diverse bij de CIE ingekomen informatie dat verdachte betrokken zou zijn bij het dealen van cocaïne, waarbij onder meer gebruik werd gemaakt van een zwarte Fiat Punto met het kenteken [kenteken]. Op 30 november 2011 is een onderzoek gestart onder de naam Dopper met als doel door middel van tappen en observeren een beeld te krijgen van het handelen door verdachten en vervolgens een actiedag te plannen waarbij afnemers zouden worden afgevangen om vervolgens tot aanhouding van verdachten over te gaan. Op 16 december 2011 werd verdachte in het kader van dit onderzoek als zodanig aangehouden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, feit 1 in de zin van medeplegen. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, aangezien een wettelijke basis voor de stelselmatige observatie ontbreekt en derhalve alle daarna verkregen resultaten (als verboden vruchten) dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Ter zitting heeft de raadsman het standpunt van de verdediging toegelicht, overeenkomstig de overgelegde pleitaantekeningen.

Beoordeling door de rechtbank

onrechtmatig verkregen bewijs

Door de raadsman is aangevoerd dat de bewijsvergaring op en na 16 december 2011 onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Het in deze zaak gegeven bevel observatie kan geen grondslag bieden voor de stelselmatige observatie van verdachte in de periode van 8 december 2011 t/m 16 december 2011, aangezien het litigieuze bevel niet ziet op de persoon van verdachte. Het bevel is namelijk gesteld ten name van [verdachte], geboren te [plaats op 1981] en wonende te [plaats aan de adres 2], terwijl verdachte is geboren te [plaats op 1989] en aldaar woonachtig is op het [adres 1].

De rechtbank stelt vast dat er op het betreffende bevel observatie een geboortedatum, plaats en adres staan vermeld, die niet aan verdachte toebehoren. Uit de stukken blijkt dat deze gegevens kunnen worden gerelateerd aan de broer van verdachte. Uit de aan dit bevel ten grondslag liggende aanvraag stelselmatige observatie blijkt dat de aanvraag duidelijk is gericht op [verdachte] en niet op zijn broer [broer verdachte]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hier sprake is geweest van een kennelijke verschrijving. Het verweer terzake onrechtmatig verkregen bewijs en dientengevolge uitsluiting van al het na de stelselmatige observatie verkregen bewijs treft dan ook geen doel en wordt door de rechtbank verworpen.

beoordeling ten laste gelegde feiten

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte heeft als zodanig een bekennende verklaring afgelegd2 over de handel in harddrugs, met dien verstande dat dit op een korte periode zou zien, namelijk vanaf de zomervakantie (2011) tot zijn aanhouding (op 16 december 2011).

Verdachte heeft op 17 december 2011 verklaard, zakelijk weergegeven:

Hij maakte gebruik van een Fiat Punto. Hij bekende de handel in harddrugs. Vanaf de zomervakantie is hij het slechte pad op gegaan. Hij heeft gehandeld in harddrugs, in cocaïne. Het zat in een wikkel en die heeft hij meegekregen. Die wikkels heeft hij de dag ervoor gekregen. Hij had er nu nog 19 bij zich. Hij had er de dag ervoor 21 gekregen.

Ze zijn naar de [supermarkt] gereden en hij heeft de wikkeltjes opgehaald. Er is toen iemand bij hen ingestapt. Hij was de bestuurder. Deze jongen had hem een sms gestuurd op het telefoonnummer [06-nummer 1]. Dat was een mobiele telefoon waarmee werd gewerkt. Daarmee werden wikkeltjes verkocht.

Bij de aanhouding van verdachte3 werd een zakje met daarin 18 wikkels voorzien van de tekst "columbian connection"en de afbeelding van Che Chevarra. Verbalisanten zagen dat verdachte iets achter de gesp van zijn riem had/wegstopte. Desgevraagd verklaarde verdachte dat hij daar "het spul" had zitten.

Bij een doorzoeking4 van de woning van verdachte aan het [adres 1 te plaats] op 16 december 2011 werd onder meer aangetroffen en inbeslaggenomen: op de slaapkamer van verdachte een geldbedrag van € 2.470,00. Verder zijn aangetroffen: lijst met telefoonnummers, 9 telefoons, doosje met 20 wikkels en 6 zakjes met een witte stof. De wikkels waren voorzien van de tekst "colombian connection" en de afbeelding van Che Guevarra. Op de zolderslaapkamer van de zuster van verdachte - [zus verdachte] - werd achter panelen van het dakbeschot onder meer aangetroffen een elektrische koffiemolen met daarin wit poeder en een sealbag met diverse oudere wikkels.

Op 16 december 2011 is tevens onder verdachte inbeslaggenomen5 de personenauto Fiat Punto 2 D, kleur zwart, kenteken [kenteken].

Ten behoeve van het onderzoek verdovende middelen heeft een indicatieve test plaatsgevonden6 en zijn vervolgens monsters verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). |Dat onderzoek heeft uitgewezen dat de monsters AAEC6802NL en AAEC6799NL cocaïne bevatten.7

Door het NFI werden de aangetroffen witte stoffen getest. De stoffen uit het doosje waren zowel cocaïne als versnijdingsmiddel. De stof in de wikkels betrof cocaïne. De inhoud van de wikkels varieerde tussen de 0,25 gram en 0,28 gram per wikkel.

Er zijn verschillende personen (afnemers) gehoord.

[naam 2] heeft verklaard8, zakelijk weergegeven: hij had aan [verdachte] een sms gestuurd en gevraagd of hij over 10 minuten wilde komen naar de [supermarkt] in Apeldoorn-Zuid. [verdachte] staat in zijn mobiele telefoon vermeld als ['letter']. Hij noemt [verdachte] ook wel [bijnaam verdachte]. Hij heeft 30 euro aan zijn ([naam 2's]) broertje gegeven. Zijn broertje stapte in een grijze Fiat en is ongeveer 2 minuten weg geweest. Zijn broertje zei toen hij terug kwam: ik heb het. Hij ([naam 2]) wist dat dit snuif was. Dit was de tweede keer dat hij iets kocht. Een maand geleden heeft hij voor het eerst iets van hem gekocht, via een vriend.

Door de politie9 is samen met [naam 2] zijn telefoon bekeken. In zijn telefoon stond het telefoonnummer [06-nummer 1] onder de vermelding '[letter]'.

[naam 1] heeft verklaard10, zakelijk weergegeven: hij is samen met zijn broer naar de [supermarkt] supermarkt in Apeldoorn gelopen. Hij heeft cocaïne gekocht van een gozer in een zwarte auto. Er zaten twee personen in de auto. Zijn broer had telefonisch een afspraak gemaakt. Hij is in de auto gestapt. De bestuurder had al twee packs met drugs klaar in zijn hand. Binnen twee minuten was het geregeld.

Bij de aanhouding van [naam 1]11 werd door de politie in zijn fouillering een witte stof vermoedelijk cocaine aangetroffen, welke in een twee wikkels zat verpakt. [naam 1] verklaarde daarover dat het cocaïne was. De wikkels zijn voorzien van de tekst "columbian connection" en de afbeelding van Che Chevarra.

Een indicatieve test wees uit dat de stof cocaïne betrof.

[naam 4] heeft verklaard12, zakelijk weergegeven: hij had (op de datum dat hij is aangehouden 16 december 201113) cocaïne gekocht bij een jongen die zich [bijnaam] noemt. [naam 4] reed in zijn BMW. Hij en [naam 3] hadden allebei een pakketje gekocht met 8 strepen, genoeg voor 8 lijntjes. Dus 2 pakketjes en 80 à 90 euro betaald. Hij koopt zeker 1 keer per maand. Hij moest toen ook 40 à 45 euro betalen per pakketje. Hij haalt nu een half jaar tot een jaar bij de jongen die zich [bijnaam] noemt. Die rijdt in een Seat of een Fiat, kleur zwart. Als hij zaken doet met de jongen die zich de [bijnaam] noemt komt altijd dezelfde jongen. Hij doet altijd met dezelfde jongen zaken.

[naam 3] heeft verklaard14, zakelijk weergegeven: hij had harddrugs gekocht en in de auto van zijn vriend [naam 4] drugs heeft genomen. Het moest cocaïne zijn. Hij had een pakketje gekocht voor [naam 4] en een voor zichzelf. Had 80 euro betaald. Hij had het geld aan [naam 4] betaald en die heeft drugs gekocht bij de dealer. Hij haalt hooguit één keer per maand cocaïne bij dezelfde dealer waarvan hij de naam niet weet. Hij belt hem op als hij cocaïne nodig heeft. De dealer staat in zijn telefoon onder de naam [naam]. Hij heeft dit telefoonnummer al een half jaar. Hij belt hem op vrijdag of zaterdag en meestal wordt er dan afgesproken in Vaassen, ook wel eens in Eerbeek. De dealer komt altijd alleen maar wel met wisselende auto's. Hij koopt al anderhalf jaar drugs bij de dealer.

Door de politie15 is samen met [naam 3] zijn telefoon bekeken. In zijn telefoon stond het telefoonnummer [06-nummer 1] onder de vermelding van [naam]3. [naam 3] verklaarde dat hij nog een ouder nummer had onder de naam [naam], telefoonnummer [06-nummer 2]

[naam 5] heeft verklaard16, zakelijk weergegeven: Hij kocht drugs bij een man die hij kent als [verdachte]. Hij kocht sinds begin 2011 cocaïne bij hem. Hij maakte de afspraken via sms. Het telefoonnummer [06-nummer 3] is van [verdachte], evenals het nummer [06-nummer 1]. Hij had steeds contact met dezelfde persoon. [verdachte] is de enige met wie hij contact heeft gehad. Hij reed in een zwarte of een donkerblauwe Fiat. Hij had met [verdachte] een afspraak bij de [supermarkt in plaats]. [verdachte] reed in een zwarte Fiat. Hij moest € 15,00 per envelopje betalen.

[naam 6] heeft verklaard17, zakelijk weergegeven: hij koopt cocaïne via het telefoonnummer [06-nummer 1] bij een Marokkaanse jongen. Hij spreekt daarmee af bij [voetbalvereniging te plaats]. Hij koopt al 6 maanden cocaïne bij hem. Hij koopt 4-5 keer per week bij hem. De dealer rijdt in een zwarte Punto.

Door de politie18 is aan [naam 6] een foto getoond van [verdachte], waarop [naam 6] heeft verklaard: "dit is de drugsdealer van wie ik u het mobiele telefoonnummer heb gegeven [06-nummer 1]. Ik herken hem voor 100%".

Uit de historische verkeergegevens19 van de telefoonnummers [06-nummer 3] en [06-nummer 1] blijkt dat ten aanzien van beide nummers minimaal 15 contacten per dag plaats hebben gevonden. Het nummer [06-nummer 3] was actief vanaf 4 januri 2011 en het nummer [06-nummer 1] vanaf 20 oktober 2011. Op beide werd gebeld door o.a. afnemers van cocaïne bij verdachte, te weten door [naam 3] in Eerbeek, [naam 6], [naam 3] in Epe en [naam 5].

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat wettig en overtuigend tot bewezenverklaring kan worden gekomen van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, in zoverre dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 16 december 2011 in de

gemeente(n) Apeldoorn en/of Epe en/of Rheden, telkens opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [naam 1] en/of [naam 2] en/of [naam 3] en/of [naam 4] en/of [naam 5] en/of [naam 6] een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I;

2.

hij op 16 december 2011 te Dieren in de gemeente Rheden en te Apeldoorn opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet

gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet

gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan een gedeelte van zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde het volgen van de aanwijzingen van de reclassering zoals omschreven in het reclasseringsadvies, inhoudende een meldplicht en deelname aan een gedragsinterventie/ambulante behandeling. Daarnaast heeft de officier een werkstraf gevorderd van 100 uur subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis. Bij de strafeis heeft de officier van justitie in het nadeel van verdachte rekening gehouden met de ernst van de feiten, de lange periode, de schade voor de volksgezondheid en het in stand houden van andere criminaliteit, de oriëntatiepunten van het LOVS, het relatief beperkte strafblad van verdachte en het advies van de reclassering.

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd. Het heeft gesteld dat verdachte sinds zijn invrijheidstelling zijn leven weer aardig op de rails heeft en dat verdachte zich na overleg met zijn studiecoach begin 2013 zal inschrijven voor een opleiding.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel in ogenschouw genomen de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - handel in en het bezit van harddrugs. Verdachte handelde in cocaïne. De handel in harddrugs vormt een bedreiging van de volksgezondheid, maar heeft daarnaast ook in maatschappelijk opzicht tal van negatieve gevolgen. Het is een feit van algemene bekendheid dat gebruikers van harddrugs hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de maatschappij ernstige schade en overlast wordt berokkend.

Verdachtes handelen heeft het mogelijk gemaakt dat een groep gebruikers werd voorzien van drugs. Verdachte heeft daardoor de gezondheid van die gebruikers in gevaar gebracht. Blijkbaar heeft de verdachte zich louter laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen, nu verdachte zelf niet verslaafd is aan harddrugs.

De rechtbank acht daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting in Opiumwet zaken van het Landelijk overleg van voorzitters van strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS). De rechtbank gaat in onderhavige zaak uit van het dealen van gebruikershoeveelheden harddrugs op straat gedurende een periode van zes tot twaalf maanden met enige regelmaat.

De rechtbank heeft verder bij de strafoplegging rekening gehouden dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een Opiumwet-delict. Alles afwegende acht de rechtbank een enigszins zwaardere straf dan door de officier van justitie geëist op zijn plaats door het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf gelijk te stellen aan de tijd die door verdachte in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Een voorwaardelijk strafdeel acht de rechtbank geïndiceerd, teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw dit soort strafbare feiten te plegen, nu verdachte uit financiële motieven tot het dealen is overgegaan en hij blijkens zijn proceshouding als een berekenende verdachte overkomt. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel geen bijzondere voorwaarden verbinden, nu er geruime tijd is verstreken sedert het door de reclassering op 17 februari 2012 uitgebrachte advies en verdachte naar eigen zeggen zijn leven weer aardig op de rails heeft. De door de officier van justitie gevorderde werkstraf acht de rechtbank eveneens op zijn plaats.

In beslag genomen voorwerpen

De rechtbank heeft te beslissen over de in beslag genomen zwarte Fiat Punto, voorzien van kenteken [kenteken], een geldbedrag van € 2.470,00, twee papieren blaadjes met daarop telefoonnummers en een zakje met wit poeder (niet zijnde drugs).

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle voorwerpen dienen te worden verbeurd verklaard.

De raadsman heeft om teruggave verzocht van de onder verdachte in beslag genomen auto en geldbedrag. Ten aanzien van de overige goederen is geen bezwaar gemaakt tegen een verbeurdverklaring daarvan.

Voormelde en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn naar het oordeel van de rechtbank vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan of voorbereid dan wel door middel van de strafbare feiten zijn verkregen. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gebaseerd op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 33, 33a, 57, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13 van de Opiumwet.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten onder 1 en 2 heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet

gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet

gegeven verbod;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 (driehonderdzestig) dagen;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 197 (honderdzevenennegentig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht - te weten 163 dagen -, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 100 (honderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

* verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een personenauto Fiat Punto, kleur zwart, kentekennummer [kenteken];

- een zakje met wit poeder;

- twee telefoonlijsten;

- een geldbedrag van € 2.470,00.

Aldus gewezen door mrs. Kropman, voorzitter, Van der Hooft en Draisma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 december 2012.

Mr. Draisma is buiten staat mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0630 2011164043-69 van de Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, District IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 30 januari 2012 door verbalisant brigadier [brigadier]

2 verklaringen verdachte d.d. 17 december 2011, doorgenummerde dossierpag. 50, 51, 52 en 249

3 stamproces-verbaal doorgenummerde dosiierpag. 13 en proces-verbaal van aanhouding, doorgenummerde dossierpag. 21

4 stamproces-verbaal doorgenummerde dossierpag. 14 en proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpag. 72 en 73

5 (afzonderlijk) proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming pv.nummer PL0630 2011164032-50 d.d. 19 december 2011

6 (afzonderlijk) proces-verbaal bevindingen d.d. 21 augustus 2012 nr. PL0660 201116032-44 en proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, doorgenummerde dossierpag. 113 en 114

7 rapport NFI, doorgenummerde dosierpag. 117 en 118

8 verklaring [naam 2], doorgenummerde dossierpag. 131

9 relaas van bevindingen, doorgenummerde dossierpag. 134

10 verklaring [naam 1], doorgenummerde dossierpag. 123

11 stamproces-verbaal, doorgenummerde dossierpag. 12, en de kennisgeving van inbeslagneming d.d. 3 februari 2012

12 verklaring [naam 4], doorgenummerde dossierpag. 143 t/m 147

13 stamproces-verbaal, doorgenummerde dossierpag. 12

14 verklaring [naam 3], doorgenummerde dossierpag. 136, 137, 138

15 relaas van bevindingen, doorgenummerde dossierpag. 140

16 verklaring [naam 5], doorgenummerde dossierpag. 150 t/m 153

17 verklaring [naam 6], doorgenummerde dossierpag. 170

18 proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpag. 181

19 stamproces-verbaal doorgenummerde dossierpag. 11