Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BY7760

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
06/922033-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt man tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk wegens faillissementsfraude. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk en het verstrekken van onjuiste inlichtingen aan de curator. Hij hield op berekende en geraffineerde wijze aanzienlijke bedragen buiten de failliete boedel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer

06/922033-08

Uitspraak d.d. 21 december 2012

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1966],

wonende te [plaats, adres].

Raadsman mr. M.K. Rack, advocaat te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 november 2009, 18 september 2012 en 11 december 2012.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

De besloten vennootschap [beheermaatschappij BV]. (verder te noemen de

vennootschap) in of omstreeks de periode 1 juli 2006 t/m 18 januari 2007 te

Zutphen en/of Winterswijk, althans in Nederland, terwijl de vennootschap bij vonnis van de

rechtbank te Zutphen van 18 januari 2007, in staat van faillissement is

verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser(s),

A. baten niet heeft verantwoord en/of enig goed aan de boedel heeft ontrokken

en/of enig goed klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd, te weten:

- 84.490 euro zijnde de opbrengst van de verkoop van de bedrijfsinventaris

van de vennootschap aan [bedrijf 1 BV];

- 105.521,22 euro betreffende afgebogen debiteurenontvangsten op ABN AMRO

rekening [rekeningnummer 1] minus gedane zakelijke betalingen van deze rekening;

- 157.750 euro betreffende terugontvangen van aan [bedrijf 2] tijdelijk in beheer

gegeven gelden op bovengenoemde ABN AMRO rekening,

immers heeft de vennootschap bedoelde bate(n) niet op de rekening van de

vennootschap gestort of doen storten, althans niet in boedel gestort, althans

verzwegen voor haar curator

B. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op haar, de vennootschap en/of

haar mededader(s), rustende verplichtingen ten opzichte

van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van

Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn

brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat

artikel bedoeld;

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte

tezamen en in vereniging met één of meer anderen althans alleen, (telkens)

opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden

gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met één of meer anderen,

althans alleen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

art 341 ahf/ond a ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

2.

de besloten vennootschap [beheermaatschappij BV]. in of omstreeks de

periode 18 januari 2007 t/m 20 januari 2009 in de gemeente Zutphen en/of

Winterswijk en/of Groenlo, althans in Nederland,

als degene die op 18 januari 2007 door de rechtbank te Zutphen in staat van

faillissement is verklaard en door de curator en/of rechter-commissaris

wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden

opzettelijk niet is verschenen en/of heeft geweigerd de vereiste inlichtingen

te geven, en/of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte

tezamen en in vereniging met één of meer anderen althans alleen, (telkens)

opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden

gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met één of meer anderen,

althans alleen, (telkens) leiding heeft gegeven;

art 194 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Aanleiding onderzoek

Aanleiding voor het onderzoek was de aangifte van de curator in het faillissement van de besloten vennootschap [beheermaatschappij BV] van bedrieglijke bankbreuk en het niet uitleveren van administratie door verdachte. Naar aanleiding van de aangifte van de curator en een aanvullende aangifte werd een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht. Uit de bewijsmiddelen komt volgens de officier van justitie naar voren dat verdachte sinds juli 2006 als feitelijk leidinggevende/opdrachtgever samen met de medeverdachte [medeverdachte] betrokken is geweest bij de voorbereiding en effectuering van de bedrijfsbeëindiging van [beheermaatschappij BV] en daarmee samenhangende uitvoeringshandelingen.

C. Standpunt van de verdachte / de verdediging

Door de raadsman is een algehele vrijspraak bepleit van de aan verdachte ten laste gelegde feiten, alleen reeds omdat uit de verklaringen van de medewerkers en uit geen enkel bewijsmiddel kan worden afgeleid dat verdachte in de ten laste gelegde periode alleen dan wel samen met de medeverdachte feitelijk leiding heeft gegeven. Verdachte was vanaf 25 september 2006 niet meer aan te merken als feitelijk bestuurder. Bovendien is niet gebleken van enige strafrechtelijke betrokkenheid van verdachte bij de verkoop van de inventaris of onttrekking aan de B.V. van debiteurenontvangsten of tijdelijk buiten [beheermaatschappij BV] geparkeerde gelden, terwijl verdachte ook niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor hetgeen er buiten zijn gezichtsveld met de boekhouding is gebeurd. Ter terechtzitting heeft de raadsman het standpunt van de verdediging ten aanzien van de feiten toegelicht.

D. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij vonnis2 van de rechtbank Zutphen van 18 januari 2007 is de besloten vennootschap [bedrijf 3 BV] (hierna: [bedrijf 3 BV]), gevestigd te [plaats], op verzoek van de Rabobank in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. R. Feunekes tot rechter-commissaris en mr. M.L.W.J.S. Knook tot curator.

Op 20 juni 2007 is door mr. Knook aangifte3 gedaan van faillissementsfraude in het faillissement van [bedrijf 3 BV] De aangifte richtte zich onder meer tegen verdachte en [medeverdachte]. De curator heeft verklaard dat er geen administratie van [bedrijf 3 BV] aan haar ter beschikking is gesteld. [verdachte] heeft niet voldaan aan de op hem rustende verplichting tot het in ongeschonden staat tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en geschriften, waardoor zij niet heeft kunnen controleren of er (meer) baten in het faillissement zijn en meer algemeen de rechten en verplichtingen van [bedrijf 3 BV] niet heeft kunnen vaststellen.

Uit een bij de aangifte gevoegd faillissementsverslag4 d.d. 20 juli 2007 komt onder meer naar voren, zakelijk weergegeven:

De curator heeft ten tijde van het faillissement en gedurende de verslagperiode geen administratie en/of boekhouding aangetroffen, noch ontvangen. Ten tijde van het faillissement heeft de curator een nagenoeg leeg bedrijfspand aangetroffen. De curator is er niet in geslaagd de eigendom van de activa aan te tonen. Gezien het ontbreken van iedere vorm van administratie, alsmede het ontbreken van een traceerbare bestuurder is het de curator niet bekend of er sprake is van debiteuren en zo ja in welke omvang.

Het faillissement van [bedrijf 3 BV], is aangevraagd door de huisbankier van de onderneming, de Rabobank. De vordering van de Rabobank (voor uitwinning) bedraagt € 320.763,23. De fiscus heeft een preferente vordering van € 188.950,00. De overige preferente vorderingen bedragen in totaal € 18.841,58. De concurrente vorderingen bedragen in totaal € 521.114,06.

De curator is niet bekend met een zakelijke bankrekening voor [bedrijf 3 BV] bij de ABN Amro.

Door verdachte is op 19 september 2006 een bankrekening geopend bij de ABN Amro5 ten name van [bedrijf 3 BV] onder rekeningnummer [rekeningnummer 1]. De huisbankier van [bedrijf 3 BV] is de Rabobank.

Op de rekeningafschriften6 van de ABN Amro bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] is vanaf 4 oktober 2006 tot 19 oktober 2006 zichtbaar dat hierop betalingen van debiteuren van [bedrijf 3 BV] worden gedaan tot een totaalbedrag van € 105.521,22. Dit betroffen onder andere betalingen van [bedrijf 4 BV], [bedrijf 5], [bedrijf 6 BV] en [bedrijf 7 BV].

Bij brief7 van 2 oktober 2006 van [bedrijf 3 BV] aan [bedrijf 7 BV] is [bedrijf 7 BV] verzocht de betalingen aan [bedrijf 3 BV] te verrichten op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1]. Vanaf een bankrekening die wordt omschreven als "derdengelden [bedrijf 2]", nummer [rekeningnummer 2]5, wordt met omschrijving "tijdelijk in beheer gegeven gelden" tot een bedrag van in totaal € 157.750,00 gestort op rekeningnummer [rekeningnummer 1] (ABN AMRO).

Op 10 oktober 2006 is door [bedrijf 1 BV] B.V. een bedrag van € 84.490,00 geboekt op de ABN Amro rekening van [bedrijf 3 BV]

Van de ABN-AMRO bankrekening van [bedrijf 3 BV] is het overgrote deel van de daarop ontvangen gelden, te weten een bedrag groot € 301.800,- overgeschreven , naar een buitenlandse rekening in Oostenrijk8. Volgens de omschrijving bij de overboekingen hielden deze vermoedelijk verband met een claim van het Oostenrijkse bedrijf "[bedrijf 8]". Het in de omschrijvingen bij de betalingen genoemde Oostenrijkse bedrijf "[bedrijf 8]" heeft echter via de advocaat van haar dochter maatschappij in Nederland schriftelijk laten weten dat deze ontvangsten niet voorkomen in haar boekhouding en de betreffende bankrekening niet in haar bedrijf wordt gebezigd. Het bankrekeningnummer waar de bedragen naar zijn overgeboekt, is bij "[bedrijf 8]" niet herkend als een rekening die aan "[bedrijf 8]" toebehoort. De boekhouding van "[bedrijf 8]" (her)kent de bedragen en de data niet en kan deze noch als credit- noch als debetboekingen achterhalen.

Door [bedrijf 3 BV] is op 3 oktober 2006 een bedrag van € 84.490,00 (inclusief BTW) gefactureerd9 aan [bedrijf 1 BV] B.V. ter zake de verkoop van de activa van [bedrijf 3 BV]

Door [bedrijf 1 BV] B.V. is, ook op 3 oktober 2006, een bedrag van € 107.100,00 (inclusief BTW) gefactureerd10 aan [bedrijf 9 BV] ter zake de verkoop van diverse activa van [bedrijf 3 BV]

In een taxatierapport11 betreffende [bedrijf 3 BV] is de onderhandse verkoopwaarde bij gelijkblijvende bestemming en gebruik van [bedrijf 3 BV] gesteld op een totaal bedrag van

€ 201.415,00 (exclusief BTW).

Uit een uittreksel uit het handelsregister12 van [bedrijf 3 BV] en de daarbij behorende historische gegevens blijkt dat verdachte van 30 december 2002 tot 25 september 2006 bestuurder was van [bedrijf 3 BV]. Vanaf 25 september 2006 was Beheersmaatschappij [beheermaatschappij BV]. bestuurder van [bedrijf 3 BV]

Op 27 februari 2008 heeft de FIOD13 een bezoek gebracht aan de Kamer van Koophandel ter verkrijging van stukken met betrekking tot de beëindiging van het bestuurderschap van verdachte van [bedrijf 3 BV] per 25 september 2006. Daarbij werd aan de verbalisant een formulier "wijziging functionarisgegevens" overgelegd d.d. 3 november 2006 dat is ondertekend door notaris Poort. Deze wijziging werd door de Kamer van Koophandel verwerkt op 7 november 2006. Verdachte is met terugwerkende kracht vanaf 25 september 2006 uitgeschreven als bestuurder van [bedrijf 3 BV]

Uit een uittreksel uit het handelsregister14 van Beheersmaatschappij [beheermaatschappij BV]. en de daarbij behorende historische gegevens blijk[bedrijf 10 BV]BV] vanaf 25 september 2006 enig aandeelhouder en bestuurder van Beheersmaatschappij [beheermaatschappij BV] was.

Door middel van een formulier "wijziging functionarisgegevens"15, gedateerd op 18 oktober 2006 en binnengekomen bij de Kamer van Koophandel op 19 oktober 2006, is [verdachte] met terugwerkende kracht vanaf 25 september 2006 uitgeschreven als bestuurder en (enig) aandeelhouder van Beheersmaatschappij [beheermaatschappij BV].

Op 8 november 2006 zijn door deurwaarderskantoor16 Soer foto's genomen, waarop zichtbaar is dat in de kantoorruimten van [bedrijf 3 BV] ordners in kasten en computers op bureaus zichtbaar waren. De curator heeft uiteindelijk in januari 2007 geen administratie in het gebouw aangetroffen.

De curator heeft op 19 januari 2007 mondeling en op 12 februari 2007 schriftelijk aan verdachte verzocht om uitlevering17 van de administratie dan wel gegevensdragers van [bedrijf 3 BV] Verdachte heeft daaraan niet voldaan en heeft daarover in zijn verhoor aangegeven van mening te zijn dat deze verplichting geldt voor zijn opvolger mw. [naam 6] dan[bedrijf 10 BV]0 BV].

Door de FIOD zijn verschillende personen gehoord.

[naam 1] heeft verklaard18, zakelijk weergegeven:

Ik was tot ongeveer half oktober administratief medewerkster bij [bedrijf 3 BV] In mijn ogen had de heer [verdachte] de leiding over het bedrijf. [medeverdachte] zag ik voor het eerst in de eerste week van oktober 2006. In 2002 heeft [verdachte] WSK overgenomen.

[naam 1] heeft verder verklaard19, zakelijk weergegeven:

Ik was de enige die de administratie bij [bedrijf 3 BV] deed. Ik heb niet gezien dat iemand anders de administratie deed. In de eerste week van oktober 2006 was al duidelijk dat het niet haalbaar was om het bedrijf overeind te houden. Het maken van de verkoopfacturen deed ik nooit, dat deed [verdachte]. [verdachte] was altijd op kantoor tot en met de eerste week van oktober 2006. Ik weet niet tot wanneer [medeverdachte] aanwezig was op het kantoor van [bedrijf 3 BV] Ik heb hem wel de woensdag in de eerste week van oktober 2006 op kantoor gezien. Hij regelde met [bedrijf 9 BV] het personeel. Die laatste woensdagmiddag dat ik op kantoor was, kwam al het personeel naar kantoor. Toen werd er door [verdachte] en [medeverdachte] een toespraak gehouden voor het personeel. [medeverdachte] vertelde het personeel dat zij over konden gaan naar [bedrijf 9 BV].

[naam 2] heeft verklaard20, zakelijk weergegeven:

Ik heb tot de eerste week van oktober 2006 bij [bedrijf 3 BV] gewerkt. Er waren in die tijd contacten met [bedrijf 9 BV] die gingen over een soort van fusie. Die informatie kregen wij als personeel van [medeverdachte], de adviseur van [verdachte]. Iedereen werd toen samen geroepen en [medeverdachte] hield toen een toespraak. [verdachte] had de leiding van het bedrijf. Toen ik op kantoor zat, heb ik gehoord dat [medeverdachte] tegen [verdachte] zei: "Ze moeten er nog maar achter zien te komen wie er op dit moment hoofdelijk aansprakelijk is voor [beheermaatschappij]". De laatste twee weken, dus tot en met de eerste week van oktober was [medeverdachte] dagelijks op het bedrijf.

[naam 3] heeft verklaard21, zakelijk weergegeven:

Ik heb tot oktober 2006 bij [bedrijf 3 BV] gewerkt. [verdachte] had de leiding over het bedrijf. Ik had veel met [verdachte] te maken. Op een gegeven moment, toen ik in de ziektewet zat, hoorde ik van mijn broer dat zijn bedrijf een brief had gekregen dat zij de materialen bij [bedrijf 3 BV] konden ophalen, omdat [bedrijf 3 BV] er mee zou stoppen. Ik heb toen [verdachte] gebeld en gevraagd hoe het zat. Hij heeft mij toen gezegd dat [medeverdachte] een week later contact met mij zou opnemen en zou uitleggen wat er ging gebeuren. Eind oktober belde [medeverdachte]. [medeverdachte] zei dat ik ontslagen was. [medeverdachte] was de financieel adviseur van [verdachte]. Telkens als ik [verdachte] belde en vroeg hoe het nou zat, vertelde [verdachte] mij dat [medeverdachte] het uit zou leggen.

[naam 4] heeft verklaard22, zakelijk weergegeven:

Ik ben directeur/eigenaar van [bedrijf 11 BV] [bedrijf 11 BV] is de moeder van een aantal ondernemingen, waaronder [bedrijf 9 BV] Wij hadden veel werk en ik wilde dit werk uitbesteden. Op deze manier kwam ik in gesprek met [verdachte] van [bedrijf 3 BV te plaats]. Dat was na de zomer van 2006. Ik heb bij [bedrijf 3 BV] tekeningen achtergelaten om te kijken of zij dat konden maken. Twee/drie weken later sprak ik met [verdachte]. Hij gaf aan dat hij niet op het aanbod in kon gaan. Hij gaf als reden op dat hij het waarschijnlijk financieel niet kon volhouden met [bedrijf 3 BV] Hij vertelde mij in vertrouwen dat het doek misschien wel over een aantal weken kon vallen. [verdachte] vroeg aan mij of het interessant was om [bedrijf 3 BV] over te nemen. Voor mij was het niet interessant. Na enige weken kwamen [verdachte] en [medeverdachte], de adviseur van [verdachte], weer bij mij op kantoor. Zij wilden na het staken van het bedrijf alle zaken netjes afronden. Ik kon de machines kopen. Deze waren echter al verkocht aan [bedrijf 1 BV]. [medeverdachte] vertelde dit en hij kon wel regelen dat ik de machines kon kopen. Uiteindelijk is de deal rond gekomen en is er per post een factuur bij mij bezorgd. Ik weet niet wie er achter [bedrijf 1 BV] zaten. Dat de deal is rondgekomen is te danken aan het feit dat ik het pand ook kon kopen. Ik heb ook personeel overgenomen.

[naam 4] heeft verder verklaard23, zakelijk weergegeven:

In september 2006 heb ik met [verdachte] gesproken over de uitbesteding van werk. Twee weken na dat gesprek vertelde hij dat het doek voor [bedrijf 3 BV] over een paar weken kon vallen. [verdachte] zei dat het best zo kon zijn dat het bedrijf over een aantal weken kon omvallen. Op 18 september 2006 heeft [verdachte] diverse stukken overlegd om inzicht te verstrekken in de financiële gang van zaken van [bedrijf 3 BV] Tot oktober sprak ik met [verdachte], toen kwam ineens [medeverdachte] in beeld als adviseur van [verdachte]. [medeverdachte] gaf aan dat zij het bedrijf netjes wilden afhandelen. [medeverdachte] was de adviseur van [verdachte] om alles op te lossen en te regelen. Ik zou van [bedrijf 3 BV] de complete bedrijfsinventaris kopen. Een deel kocht ik van [bedrijf 1 BV]. Het andere deel van de bedrijfsinventaris heb ik via de bank gekocht. De bank had het in beslag genomen, zij waren pandhouder. De voorgenomen koop van de bedrijfsinventaris is gebeurd in een tijdsbestek van drie dagen.

[naam 5] heeft verklaard24, zakelijk weergegeven:

In 2003 of 2004[bedrijf 10 BV]0 BV] en [bedrijf 14 BV] verkocht aan [medeverdachte]. Het zou kunnen dat na 30 maart 2005 [bedrijf 12 Holding Ltd]. directeur/aandeelhouder van [bedrijf 10 BV] was. Ik heb van [medeverdachte] gehoord dat [bedrijf 12 Holding Ltd.] staat voor "deze gaat failliet". Ik was de feitelijk leidinggevende aan [bedrijf 1 BV] B.V. De factuur van 3 oktober 2006 van [bedrijf 1 BV] B.V. aan [bedrijf 9 BV] heeft te maken met [bedrijf 3 BV uit plaats]. Ik heb via [medeverdachte] [verdachte] leren kennen. [medeverdachte] vertelde mij dat hij iemand kende die machines had staan en wilde stoppen, dat betrof [verdachte]. [medeverdachte] vroeg mij of ik iemand wist die de machines en dergelijke wilde kopen. Dat was een maand of twee voor 3 oktober 2006. Via [medeverdachte] kwam [bedrijf 9 BV]. [bedrijf 9 BV] had interesse in het materiaal en eventueel ook in het voortzetten van het bedrijf. Toen heeft [bedrijf 9 BV] gezegd dat zij de spullen zou kopen. Toen zei [medeverdachte] dat ik er al zoveel energie in had zitten dat ik de verkoopfactuur mocht schrijven. Dat heb ik dan ook gedaan.

[medeverdachte], [verdachte] en de man van [bedrijf 9 BV] hebben samen overlegd wat uiteindelijk gekocht zou worden door [bedrijf 9 BV]. [medeverdachte] en [verdachte] hebben toen besproken wat ik er mee zou kunnen verdienen. [bedrijf 1 BV] moest iets van € 83.000,00 betalen voor de inkoop van deze inventaris. De verkoop was € 90.000 exclusief omzetbelasting. Dat waren zij samen al overeengekomen. De factuur is door [bedrijf 9 BV] betaald en ik heb doorbetaald aan [bedrijf 3 BV] De activa zouden in [plaats] door [bedrijf 9 BV] opgehaald worden. [bedrijf 9 BV] zou het bedrijf voortzetten. De factuur van [bedrijf 1 BV] aan [bedrijf 9 BV] is bij [medeverdachte] terechtgekomen. Die zou hem boekhoudkundig verwerken. Achteraf is gebleken dat [medeverdachte] niets gedaan heeft. Op het moment van de transactie was ik niet op de hoogte dat er op de bedrijfsinventaris van [bedrijf 3 BV] een pandrecht rustte van de Rabobank. Ik had daar duidelijk naar gevraagd en er werd door [medeverdachte] en [verdachte] ontkennend op geantwoord.

Verdachte heeft ter terechtzitting25 onder meer verklaard dat hij na 25 september 2006 nog op het bedrijf is geweest om lopende zaken te begeleiden en af te wikkelen, in ieder geval tot en met de eerste week van oktober 2006. Hij was als enig gemachtigd voor de rekening van [bedrijf 3 BV] bij de ABN AMRO. De rekening van [bedrijf 3 BV] bij de ABN AMRO is geopend om daar geld van [bedrijf 3 BV] op te parkeren ter voorkoming van beslag in verband met een mogelijke claim van een Duits bedrijf. Desgevraagd heeft verdachte verklaard dat hij niet op de hoogte is van de aard en omvang van de claim en dat hij de claim niet ter beoordeling of ter advisering heeft voorgelegd aan een advocaat. De rekening van [bedrijf 3 BV] bij de ABN AMRO is door verdachte niet opgegeven aan de curator. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de bij hem thuis opgeslagen administratie van de jaren voor 2005 en 2006 van [bedrijf 3 BV] in de gang van het kantoor van [bedrijf 3 BV] heeft neergezet. De administratie van de jaren 2005 en 2006 stonden reeds in het kantoor van [bedrijf 3 BV]

Bij de FIOD heeft verdachte verklaard26, zakelijk weergegeven:

Eind september 2006 is [bedrijf 3 BV] integraal overgenomen. Ik ben met [medeverdachte] naar één of twee partijen geweest om te praten over een eventuele overname. Eind september zijn [bedrijf 3 BV] en de Beheermaatschappij voor 1 euro verkocht aan [bedrijf 10 BV]. Het was [medeverdachte] die met deze koper aankwam. De aandelen van de Beheermaatschappij zijn overgegaan naar [bedrijf 10 BV].

Ik heb een ABN rekening geopend in 2006. Het leek mij wel handig om een tweede rekening te hebben. De Rabobank was de huisbank van [bedrijf 3 BV] Ik deed de in- en uitgaande betalingen bij de ABN AMRO. [bedrijf 2] was het bedrijf van [medeverdachte]. Het geld dat van [bedrijf 2] is overgemaakt naar de ABN rekening betrof geld dat namens [bedrijf 3 BV] in beheer was gegeven op een derdengeldenrekening van [bedrijf 2]. Ik weet dat dit geld, na overleg met [medeverdachte], vanaf de Raborekening van [bedrijf 3 BV] is overgemaakt naar de [bedrijf 2]rekening. Dit is volgens mij na augustus 2006 gebeurd, nadat [medeverdachte] bij ons binnen was gekomen. De betaling van [bedrijf 4 BV] op de ABN rekening lijkt mij een betaling van een debiteur van [bedrijf 3 BV] Voor de [bedrijf 5] geldt hetzelfde. [bedrijf 6 BV], en [bedrijf 7 BV] waren ook klanten van [bedrijf 3 BV]

Feitelijk leidinggeven

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte in de periode waar het hier om gaat ? ten aanzien van de ten laste gelegde gedragingen ? feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 3 BV] Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat verdachte als feitelijk leidinggevende en statutair bestuurder betrokken is geweest bij [bedrijf 3 BV] en ook als zodanig ingeschreven heeft gestaan in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Uit de diverse afgelegde verklaringen blijkt dat verdachte ook na 25 september 2006 voor en namens [bedrijf 3 BV], actief is blijven optreden en leidinggevende handelingen heeft verricht (zoals bemoeienis met het afvloeien van het personeel en het in beeld brengen en het verkopen van de activa) en dat hij als statutair bestuurder pas per 7 november 2006 feitelijk is uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Verdachte heeft dan ook tot 7 november 2006 te gelden als statutair bestuurder van [bedrijf 3 BV] Het alternatieve scenario dat door verdachte is geschetst, overname van [bedrijf 3 B[naam 6]] acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk, temeer nu voor dat scenario geen enkel ondersteunend element voorhanden is. Immers, niet alleen vindt dit scenario geen steun in de verklaring van [naam 6] zelf, wiens naam en gegevens door haar zoon [naam 7] zijn gebruikt ter oprichting van de vennootschap naar Engels recht [bedrijf 13 Ltd.]. die bestuurder was van [bedrijf 12 Holding Ltd.] Ltd., maar ook uit de verklaringen van de werknemers van [bedrijf 3 BV] is geen enkele betrokkenheid van [naam 6] bij [bedrijf 3 BV] gebleken.

Ten aanzien van feit 1

Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de bedrijfsinventaris, die recentelijk op een bedrag van € 201.000,00 was getaxeerd, voor € 84.490,00 aan [bedrijf 1 BV] is verkocht en dat diverse debiteuren tot een bedrag van € 105.750,- hun rekeningen hebben voldaan door betaling aan [bedrijf 3 BV] op de door [verdachte] geopende bankrekening bij de ABN AMRO ([rekeningnummer 1]). Uit de bewijsmiddelen kan ook worden afgeleid dat verdachte toestemming heeft gegeven voor het overmaken van € 157.750,- van de Rabobank rekening van [bedrijf 3 BV] naar de derdengeldenrekening van [bedrijf 2], welk bedrag vervolgens is gestort op de bankrekening van [bedrijf 3 BV] bij ABN AMRO. De door verdachte bij de ABN AMRO medio 2006 geopende bankrekening en de daarna daarop ontvangen gelden zijn verzwegen voor de curator. Verdachte was als enige gemachtigd voor deze rekening van de ABN AMRO en was als zodanig gerechtigd tot het verrichten van handelingen, terwijl hij die situatie na de verkoop van het bedrijf ongewijzigd heeft gelaten.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat [bedrijf 3 BV] ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, onder A, ten laste gelegde handelingen en dat de verdachte daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Uit de bewijsmiddelen kan verder worden afgeleid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, onder B, tenlastegelegde doordat hij in de daar ten laste gelegde periode feitelijk leiding heeft gegeven aan het niet voldoen door [bedrijf 3 BV] aan de op haar ingevolge artikel 3:15i lid 1 BW rustende administratieve verplichtingen.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, als feitelijk leidinggevende, tijdens het faillissement van [bedrijf 3 BV] gehouden was om (juiste) inlichtingen te verstrekken aan de curator en de rechter-commissaris in het faillissement. Aan de bewijsmiddelen valt te ontlenen dat verdachte niet aan deze verplichting heeft voldaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als feitelijk leidinggevende van [bedrijf 3 BV] opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

De besloten vennootschap [beheermaatschappij BV]. (verder te noemen de vennootschap) in de periode 1 juli 2006 t/m 18 januari 2007 te Zutphen en/of Winterswijk, althans in Nederland, terwijl de vennootschap bij vonnis van de rechtbank te Zutphen van 18 januari 2007 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser(s),

A. baten niet heeft verantwoord en/of enig goed aan de boedel heeft ontrokken en/of enig goed klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd, te weten:

- 84.490 euro zijnde de opbrengst van de verkoop van de bedrijfsinventaris

van de vennootschap aan [bedrijf 1 BV];

- 105.521,22 euro betreffende afgebogen debiteurenontvangsten op ABN AMRO

rekening [rekeningnummer 1] minus gedane zakelijke betalingen van deze rekening;

- 157.750 euro betreffende terugontvangen van aan [bedrijf 2] tijdelijk in beheer

gegeven gelden op bovengenoemde ABN AMRO rekening,

immers heeft de vennootschap bedoelde bate(n) niet op de rekening van de vennootschap gestort of doen storten, althans niet in boedel gestort, althans verzwegen voor haar curator

B. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op haar, de vennootschap, rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

2.

de besloten vennootschap [beheermaatschappij BV]. in de periode 18 januari 2007 t/m 20 januari 2009 in de gemeente Zutphen en/of Winterswijk en/of Groenlo, althans in Nederland,

als degene die op 18 januari 2007 door de rechtbank te Zutphen in staat van faillissement is verklaard en door de curator en/of rechter-commissaris wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk niet is verschenen en/of heeft geweigerd de vereiste inlichtingen te geven, en/of opzettelijk verkeerde inlichtingen heeft gegeven,

aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) leiding heeft gegeven.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

feit 1: feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd door een rechtspersoon;

feit 2: feitelijk leidinggeven aan het als degene die in staat van faillissement is verklaard opzettelijk verkeerde inlichtingen geven, gepleegd door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd - uitgaande van de medeplegersvariant - verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd door verdachte in verzekering doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Hierbij is door de officier van justitie onder meer rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

De officier heeft daarbij onder meer in aanmerking genomen de schade die door verdachtes toedoen is toegebracht aan het vertrouwen zoals betaamt in het economisch maatschappelijk verkeer, de persoonlijke gevolgen voor het personeel van [bedrijf 3 BV] en het nadeel voor de schuldeisers, de oriëntatiepunten die voor de straftoemeting in fraudezaken plegen te worden toegepast, dat verdachte als een first offender dient te worden beschouwd, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en er wegens een overschrijding van de redelijke termijn met negen maanden een korting dient te worden toegepast.

De raadsman heeft aangevoerd dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op hetgeen verdachte in zijn persoonlijke leven heeft meegemaakt en nog steeds meemaakt, geen enkel strafdoel dient. Volstaan kan worden met een geheel voorwaardelijke straf dan wel met een taakstraf.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk en het verstrekken van onjuiste inlichtingen aan de curator. Hij heeft op berekende en geraffineerde wijze aanzienlijke bedragen buiten de failliete boedel gehouden, onder meer door het op naam van [bedrijf 3 BV] openen van een tweede bankrekening waaromtrent geen inlichtingen zijn verstrekt aan de curator en het verstrekken van onjuiste inlichtingen aan de curator. Door zijn handelen zijn de schuldeisers in ernstige mate benadeeld. Door het niet ter beschikking stellen van de administratie konden de rechten en plichten van [bedrijf 3 BV] niet te allen tijde worden gekend, hetgeen met name de curator van de failliet in een lastig parket heeft gebracht. Het belang van een goed gevoerde administratie is in het kader van een faillissement immers dat de curator goed inzicht heeft in de vermogenspositie van de gefailleerde alsmede van de rechten en plichten van de schuldeisers en schuldenaren, ten behoeve van een zo gunstig mogelijke afwikkeling van de boedel. Daar komt bij dat verdachte geen enkel inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen. Verdachte ziet zichzelf uitsluitend als slachtoffer en miskent daarmee volledig zijn rol in het gebeuren.

Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat er rekening moet worden gehouden met de straf die op 14 december 2011 aan verdachte is opgelegd in verband met andersoortige delicten. Ook is van belang wat in soortgelijke zaken met een vergelijkbaar benadelingsbedrag aan straf pleegt te worden opgelegd, mede - gezien de frauduleuze context waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden - afgezet tegen de oriëntatiepunten die door het LOVS inzake fraude worden gehanteerd.

De rechtbank is van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie geëist passend en geboden is. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel op zijn plaats, om verdachte ervan te weerhouden andermaal soortgelijke feiten te plegen. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn, hetwelk met name is gelegen in de tijd dat de zaak stil heeft gelegen tussen de retourzending door de rechter-commissaris van het dossier op 11 april 2011 na het horen van getuigen en de zitting op 18 september 2012.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 51, 57, 63, 194 en 341 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

feit 1: feitelijk leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk, meermalen gepleegd door een rechtspersoon;

feit 2: feitelijk leidinggeven aan het als degene die in staat van faillissement is verklaard opzettelijk verkeerde inlichtingen geven, gepleegd door een rechtspersoon;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden;

* beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot zes maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mrs. Kropman, voorzitter, Roelvink en Draisma, rechters,

in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 december 2012.

Mr. Draisma is buiten staat mede te ondertekenen.

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/922033-08

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van

21 december 2012.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van het in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal dossiernummer 41869 van de Belastingdienst/FIOD-ECD, kantoor Zwolle, gesloten en ondertekend op 16 oktober 2008 door de opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar]

2 vonnis rechtbank Zutphen, doorgenummerde dossierpag. 49 en 50

3 aangifte faillissementsfraude d.d. 20 juni 2007, doorgenummerde dossierpag. 52 e.v. en 59 e.v.

4 faillissementsverslag nr. 2 (bijlage 5 aangifte), doorgenummerde dossierpag. 97 e.v.

5 faxbericht ABN AMRO Bank N.V. d.d. 5 juni 2008, doorgenummerde dossierpag. 108 e.v., in samenhang met stamproces-verbaal doorgenummerde dossierpag. 13

6 rekeningafschriften betreffende rekeningnummer [rekeningnummer 1] van 10 oktober 2006 en 24 oktober 2006, doorgenummerde dossierpag. 112 t/m 120, zulks in samenhang met stamproces-verbaal doorgenummerde dossierpag. 14

7 brief [bedrijf 3 BV], doorgenummerde dossierpag. 125

8 stamproces-verbaal doorgenummerde dossierpag. 14 en brief van [naam A] d.d. 29 juli 2008, doorgenummerde dossierpag. 126

9 factuur d.d. 3 oktober 2006, doorgenummerde dossierpag. 510

10 factuur d.d. 3 oktober 2006 met bijlagen, doorgenummerde dossierpag. 684 e.v.

11 taxatierapport [naam B], doorgenummerde dossierpag. 685 e.v.

12 uittreksel handelsregister met historie, doorgenummerde dossierpag. 833 e.v.

13 stamproces-verbaal doorgenummerde dossierpag. 27 en het formulier "wijziging functionarisgegevens", doorgenummerde dossierpag. 572 e.v.

14 uittreksel handelsregister, doorgenummerde dossierpag. 837 e.v.

15 formulier "wijziging functionarisgegevens", doorgenummerde dossierpag. 580 e.v.

16 stamproces-verbaal, doorgenummerde dossierpag. 47

17 stamproces-verbaal doorgenummerde dossierpag. 15

18 verklaring [naam 1] d.d. 8 februari 2008, doorgenummerde dossierpag. 329 e.v.

19 verklaring [naam 1] d.d. 22 mei 2008, doorgenummerde dossierpag.150 en 151

20 verklaring [naam 2] d.d. 11 maart 2008, doorgenummerde dossierpag. 157 e.v.

21 verklaring [naam 3] d.d. 21 februari 2008, doorgenummerde dossierpag. 333 e.v.

22 verklaring [naam 4] d.d. 2 mei 2008, doorgenummerde dossierpag. 376 e.v.

23 verklaring [naam 4] d.d. 2 juli 2008, doorgenummerde dossierpag. 382 e.v.

24 verklaring [naam 5] d.d. 7 juli 2008, doorgenummerde dossierpag. 201 e.v.

25 verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 december 2012

26 verklaring verdachte, doorgenummerde dossierpag. 625 e.v., 633 e.v.