Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BY6840

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
19-12-2012
Zaaknummer
12/354 RECLBL
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:2266, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De heffingsambtenaar van de gemeente Harderwijk heeft aan eiser – en aan, voor zover van belang, 54 andere ondernemers in het centrumgebied van Harderwijk – een aanslag in de reclamebelasting opgelegd. De rechtbank heeft geoordeeld dat op grond van de in de Verordening van de gemeente Harderwijk opgenomen vrijstellingen een groot deel van in het centrumgebied aanwezige openbare aankondigingen niet in de heffing wordt betrokken.

De door de gemeente Harderwijk daarvoor gegeven rechtvaardiging kan de rechterlijke toetsing niet doorstaan. De rechtbank is verder van oordeel dat de belastingplicht onvoldoende scherp en duidelijk is afgebakend. Volgens de rechtbank is sprake van willekeurige belastingheffing en mist de Verordening verbindende kracht. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de aanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-0036
V-N Vandaag 2013/18
Belastingblad 2013/72
V-N 2013/14.22.2

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige belastingkamer

Reg.nr.: 12/354 RECLBL

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te [plaats],

eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Harderwijk

verweerder.

1. Procesverloop

Verweerder heeft voor het belastingjaar 2011 aan eiser een aanslag in de reclamebelasting opgelegd van € 657. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van

2 februari 2012 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot € 610.

Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 november 2012, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. E.H.M. Schaakxs, advocaat te Amersfoort. Verweerder – [heffingsambtenaar] – is in persoon verschenen, vergezeld van mr. M.M. Franse.

2. Overwegingen

2.1 Op grond van artikel 227 van de Gemeentewet kan ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg een reclamebelasting worden geheven.

2.2 Op 9 december 2010 heeft de raad van de gemeente Harderwijk de Verordening op de heffing en invordering van Reclamebelasting 2011 (hierna: de Verordening) vastgesteld. Hierin is, voor zover van belang, vermeld:

“Artikel 1

Gebiedsomschrijving

Centrumgebied A,: Donkerstraat, Wolleweverstraat tot hoek Donkerstraat

Centrumgebied B: Vuldersbrink, Grote Haverstraat, Luttekepoortstraat tot aan de hoek Vitringasingel, Schoenmakersstraat, Smeepoortstraat tot en met de hoek Vitringasingel, Hondegatstraat, Bruggestraat vanaf de Donkerstraat tot aan de Bongerdsteeg

Centrumgebied C: Vijhestraat, Strandboulevard, Vismarkt, Luttekepoortstraat vanaf de hoek Vitringasingel tot en met de rotondeBleekDoelenstraat, Smeepoortenbrink, Kloosterplein, Catharijnensteeg Kerkstraat, Rabbistraat, Grote Poortstraat, Nonnenstraat, Hoogstraat, academiestraat,

Overige gebied D: Alle overige straten die niet voorkomen in de centrumgebieden A, B en C

Artikel 2

Belastbaar feit

Onder de naam "reclamebelasting" wordt een directe belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg.

Artikel 3

Belastingplicht

De belasting wordt geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie, al dan niet met vergunning, de openbare aankondigingen worden aangetroffen.

Artikel 4

Tarieven

1. De belasting wordt geheven naar de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tabel.

2. Voor de berekening van de belasting wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt, tenzij anders is aangegeven.

3. Bij de berekening van de belasting wordt de voor de belastingplichtige meest gunstige wijze van berekening gehanteerd.

Artikel 5

Wijze van heffing

1. De belasting wordt geheven bij wege van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt verstaan een rekening of nota.

2. In afwijking van het eerste lid worden de belastingen op jaarbasis geheven bij wege van aanslag.

3. Belastingaanslagen van minder dan € 5,00 worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen aangemerkt als één belastingaanslag.

Artikel 6

Ontstaan van belastingschuld

1. De belasting welke wordt geheven bij wege van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving is verschuldigd bij aanvang van de belastingplicht;

2. De belasting geheven bij wege van aanslag is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of indien de belastingplicht op een later tijdstip aanvangt, op dat tijdstip;

Artikel 7 Belastingjaar

Indien het recht wordt geheven naar jaartarieven is het heffingstijdvak een kalenderjaar. In overige gevallen is het heffingstijdvak een kwartaal met dien verstande dat ook heffing voor elk belastbaar feit afzonderlijk kan plaatsvinden.

(…).

Artikel 9

Aanvang en einde belastingplicht in de loop van het belastingjaar

1. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt de belasting genoemd in artikel 5, tweede lid, geheven over zoveel twaalfde gedeelten als na de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden in het belastingjaar overblijven.

2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, wordt ontheffing verleend over zoveel twaalfde gedeelten van de in de tarieventabel opgenomen jaartarieven, als na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven,

Artikel 10

Vrijstellingen

De belasting wordt niet geheven voor:

a. het hebben van openbare aankondigingen welke noodzakelijk voor de uitoefening van hun publieke taak, door het rijk, de provincie, de gemeente of door waterschappen, zuiveringsschappen en veenpolders zijn aangebracht of geplaatst;

b. het hebben van openbare aankondigingen door de gemeente ten behoeve van percelen, waarvan de gemeente krachtens eigendom, bezit of beperkt recht de genothebbende is, met uitzondering van die percelen, welke aan derden zijn verhuurd;

c. het hebben van niet tot reclame dienende aanwijzingen voor het publiek op brievenbussen, postzegelautomaten en telefooncellen;

d. het hebben van openbare aankondigingen uitsluitend gebezigd voor een liefdadig doel;

e. het hebben van openbare aankondigingen welke ingevolge wettelijk voorschrift of krachtens privaatrechtelijke overeenkomst kosteloos of tegen een bij of krachtens dat voorschrift of die overeenkomst bepaalde vergoeding moeten worden gedoogd;

f. het hebben van openbare aankondigingen in het inwendige gedeelte van een onroerende zaak, voor zover dat als winkel, toonzaal, café, restaurant, werkplaats, garage of station van een openbaar vervoermiddel wordt gebruikt met dien verstande, dat aankondigingen aangebracht in openbare wandelgangen van winkelcentra niet onder deze vrijstelling zijn begrepen;

g. het hebben van een naambord dan wel een openbare aankondiging, mits de grootste afmeting niet meer bedraagt dan 0,5 m1 en het bord of de aankondiging niet meer vermeldt dan de naam, het beroep of de aard van het bedrijf - eventueel aangevuld met enige zakelijke mededeling hierop betrekking hebbende, waarmede geen reclame wordt beoogd - van de persoon of onderneming, gevestigd in het perceel, waaraan het bord is aangebracht dan wel voor het hebben van een aankondiging niet meer vermeldende dan de naam, het beroep, de aard van het bedrijf of enige zakelijke mededeling hierop betrekking hebbende op of tegen etalageruiten;

h. het hebben van openbare aankondigingen op als vervoermiddel bestemd en als zodanig in gebruik zijnd materieel;

i. het hebben van openbare aankondigingen ten behoeve van evenementen met een cultureel, of Harderwijk-promotioneel, dan wel aan de Harderwijker historie verwant doel, georganiseerd door een in Harderwijk gevestigde niet-natuurlijke persoon.

j. Het hebben van een naambord of naamsaanduiding op woningen of wooncomplexen, niet zijnde reclameuitingen voor een (ook) in het pand/complex aanwezige onderneming of persoon met een bedrijfsmatige uitoefening van zijn beroep.

(…).

Artikel 13

Inwerkingtreding en citeertitel

1. (…).

2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking.

3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2011.

4. (…).”

Bij de Verordening hoort een Tarieventabel, waarin, voor zover van belang, het volgende is vermeld:

0 Reclame en andere aankondigingen

0.1 Het tarief bedraagt voor het hebben van een:

reclamevlag, reclamebord, uithangbord, uithangteken, letteropschrift,

letterreclame, embleem, reclamekastje, of -vitrine of een andere openbare aankondiging,

in de overige gebieden per kalenderjaar, met een lengte:

0.1.1 niet meer dan 1 meter € 13,16

0.1.2 meer dan 1 meter, doch niet meer dan 2,5 meter € 23,07

0.1.3 meer dan 2,5 meter € 32,10

0.1.4 boven het onder 0.1.1 tot en met 0.1.3 vermelde wordt geheven voor een op het openbare elektriciteitsnet aangesloten reclameobject, per object, per jaar

€ 109,09

0.2 een spandoek ongeacht de afmeting:

0.2.1 per kalenderweek € 3,74

0.2.2 per volle kalendermaand € 11,27

0.3 Het tarief bedraagt voor het hebben van reclame op een

gevel in die gebieden die genoemd zijn in Artikel 1 van

deze verordening

0.3.1 Gebied A € 810,00

0.3.2 Gebied B € 610,00

0.3.3 Gebied C € 410,00

2.3 Eiser stelt zich op het standpunt dat de Verordening onverbindend is, dat sprake is van onredelijke en willekeurige belastingheffing en dat de aanslag niet rechtmatig is opgelegd.

2.4 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Verordening verbindend is en dat de

aanslag rechtmatig is opgelegd.

2.5 De rechtbank stelt voorop dat het de gemeente op grond van artikel 227 van de

Gemeentewet vrijstaat – ook zonder instemming en voorafgaande raadpleging van belastingplichtigen – een reclamebelasting in te voeren. Voorts is de gemeente niet verplicht de opbrengsten aan te wenden voor een bepaald doel en heeft zij de vrijheid die opbrengsten te besteden aan activiteiten en voorzieningen binnen een bepaald gedeelte van haar grondgebied. Niet in geschil is dat op het gehele grondgebied van de gemeente Harderwijk reclamebelasting wordt geheven en dat de gemeente de verhoogde inkomsten uit reclamebelasting uit de in de Verordening genoemde centrumgebieden A, B en C in de vorm van subsidie aan een ondernemersfonds besteedt aan versterking van het centrumgebied van Harderwijk. De voorgedragen beroepsgronden nopen niet tot het oordeel dat de gemeente bij de invoering van de reclamebelasting niet in redelijkheid heeft mogen aannemen dat de in het centrumgebied gevestigde ondernemers daarvan in meer of mindere mate profiteren. In zoverre is geen sprake van onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever niet op het oog gehad kan hebben. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 11 november 2011 (LJN: BW3096) en de uitspraak van het Hof Amsterdam van

24 november 2011 (LJN: BU5998), zoals bevestigd bij arrest van de Hoge Raad van

28 september 2012 (LJN: BX8386).

2.5.1 Met betrekking tot de in artikel 10, aanhef en onder f, van de Verordening opgenomen vrijstelling overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser heeft, voor zover van belang, aangevoerd dat deze vrijstelling leidt tot willekeurige belastingheffing.

Verweerder heeft naar voren gebracht dat in het centrumgebied van Harderwijk op grond van het door de gemeente gevoerde reclamebeleid strengere eisen gelden voor het maken van reclame dan in het overige gebied en dat op grond van dat beleid geen reclame mag worden gemaakt op rolluiken of door middel van vlaggen, banieren en spandoeken. Het verschil in de wijze waarop reclame mag worden gemaakt in het centrum en in het overige gebied binnen de gemeente Harderwijk heeft gevolgen voor de heffing van reclamebelasting in de verschillende gebieden, aldus verweerder. Ter zitting heeft verweerder – desgevraagd – naar voren gebracht dat in het centrumgebied uitsluitend van openbare aankondigingen, die zijn aangebracht aan de buitenkant van de gevel, wordt geheven en dat bijvoorbeeld openbare aankondigingen in etalages en achter winkelramen niet in de heffing van reclamebelasting worden betrokken.

In navolging van de uitspraak van het Hof ’s-Gravenhage van 4 april 2012 (LJN: BW8486) is de rechtbank van oordeel dat door de heffing van reclamebelasting te beperken tot aan de gevel aangebrachte openbare aankondigingen sprake is van willekeurige belastingheffing. De rechtbank overweegt daarbij dat, zoals aangevoerd door eiser en onvoldoende weersproken door verweerder, een groot deel van in het centrumgebied aanwezige openbare aankondigingen daarmee niet in de heffing van reclamebelasting wordt betrokken. Dat de gemeente Harderwijk afzonderlijk reclamebeleid heeft vastgesteld en dat verweerder, zoals ter zitting toegelicht, bij het aantreffen van ongewenste openbare aankondigingen in voorkomend geval een verzoek om handhaving doet, kan daaraan niet afdoen en is geen objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond.

2.5.2 Met betrekking tot de in artikel 10, aanhef en onder g, van de Verordening opgenomen vrijstelling overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser heeft, voor zover van belang, aangevoerd dat deze vrijstelling leidt tot willekeurige belastingheffing.

Verweerder heeft ter zitting – desgevraagd – naar voren gebracht dat de vrijstelling betrekking heeft op kleine borden, dat die borden niet veel voorkomen en vooral vaak wisselen van inhoud, zodat uit doelmatigheidsoverwegingen, waaronder de perceptiekosten, is gekozen voor vrijstelling van die borden.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van willekeurige belastingheffing. De rechtbank overweegt daarbij dat verweerder voor het buiten de heffing laten van kleinere openbare aankondigingen met daarop de vermelding van de naam, beroep of de aard van het bedrijf geen objectief gerechtvaardigde redenen heeft aangedragen. Dat vanwege de perceptiekosten voor deze vrijstelling is gekozen, kan de rechterlijke toetsing niet doorstaan, reeds omdat voor de vraag of aan de vrijstelling wordt voldaan de grootte van de eventueel vrij te stellen openbare aankondiging moet worden opgenomen en gecontroleerd. Daarbij komt dat de gemeente Harderwijk ook overigens, afgezien van het centrumgebied, op haar gehele grondgebied reclamebelasting heft op basis van een gedifferentieerd tarief, waarvoor, volgens verweerder ter zitting, één ambtenaar beschikbaar is gesteld. Dat openbare aankondigingen waarop de vrijstelling ziet, te weten de vermelding van de naam, beroep of aard van het bedrijf, niet of nauwelijks voorkomen op het gehele grondgebied van de gemeente Harderwijk en dat deze openbare aankondigingen vaak wisselen van inhoud heeft verweerder, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt – en de rechtbank acht dit ook niet op voorhand aannemelijk – zodat daarin, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, geen grond gevonden kan worden voor het oordeel dat voor het met de vrijstelling gemaakte onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is.

2.5.3 Voorts is de rechtbank van oordeel dat de in de vrijstelling opgenomen zinsnede “waarmede geen reclame wordt beoogd” maakt dat sprake is van onrechtmatige belastingheffing. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Bij arrest van 30 maart 2007 (LJN: AX2154) heeft de Hoge Raad over het begrip “openbare aankondiging” in de zin van artikel 227 van de Gemeentewet, voor zover van belang, overwogen:

“Het Hof heeft met juistheid vooropgesteld dat onder de term ‘openbare aankondigingen' dient te worden verstaan alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop zijn gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd.”

Bij uitspraak van 25 augustus 2009 (LJN: BN5744) heeft het Hof ’s-Gravenhage, voor zover van belang, overwogen:

“Het wettelijke begrip ‘openbare aankondiging’ omvat niet slechts reclame in (…) engere zin, doch ziet meer in het algemeen op elke tot het publiek gerichte mededeling van commerciële dan wel ideële aard waarmee de aandacht wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap. Slechts openbare aankondigingen in vorenbedoelde zin, (…), kunnen in de heffing van reclamebelasting worden betrokken.”

Verweerder heeft ter toelichting naar voren gebracht dat aankondigingen met een enkele naamsvermelding zijn vrijgesteld van heffing, maar dat de eventuele vermelding van wat als “reclame” wordt gezien wel in de heffing wordt betrokken. Verweerder heeft – desgevraagd – verklaard dat de in de vrijstelling opgenomen term “reclame” aldus moet worden gelezen als reclame in enge zin en dat die term daarmee niet dezelfde betekenis heeft als het begrip “openbare aankondiging” in artikel 227 van de Gemeentewet.

De rechtbank stelt vast dat in de in artikel 10, aanhef en onder j, van de Verordening opgenomen vrijstelling de term “reclameuitingen” is vermeld en dat deze term, ondanks de door verweerder gegeven toelichting, gelet op de tekst en de aard van deze vrijstelling, onvoldoende duidelijk is. Nu bovendien in artikel 0.3 van de Tarieventabel de term “reclame” is vermeld en verweerder expliciet heeft verklaard dat die term geacht moet worden dezelfde betekenis te hebben als het begrip “openbare aankondiging” in artikel 227 van de Gemeentewet, is de rechtbank van oordeel dat zowel de vrijstelling als het belastbare feit in de Tarieventabel onvoldoende scherp en duidelijk is afgebakend. De Verordening voldoet daarmee niet aan de bij artikel 217 van de Gemeentewet gestelde vereisten. Daarbij klemt bovendien dat iedere toelichting bij de Verordening ontbreekt.

2.5.4 De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de Verordening onverbindend is. Het beroep is gegrond. De overig voorgedragen beroepsgronden kunnen verder onbesproken blijven. De rechtbank zal de bestreden uitspraak vernietigen. De krachtens de Verordening opgelegde aanslag kan evenmin in stand blijven.

2.6 Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. De rechtbank stelt de kosten van rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 1.311 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437, met wegingsfactor 1 voor het gewicht en 1½ voor de samenhang). Nu de gemachtigde van eiser rechtsbijstand heeft verleend aan een groep van – uiteindelijk – 55 afzonderlijke eisers, waaronder eiser, door middel van indiening van één beroepschrift en toelichting ter zitting, zal de rechtbank het aan eiser te vergoeden bedrag stellen op (afgerond) € 23,84. Voorts bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de reiskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op

€ 27,20 (op basis van kosten openbaar vervoer 2e klas). Ten slotte bestaat aanleiding te bepalen dat verweerder het betaalde griffierecht dient te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de aanslag reclamebelasting voor het belastingjaar 2011;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure tot een bedrag van

€ 51,04 te vergoeden aan eiser;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 42 aan eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Baaren, voorzitter, en mr. R.A. Eskes en

mr. J.M.W. van de Sande, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 december 2012.