Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BY5489

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
07-12-2012
Zaaknummer
12/266
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat een gehandicaptenparkeerplaats in Terborg, gemeente Oude IJsselstreek, moet blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 12/266

Proces-verbaal van mondelinge uitspraak in het geding tussen:

[eiseres],

te Terborg,

eiseres

gemachtigde: mr. G.H. Blom,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oude IJsselstreek,

verweerder.

Derde-partij sub 1: [derde partij A]n,

beiden te Terborg.

Derde-partij sub 2: [derde partij B],

te Terborg

1. Overwegingen

1. Bij besluit van 11 augustus 2011 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder

een verkeersbesluit genomen. Het betreft de plaatsing van een bord – op een deel van de parkeerstrook tegenover het pand [adres] te Terborg – waardoor ter plaatse een gehandicaptenparkeerplaats ten behoeve van mevrouw [eiseres] is gerealiseerd. Deze gehandicaptenparkeerplaats wordt hierna ook wel aangeduid als: parkeerplaats.

Zowel de heer [naam 1 derde partij A] en mevrouw [naam 2 derde partij A] als mevrouw [derde partij B] hebben bezwaar tegen het primaire besluit gemaakt.

Bij besluit van 2 februari 2012 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en dit besluit vervangen door een verkeers-besluit dat strekt tot verwijdering van het hiervoor aangeduide verkeersbord.

Mevrouw [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft tijdens de beroepsprocedure zowel de heer [naam 1 derde partij A] en mevrouw [naam 2 derde partij A] als mevrouw [derde partij B] krachtens artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aangemerkt als partijen.

Zowel de heer [naam 1 derde partij A] en mevrouw [naam 2 derde partij A] als mevrouw [derde partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven, in de wetenschap dat zij ook ter zitting van

5 december 2012 het woord konden voeren.

Het beroep is behandeld ter zitting van 5 december 2012. Mevrouw [eiseres] en haar gemachtigde waren daarbij aanwezig. Verweerder liet zich vertegenwoordigen door de heer B. Kippers en mevrouw M. Nijman. Verder voerde mevrouw [derde partij B] het woord; zij werd vergezeld door de heer [naam 3]. De heer [naam 1 derde partij A] en mevrouw [naam 2 derde partij A] zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2. De rechtbank oordeelt allereerst dat de belangen van zowel de heer [naam 1 derde partij A] en mevrouw [naam 2 derde partij A] als die van mevrouw [derde partij B] rechtstreeks bij het primaire besluit zijn betrokken. Mede gelet hierop concludeert de rechtbank dat beide bezwaren ontvankelijk zijn.

3. De rechtbank oordeelt voorts dat verweerder in het bestreden besluit een onjuiste uitleg heeft gegeven aan zijn eigen beleid inzake het beslissen op verzoeken om toewijzing van een gehandicaptenparkeerplaats. Volgens dit beleid speelt onder meer het antwoord op de vraag of de aanvrager op diens eigen terrein kan parkeren, een rol bij de beslissing op het verzoek. Het beleid eist echter – anders dan verweerder in het bestreden besluit uitdrukkelijk heeft gesuggereerd – niet dat een verzoek wordt afgewezen indien de verzoeker op diens eigen terrein kan parkeren. De rechtbank concludeert dan ook dat het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel komt.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat verweerder de medische gesteldheid van mevrouw

[eiseres] ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Die gesteldheid maakt het voor mevrouw [eiseres] namelijk problematisch om met haar auto achteruit in en uit te parkeren, en dit gaat ten koste van de verkeersveiligheid ter hoogte van het pand [adres].

De rechtbank concludeert dan ook dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheids-beginsel komt.

4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

5. De rechtbank voorziet ook zelf in de zaak, door de bezwaren ongegrond te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. Daartoe over-weegt zij het volgende.

Mevrouw [eiseres] heeft, naar het oordeel van de rechtbank, een serieus belang bij het kunnen behouden van de parkeerplaats. Dit maakt het voor haar namelijk mogelijk om te allen tijde binnen een korte afstand van haar woning op een veilige wijze te parkeren.

De rechtbank acht de belangen van zowel de heer [naam 1 derde partij A] en mevrouw [naam 2 derde partij A] als mevrouw [derde partij B] bij het vervallen van de parkeerplaats niet groot. Beide partijen be-schikken momenteel immers over de mogelijkheid om een eigen auto op eigen terrein – dit wil zeggen: in een naar eigen inzicht te benutten garagebox – te stallen. Ook overigens is voor de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de heer [naam 1 derde partij A] en mevrouw [naam 2 derde partij A] noch mevrouw [derde partij B] substantiële parkeerproblemen ondervinden bij het (laten) parkeren van auto’s in de [straat].

Verder constateert de rechtbank dat de overburen van mevrouw [eiseres] – de enige be-woners van de [straat] die aantoonbaar direct zicht op de parkeerplaats hebben – geen bezwaar tegen het primaire besluit hebben gemaakt.

Daarnaast staat voor de rechtbank buiten twijfel dat de korpschef van de plaatselijke politie positief over het verkeersbesluit heeft geadviseerd. Hierbij neemt de rechtbank in aan-merking dat de parkeerplaats is gesitueerd op een speciaal voor het parkeren van auto be-stemde en ingerichte strook.

6. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat het primaire besluit herleeft en dat het

verkeersbord ten behoeve van de parkeerplaats kan blijven staan.

7. Nu de rechtbank het beroep gegrond heeft verklaard, dient het betaalde griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Verder veroordeelt de rechtbank verweerder tot vergoeding van een bedrag van € 437,-- aan proceskosten, wegens de rechtsbijstand die de gemachtigde van eiseres heeft verleend.

2. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart de bezwaren alsnog ongegrond;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 437,-- te betalen aan eiseres.