Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX8488

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
13-09-2012
Datum publicatie
27-09-2012
Zaaknummer
Awb 12/819
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:39, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vezoek tot naturalisatie op grond dat eiser gevaar oplevert voor de openbare orde; oplegging ontnemingsmaatregel kan niet worden aangemerkt als zeer bijzonder geval; beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 12/819

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te Doetinchem, eiser,

gemachtigde: mr. C.D. den Hartogh,

en

de Minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2011 heeft verweerder het door eiser ingediende verzoek tot naturalisatie afgewezen.

Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 25 november 2011 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en op 18 januari 2012 een aanvullend beroepschrift ingestuurd. Verweerder heeft op 22 februari 2012 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 30 augustus 2012 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is – met voorafgaande kennisgeving – niet verschenen.

Overwegingen

1. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht het naturalisatieverzoek van eiser heeft geweigerd.

2.1. Eiser is bij vonnis van 12 augustus 2003 door de rechtbank Zutphen veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren wegens een overtreding van artikel 2, aanhef en eerste lid onder B, van de Opiumwet. De straf is in de periode 27 augustus 2003 tot 13 mei 2005 volledig ten uitvoer gelegd. Tevens is naar aanleiding van voormeld misdrijf door het gerechtshof Arnhem op 7 juli 2006 aan eiser een maatregel opgelegd strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van € 43.384,00. In zijn beslissing van 21 juni 2010 heeft het hof Arnhem dit bedrag verminderd tot een bedrag van € 15.000,00 en bij beslissing van 7 december 2011 de beschikking aangevuld in die zin dat van het CJIB en eiser wordt verlangd dat zij een betalingsregeling treffen die ertoe leidt dat eiser binnen vijf jaar na 21 juni 2010 het resterende bedrag heeft voldaan.

2.2. Eiser bezit de Iraanse nationaliteit en heeft op 23 juni 2009 een naturalisatieverzoek ingediend. Bij besluit van 11 september 2009 heeft verweerder dit verzoek afgewezen omdat in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek, een sanctie ter zake van een misdrijf ten uitvoer is gelegd. Daarnaast zou de rehabilitatietermijn van vier jaar nog niet zijn aangevangen omdat er nog een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel openstond.

2.3. Op 6 september 2010 heeft eiser wederom een verzoek tot naturalisatie ingediend.

Bij besluit van 15 juli 2011 heeft verweerder eisers verzoek om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen wegens het bestaan van ernstige vermoedens dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk. Besluitvorming heeft plaatsgevonden als in de vorige rubriek vermeld.

3.1. Ingevolge artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) wordt met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet op voordracht van de minister het Nederlanderschap verleent aan vreemdelingen die daarom verzoeken.

3.2. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

3.2. Volgens paragraaf 5 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, onder a, van de RWN in de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (hierna: de Handleiding) wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde afgewezen, indien in de periode van vier jaar (hierna: de rehabilitatietermijn) direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd.

Volgens paragraaf 1 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, onder a, van de RWN in de Handleiding wordt met een sanctie bedoeld iedere:

a. vrijheidsbenemende straf of maatregel;

b. taak- of leerstraf;

c. geldboete van € 453,78 of meer;

d. strafbeschikking of transactie van € 453,78 of meer;

e. strafbeschikking, transactie of geldboete van € 226,89 of meer, mits er in de periode van vier jaren direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop meerdere strafbeschikkingen, transacties of geldboete van € 226,89 of meer zijn uitgevaardigd, opgelegd of betaald, met een totaal van € 680,67 of meer.

Volgens paragraaf 6 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, onder a, van de RWN in de Handleiding is het in zeer bijzondere gevallen mogelijk dat een bepaald verzoek dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Eén en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht. Een bijzondere omstandigheid kan in het algemeen worden omschreven als een omstandigheid die wel belangrijk is, maar waaraan bij het opstellen van de regels niet of onvoldoende kon worden gedacht.

4.1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het besluit tot stand is gekomen door de bestuursrechter kunnen worden getoetst.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer haar uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1, www.raadvanstate.nl) vloeit namelijk voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

Eiser heeft in dit kader als nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd dat inmiddels de periode van vier jaar, gerekend vanaf de volledige tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, is verstreken en dat de hoogte van het bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op 21 juni 2010 door het gerechtshof Arnhem is verlaagd tot een bedrag van € 15.000,00.

Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook sprake van nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden en komt de rechtbank thans toe aan toetsing van het bestreden besluit. De rechtbank overweegt als volgt.

4.2. Verweerder heeft eisers verzoek om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen op de grond dat eiser een gevaar oplevert voor de openbare orde aangezien hij de aan hem opgelegde ontnemingsmaatregel nog niet heeft voldaan en de rehabilitatietermijn van vier jaar derhalve nog niet is aangevangen. De rechtbank stelt vast dat een ontnemingsmaatregel geen sanctie is, als vermeld in de paragrafen 1 en 5 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, onder a, van de RWN in de Handleiding. Dit betekent dat een verzoek tot het verlenen van het Nederlanderschap - volgens verweerders eigen beleid - slechts kan worden afgewezen als er sprake is van een bijzondere omstandigheid, zoals bedoeld in paragraaf 6 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, onder a, van de RWN in de Handleiding.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat een ontnemingsmaatregel is opgelegd in zijn algemeenheid niet kan worden aangemerkt als een zeer bijzonder geval. Ontnemingsmaatregelen worden zeer regelmatig opgelegd, zodat hieraan bij het opstellen van de regels (voldoende) had kunnen worden gedacht. De door verweerder gestelde omstandigheid dat een ontnemingsmaatregel in het kader van de beoordeling van naturalisatieverzoeken slechts zelden voorkomt, doet hier niet aan af. Ook de omstandigheid dat de in dit geval opgelegde ontnemingsmaatregel € 43.384,00 (na vermindering € 15.000,00) bedraagt en dit bedrag veel hoger is dan de minimale geldboete die leidt tot weigering van het Nederlanderschap, maakt evenmin dat er sprake is van een zeer bijzonder geval.

5. Het voorgaande leidt ertoe dat verweerder ten onrechte is afgeweken van het in de Handleiding neergelegde beleid. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder eisers verzoek tot verlening van het Nederlanderschap ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde. Dit betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Verweerder dient, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar te beslissen.

6. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,--;

wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen, met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 152,-- aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,-- ter zake van verleende rechtsbijstand.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, en door hem en

R.K. Witteveen als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

U kunt ook digitaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Kijk op www.raadvanstate.nl voor meer informatie over het indienen van digitaal beroep