Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX8187

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
25-09-2012
Zaaknummer
06-851056-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam gehandeld. Verdachte had moeten weten dat zij, in de wetenschap dat zij lijdt aan epilepsie en hiervoor medicijnen nam, een risico nam door toch auto te gaan rijden. Verdachte heeft daarbij een ongeval veroorzaakt, waarbij een persoon zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 06/851056-11

Uitspraak d.d. 25 september 2012

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1965],

wonende te [plaats, adres].

Raadsman: mr. F. Huijbers, advocaat te Nijmegen.

1. Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

11 september 2012.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 31 mei 2011, te Braamt, althans in de gemeente

Montferland, in elk geval in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto)

daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg,

de Zeddamseweg,

roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of

onachtzaam,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd

gehinderd, en/of

terwijl het wegdek ter plaatse vochtig was,

rijdende op het verkeersplein dat gevormd wordt door de kruising van de

Zeddamseweg met de Langestraat, die kruising rechtdoor over is gestoken en/of

daarbij in strijd met artikel 10 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 niet de rijbaan heeft gevolgd, en/of

(daarbij) een op dat verkeersplein rijdend motorrijtuig (personenauto, merk

mercedes, kenteken [kenteken 1]) heeft ingehaald, althans is gaan inhalen, en/of

(vervolgens) op dat verkeersplein is gebotst tegen, althans in aanrijding is

gekomen met dat motorrijtuig (personenauto, merk mercedes, kenteken [kenteken 1]),

en/of

(vervolgens) haar weg heeft vervolgd over die Zeddamseweg, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor haar gelegen gedeelte

van die weg, Zeddamseweg, en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is

blijven letten, en/of

(daarbij) haar aandacht niet, althans in onvoldoende mate op of bij het

overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of

gehad, en/of

(daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990 haar snelheid niet zodanig heeft

geregeld dat zij, verdachte, in staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand

te brengen binnen de afstand waarover zij, die weg, de Zeddamseweg, kon

overzien en waarover deze vrij was, en/of

(daarbij) het motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of

(vervolgens) in een slip is geraakt, en/of

(vervolgens) kort voor het verkeersplein dat gevormd wordt door de kruising

van de Zeddamseweg met de Koppelstraat is gebotst tegen, althans in aanrijding

is gekomen met een op een vluchtheuvel staande verkeerspaal met verkeersbord,

welke vervolgens een of meerdere voetganger(s) ([slachtoffer A] en/of [slachtoffer B]) heeft geraakt, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor

dat verkeersplein stilstaand motorrijtuig (personenauto, merk opel, kenteken

[kenteken 2]),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor (een) ander(en) ([slachtoffer A]

en/of [slachtoffer B]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk

letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de

normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

ALTHANS, dat

zij op of omstreeks 31 mei 2011 te Braamt, gemeente Montferland, in elk geval

in Nederland,

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de

weg, de Zeddamseweg,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd

gehinderd, en/of

terwijl het wegdek ter plaatse vochtig was,

rijdende op het verkeersplein dat gevormd wordt door de kruising van de

Zeddamseweg met de Langestraat, die kruising rechtdoor over is gestoken en/of

daarbij in strijd met artikel 10 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 niet de rijbaan heeft gevolgd, en/of

(daarbij) een op dat verkeersplein rijdend motorrijtuig (personenauto, merk

mercedes, kenteken [kenteken 1]) heeft ingehaald, althans is gaan inhalen, en/of

(vervolgens) op dat verkeersplein is gebotst tegen, althans in aanrijding is

gekomen met dat motorrijtuig (personenauto, merk mercedes, kenteken [kenteken 1]),

en/of

(vervolgens) haar weg heeft vervolgd over die Zeddamseweg, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor haar gelegen gedeelte

van die weg, Zeddamseweg, en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is

blijven letten, en/of

(daarbij) haar aandacht niet, althans in onvoldoende mate op of bij het

overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of

gehad, en/of

(daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement

verkeersregels en verkeerstekens 1990 haar snelheid niet zodanig heeft

geregeld dat zij, verdachte, in staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand

te brengen binnen de afstand waarover zij, die weg, de Zeddamseweg, kon

overzien en waarover deze vrij was, en/of

(daarbij) het motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of

(vervolgens) in een slip is geraakt, en/of

(vervolgens) kort voor het verkeersplein dat gevormd wordt door de kruising

van de Zeddamseweg met de Koppelstraat is gebotst tegen, althans in aanrijding

is gekomen met een op een vluchtheuvel staande verkeerspaal met verkeersbord,

welke vervolgens een of meerdere voetganger(s) ([slachtoffer A] en/of [slachtoffer B]) heeft geraakt, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor

dat verkeersplein stilstaand motorrijtuig (personenauto, merk opel, kenteken

[kenteken 2]),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.

art 5 Wegenverkeerswet 1994

3. Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair aan verdachte ten laste gelegde feit. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

Gelet op de toedracht van het ongeval en op de verklaringen die zich in het dossier bevinden, acht de raadsman aannemelijk dat verdachte kort voor het ongeluk een epileptische aanval heeft gehad. Mede gelet op het feit dat zij tot dan toe alleen nachtelijke aanvallen heeft gehad en de neuroloog haar eventuele beperkingen met betrekking tot autorijden niet bij haar ter sprake heeft gebracht, behoefde zij er niet op verdacht te zijn dat haar mogelijkheden om aan het verkeer deel te nemen wellicht verminderd zouden zijn en daarom kan het ongeval niet aan verdachte verweten worden, zodat verdachte wegens afwezigheid van alle schuld van het primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Beoordeling door de rechtbank1

Uit de verkeersongevalanalyse2 komt de volgende toedracht van het ongeluk naar voren. De verdachte reed op 31 mei 2011 op de Zeddamseweg te Braamt, komende uit de richting van Doetinchem en rijdende in de richting van Zeddam. Bij nadering van de tweede rotonde is zij in een slip geraakt waardoor de auto de verhoogde verkeersgeleider opreed/slipte en vervolgens met de linker achterzijde tegen een verkeerspaal met verkeersbord die op de verkeersgeleider stond, is gebotst. De verkeerspaal met verkeersbord brak hierbij af en werd weggeworpen naar schuin linksvoor, richting de rotonde. De auto van verdachte maakte een bocht naar rechts en botste met de rechtervoorzijde tegen de linkerachterzijde van een andere auto, een Opel, die naast de verkeersgeleider voor de rotonde stond of langzaam reed.

Op het fiets/voetpad van de rotonde bevonden zich twee voetgangers. Één van de voetgangers is geraakt door de verkeerspaal met verkeersbord, nadat die door de auto van verdachte was omver gereden en weggeworpen. Van een technische reden voor het optreden van het ongeval is uit onderzoek niets gebleken.

Uit de verklaring van het slachtoffer, [slachtoffer A]3, blijkt onder meer dat hij op 31 mei 2011 slachtoffer is geworden van een verkeersongeval, waarbij hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit ongeval vond plaats rond 16.00 uur op de Zeddamseweg in Braamt. Op het moment dat hij en zijn vrouw de rotonde overstaken, zagen zij dat een witte auto behoorlijk hard tegen een stilstaande auto botste. Na de aanrijding zag hij een grote wolk van stof en glas en vervolgens vloog door die wolk een voorwerp dat tegen zijn benen kwam. Later in het ziekenhuis4 bleek dat hij zijn scheen- en kuitbeen gebroken had en dat de geschatte duur van genezing ongeveer zes tot acht maanden zou bedragen.

De verdachte heeft bij de politie5 en ter terechtzitting6 verklaard dat het klopt dat ze op

31 mei 2011 omstreeks 15.15 uur als bestuurster van een Volkswagen Polo op de Zeddamseweg in Braamt reed en dat daar een ongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft verder steeds verklaard dat ze zich niets van dat ongeval kan herinneren en dat ze een black-out heeft gehad. Net voor het ongeval voelde ze zich heel even anders dan normaal en was ze haar realiteitszin kwijt.

De rechtbank neemt, gelet op het ontbreken van een andere verklaring voor het optreden van het ongeval, als vaststaand aan dat de verdachte zeer kort voor het ongeval een black-out of een epileptische aanval heeft gehad en dat hierdoor een ongeval is veroorzaakt.

De volgende vraag waarvoor de rechtbank zich ziet geplaatst, is of het optreden van deze black-out/epileptische aanval niettemin voor rekening van verdachte komt en zodanig ernstig aan haar verweten moet worden dat sprake is van aanmerkelijke schuld. De wet eist voor een bewezenverklaring van het misdrijf van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 meer dan gewone schuld. Op zijn minst moet een aanmerkelijke mate van schuld bewezen kunnen worden.

Hiervoor acht de rechtbank de volgende omstandigheden van belang:

- de verdachte heeft 3,5 jaar geleden epilepsie gekregen en is daarvoor sindsdien onder behandeling van een neuroloog7;

- het is een feit van algemene bekendheid dat één van de symptomen van epilepsie is dat men plotseling voor kortere of langere tijd het bewustzijn kan verliezen;

- de verdachte heeft in deze 3,5 jaar ongeveer vijf keer een epileptische aanval gehad8;

- de verdachte gebruikt tegen deze epileptische aanvallen medicatie9;

- de verdachte heeft als bijwerkingen van de medicatie last gehad van duizeligheid en van stemmingswisselingen10;

- de verdachte heeft het met haar neuroloog nooit gehad over het gevaar van epileptische aanvallen tijdens het autorijden11;

- de verdachte heeft ongeveer drie weken voor het ongeval een nachtelijke aanval gehad waarvan zij klachten ondervond12;

- de verdachte heeft gewacht met het consulteren van haar neuroloog omdat ze kort daarna, te weten in de ochtend van 31 mei 2011, al een consult had gepland met de neuroloog13;

- de neuroloog die zij die ochtend van 31 mei 2011 heeft geconsulteerd, heeft verdachte gezegd dat zij erg verward overkwam14.

De rechtbank is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting tot het oordeel gekomen dat verdachte wist dan wel had moeten weten dat zij, in de wetenschap dat zij lijdt aan epilepsie en hiervoor medicijnen nam die mogelijk de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden, een risico nam door toch auto te gaan rijden, te meer omdat zij zich in de weken voor het ongeval niet goed voelde en ook die bewuste ochtend een warrige indruk maakte op de neuroloog die zij had bezocht voor een controleafspraak. Het feit dat zij nooit met de neuroloog had gesproken over het wel of niet besturen van een auto, doet onder de gegeven omstandigheden niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van verdachte om in het belang van de verkeersveiligheid passende maatregelen te nemen om te voorkomen dat zij als gemotoriseerde verkeersdeelnemer een ongeval zou veroorzaken. Door dit na te laten en als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer te gaan deelnemen heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam gehandeld en is de rechtbank van oordeel dat het verkeersongeval aan haar schuld, in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, te wijten is geweest.

Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor het primair15 ten laste gelegde.

5. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, in die zin dat:

zij op 31 mei 2011, te Braamt, althans in de gemeente Montferland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Zeddamseweg, aanmerkelijk onvoorzichtig terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, en/of (daarbij) niet op het voor haar gelegen gedeelte van die weg, Zeddamseweg, en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of (daarbij) haar aandacht niet, althans in onvoldoende mate op of bij het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad, en/of (daarbij) in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte, in staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij, die weg, de Zeddamseweg, kon overzien en waarover deze vrij was, en/of (daarbij) het motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of (vervolgens) in een slip is geraakt, en/of (vervolgens) kort voor het verkeersplein dat gevormd wordt door de kruising van de Zeddamseweg met de Koppelstraat is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een op een vluchtheuvel staande verkeerspaal met verkeersbord, welke vervolgens een voetganger, ([slachtoffer A]), heeft geraakt, en/of (vervolgens) is gebotst tegen een voor dat verkeersplein stilstaand motorrijtuig (personenauto, merk Opel, kenteken [kenteken 2]), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer A]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

6. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel

van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde feit:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die

de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

9. Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een geldboete van 1000 euro subsidiair 20 dagen hechtenis.

Door de raadsman van verdachte is geen strafmaatverweer gevoerd, maar is volstaan met het bepleiten van integrale vrijspraak.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als bestuurster van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt, als gevolg waarvan een voetganger zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Op verkeersdeelnemers rust een zorgplicht en verdachte is in dit opzicht ernstig tekort geschoten in haar verkeersgedrag. Het verwijt dat verdachte vooral te maken valt, is dat zij als bestuurster van een personenauto aan het verkeer is gaan deelnemen, terwijl zij wist dat zij aan epilepsie lijdt en daarvoor medicatie gebruikt. Verdachte heeft dus haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van haar medeweggebruikers onvoldoende in acht genomen.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg van Voorzitters van de Strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken wordt, voor iemand die voor het eerst met de strafrechter in aanraking komt ter zake van het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel, een uitgangspunt van drie weken gevangenisstraf en zes maanden ontzegging van de rijbevoegdheid gehanteerd.

Oplegging van een gevangenisstraf dan wel ter vervanging daarvan een werkstraf acht de rechtbank, het oriëntatiepunt ten spijt, evenwel gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval een te zware sanctie. De rechtbank zal daar dan ook niet toe overgaan.

De rechtbank slaat acht op het feit dat het ongeval voor verdachte verstrekkende gevolgen in haar persoonlijke leven heeft gehad en dat zij dit ongeval nog lange tijd met zich mee zal dragen. Vast is komen te staan dat zij getroffen is door hetgeen zij heeft aangericht en zich betrokken heeft getoond jegens de slachtoffers. Verdachte heeft -op advies van haar neuroloog- geen auto meer gereden sinds het ongeval. In deze feiten alsmede in het gegeven dat verdachte geen strafblad heeft, ziet de rechtbank aanleiding om de door de officier van justitie gevorderde geldboete in het geheel voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat daarnaast, in het belang van de verkeersveiligheid, een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden passend en geboden is. Deze (bijkomende) straf acht de rechtbank nodig om bij verdachte in te prenten dat zij in het vervolg voorzichtiger is, als zij zich na een (nachtelijke) epileptische aanval niet goed voelt en niet met die klachten kampend, zomaar in een auto stapt.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval

betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 1.000,00 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis;

* bepaalt, dat de geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt:

* ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

Aldus gewezen door mrs. Ouweneel, voorzitter, Kleinrensink en Djebali, rechters, in tegenwoordigheid van Vriezekolk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 september 2012.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer

PL0641/2011074362, politie Noord en Oost Gelderland, District Achterhoek, Team Doetinchem, gesloten en ondertekend op 17 oktober 2011

2 Proces-verbaal VerkeersOngevalAnalyse, ongenummerd

3 Proces-verbaal van verhoor van benadeelde, form.nr. 903090

4 Geneeskundige verklaring van het Slingeland Ziekenhuis, form.nr. 903164

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, form.nr. 793324

6 Proces-verbaal van terechtzitting van 11 september 2012

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, form.nr. 793324, blad 2

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, form.nr. 793324, blad 2,

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, form.nr. 793324, blad 2

10 Proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2012

11 Proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2012

12 Proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2012

13 Proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2012

14 Proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2012

15 wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer

PL0641/2011074362, politie Noord en Oost Gelderland, District Achterhoek, Team Doetinchem, gesloten en ondertekend op 17 oktober 2011