Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX8121

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
24-09-2012
Zaaknummer
126625 - HA ZA 11-947
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkrijgende verjaring ex artikel 3:105 BW. Rechtsvoorgangers van eisers hebben zich vanaf in ieder geval 1980 als bezitter gedragen en hun ondubbelzinnig bezit in ieder geval tot na 2000 onafgebroken voortgezet.

Het bestraten van de voorste strook grond en het bouwen van een carport op de achterste strook grond wijst op eigendomspretenties en niet op houderschap. Verjaringstermijn in 2000, maar in ieder geval in 2005 voltooid. Of bij de diverse opvolgende eigenaren al dan niet goede trouw aanwezig was, kan in het midden blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 126625 / HA ZA 11-947

Vonnis van 8 augustus 2012

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

2. [eiseres sub 2],

beiden wonende te [plaats ],

eisers,

advocaat mr. J.A.A.M. Rupert te Haaksbergen,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [plaats ],

gedaagden,

advocaat mr. J.H. Brouwer te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eisers] respectievelijk [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 maart 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 2 mei 2012

- het proces-verbaal van de voortzetting van de comparitie op 27 juni 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers] zijn sinds 2008 eigenaar van het perceel met woonhuis, ondergrond, erf en tuin aan de [adres 1 te plaats], kadastraal bekend [gemeente kasdastraalnummer 1].

[gedaagden] zijn sinds 2005 eigenaar van het perceel met woonhuis, ondergrond, erf en tuin aan de [adres 2 te plaats], kadastraal bekend [gemeente, kadastraalnummer 2].

De percelen van partijen grenzen aan elkaar. Tussen de beide woningen liggen naast elkaar de oprit naar de garage van [eisers] en de oprit naar de (afgesloten) carport van [gedaagden]. Tussen de garage en de carport bevindt zich de toegangsdeur naar de achtertuin van [eisers].

2.2. Op grond van omstreeks 1977/1980 gemaakte afspraken heeft de toenmalige eigenaar van het perceel [adres 1], de heer [naam A], een strook grond aan de straatzijde van het perceel [adres 2] (hierna: de voorste strook) in gebruik genomen en de toenmalige eigenaar van het perceel [adres 2], de heer [naam B], een strook grond aan de achterzijde van het perceel [adres 1] (hierna: de achterste strook).

De voorste strook is aan de straatkant ongeveer 1.25 meter breed. De voorste strook begint bij de in 2008 aangebrachte kadasterpin in de oprit van [adres 1] en loopt dan 1,25 meter in de richting van het perceel [adres 2]. De grens van deze voorste strook (hierna ook: de feitelijke grens) kruist op een afstand van 6.06 meter vanaf het trottoir de kadastrale grens.

De achterste strook begint op de kruising van de kadastrale grens met de feitelijke grens en loopt in een rechte lijn naar de erfgrens aan de achterzijde van het perceel [adres 1]. Deze achterste strook heeft ongeveer dezelfde oppervlakte als voorste strook.

Op de achterste strook staat deels een door de toenmalige eigenaar van [adres 2] in 1978 gebouwde carport. De wens deze carport te bouwen was toentertijd de reden voor de afspraken. Door de afspraken kon de eigenaar van [adres 1] over een bredere oprit naar zijn garage beschikken.

2.3. Toen [naam A] in 1985 het perceel [adres 1] verkocht aan de heer [naam C] werd de feitelijke grens aangegeven door een coniferenhaag. Deze coniferenhaag is op enig moment verwijderd en (deels) vervangen door een bloemborder. Toen [naam C] [adres 1] in 2008 verkocht aan [eisers] lag ongeveer in het midden van de opritten, waar de feitelijke erfgrens de kadastrale grens kruist, een bloemperkje. Voor het overige was en is de feitelijke erfgrens kenbaar door het verschil in bestrating tussen de opritten van [adres 2] en 9. In 2009 hebben [eisers] het bloemperkje vervangen door bestrating.

3. De vordering

3.1. [eisers] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

Primair:

I

voor recht zal verklaren dat de huidige feitelijke grens, welke grens feitelijk zichtbaar is door de verschillende wijze van bestrating van de op-/inritten, van de percelen tevens de juridische grens is tussen de percelen aan de [adres 2 en 1 te plaats], aan de straat met een breedte van 1 meter en 25 centimeter en schuin toelopend en de kadastrale lijn kruisend, over een afstand van 6 meter en 6 centimeter, met veroordeling van [gedaagden] op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag met een maximum van € 25.000,-- voor iedere dag dat zij weigeren hun medewerking te verlenen aan wijziging van de kadastrale inschrijving bij het Kadaster van de huidige feitelijke erfgrens;

II

[gedaagden] zal veroordelen om binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis het gedeelte aan de voorzijde van het perceel de [adres 1], 1,25 meter breed met een lengte van 6 meter en 6 centimeter schuin toelopend naar de kadastrale lijn, nog kadastraal bekend als de [gemeente kadastraalnummer 2], ontruimd te houden en dit gedeelte ter vrije beschikking te laten aan [eisers], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagden] in gebreke zijn aan dit vonnis te voldoen, zulks met een maximum van € 10.000,--;

III

[gedaagden] zal veroordelen tot betaling van de daadwerkelijk door [eisers] gemaakte buitengerechtelijke kosten zijnde een bedrag van € 2.250,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;

IV

[gedaagden] zal veroordelen in de kosten van het geding en daarbij op voorhand het nasalaris zal begroten op een bedrag van € 131,-- zonder betekening en € 199,-- met betekening van het ten deze te wijzen vonnis, het totaalbedrag aan proceskosten te vermeerderen met de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis indien en voor zover deze niet binnen de termijn zijn voldaan;

V

zal bevelen zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

Subsidiair

I

[gedaagden] zal veroordelen om de oude strook van [eisers], die thans bij [gedaagden] in gebruik is, zijnde het gedeelte beginnende op de kadastrale lijn vanaf 6 meter en 6 centimeter vanaf de voorzijde van het perceel de [adres 2], schuin toelopend naar de achterzijde van het perceel met een lengte van 26 meter schuin uitlopend naar de kadastrale lijn, waarbij aan de achterzijde van het perceel de strook een meter en 2 centimeter breed is, kadastraal bekend [gemeete kadastraalnummer 1], te ontruimen en ontruimd te houden, met amotie van de overbouw van hun carport, binnen twee weken na betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag of gedeelte van een dag, met een maximum van € 25.000,--;

II

[gedaagden] zal veroordelen tot betaling van de daadwerkelijk door [eisers] gemaakte buitengerechtelijke kosten zijnde een bedrag van € 2.250,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, dan wel een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;

III

[gedaagden] zal veroordelen in de kosten van het geding en daarbij op voorhand het nasalaris zal begroten op een bedrag van € 131,-- zonder betekening en € 199,-- met betekening van het ten deze te wijzen vonnis, het totaalbedrag aan proceskosten te vermeerderen met de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis indien en voor zover deze niet binnen de termijn zijn voldaan;

3.2. Aan deze vorderingen leggen zij in het licht van de vaststaande feiten het volgende ten grondslag.

De rechtsvoorgangers van partijen hebben tussen 1977 en 1980 grond geruild waardoor de rechtsvoorganger van [eisers] de voorste strook in bezit heeft gekregen en de rechtsvoorganger van [gedaagden] de achterste strook. Door die grondruil is de aanvankelijk (ten opzichte van de openbare weg) schuin lopende erfgrens rechtgetrokken.

Sinds die ruil hebben hun rechtsvoorgangers en ook [eisers] zelf onafgebroken en ongestoord de voorste strook in hun bezit gehad en gebruikt als onderdeel van hun oprit. De rechtsvoorganger van [eisers] is daardoor wegens langer dan 10 jaar onafgebroken bezit te goeder trouw al in 1998 eigenaar geworden van de voorste strook, althans is hun rechtsvoorganger op grond van artikel 3:105 van het Burgerlijk Wetboek (BW) uiterlijk 1 januari 2000 eigenaar geworden van die voorste strook, ook indien goede trouw bij hem zou hebben ontbroken. Verzuimd is deze grondruil in de kadasters vast te leggen. [eisers] bieden het perceel [adres 1] te koop aan en willen hun rechtsopvolgers duidelijkheid bieden over de perceelsgrenzen. Zij hebben er daarom belang bij dat komt vast te staan dat de feitelijke grens ook de juridische grens is en dat de registers in die zin worden aangepast, overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid sub e van artikel 3:17 BW in samenhang met artikel 5:47 BW en artikel 25 van de Kadasterwet.

Subsidiair, indien naar het oordeel van de rechtbank van verkrijgende verjaring geen sprake is, zal de feitelijke situatie moeten worden aangepast aan de juridische, zodat [eisers] ongestoord van hun perceel gebruik kunnen maken. Dat betekent dat [gedaagden] de achterste strook dienen te ontruimen en ontruimd te houden, hetgeen tevens betekent dat de overbouw van de carport verwijderd dient te worden.

4. Het verweer

4.1. [gedaagden] hebben geconcludeerd dat de rechtbank [eisers] in hun vorderingen niet ontvankelijk zal verklaren dan wel deze alle aan hen zal ontzeggen met veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure met inbegrip van het salaris van het procesadvocaat.

4.2. [eisers] en/of hun rechtsvoorgangers hebben de voorste strook niet als bezitter maar als houder voor [gedaagden] en hun rechtsvoorgangers gebruikt. Van grondruil is geen sprake geweest. [gedaagden] zijn eigenaar van de voorste strook.

5. De beoordeling

5.1. Artikel 3:105 BW bepaalt dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook al was zijn eigendom niet te goeder trouw. Bedoelde verjaringstermijn bedraagt in beginsel twintig jaar (art. 3:306 BW in combinatie met artikel 73 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek). Zij begint met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden of de onmiddellijke opheffing gevorderd kon worden van de toestand waarvan diens bezit de voortzetting vormt (art. 3:314 lid 2 BW). De verjaringstermijn loopt door zolang het goed in bezit is van een derde, ongeacht hoeveel opvolgende bezitters er zijn en op welke wijze zij het bezit hebben verkregen. Noodzakelijk is slechts dat de rechthebbende het bezit gedurende twintig jaar heeft moeten ontberen.

5.2. Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, wordt naar verkeersopvatting beoordeeld, met inachtneming van de in artikel 3:107 en verder BW neergelegde regels en overigens op grond van uiterlijke feiten. Artikel 3:113 BW bepaalt dat men een goed in bezit neemt door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen. Die machtsuitoefening door de inbezitnemer moet dusdanig zijn dat zij het bezit van de oorspronkelijke bezitnemer teniet doet. Voor het antwoord op de vraag of iemand de voor het aannemen van bezit vereiste macht over een goed uitoefent is niet beslissend of hij daartoe de (niet naar buiten toe blijkende) wil heeft, maar komt het aan op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden.

5.3. De maatstaven van art. 3:107 en verder BW wijken niet af van hetgeen gold vóór 1 januari 1992. Naar oud recht (art. 1992 BW (oud)) gold dat sprake moest zijn van “niet dubbelzinnig” bezit. Er is geen sprake van (ondubbelzinnig) bezit indien de machtsuitoefening met betrekking tot het goed evenzeer kan duiden op een gebruik als eigenaar als op een gebruik in een andere hoedanigheid, zoals bijvoorbeeld die van gebruiker krachtens een persoonlijk recht of een beperkt recht. Er is sprake van niet dubbelzinnig bezit wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Aldus is verzekerd dat van verjaring pas sprake kan zijn ingeval de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op verjaring wil beroepen, duidelijk kan opmaken dat deze pretendeert eigenaar te zijn, zodat hij tijdig maatregelen kan nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Laat de werkelijk rechthebbende die gelegenheid gedurende lange tijd voorbijgaan, dan kan hem uiteindelijk verjaring worden tegengeworpen. Verjaring dient ertoe de rechtstoestand in overeenstemming te brengen met de feitelijke toestand indien deze lang genoeg heeft bestaan.

5.4. In het onderhavige geval is voor het beroep op verjaring dus van doorslaggevend belang of, en zo ja, vanaf welk tijdstip de rechtsvoorgangers van [eisers] zich als bezitter van de voorste strook grond zijn gaan gedragen.

Nu [eisers] hebben gesteld dat de gestelde inbezitneming van de voorste strook door hun rechtsvoorgangers voortvloeit uit een grondruil waarbij de rechtsvoorganger van [gedaagden] de achterste strook in bezit kreeg en nam, acht de rechtbank bij de beoordeling van het onderhavige beroep op extinctieve verjaring bovendien van belang of en zo ja wanneer de rechtsvoorganger van [gedaagden] zich als bezitter van de achterste strook is gaan gedragen.

5.5. Of [naam A], de rechtsvoorganger van [eisers], zich heeft gedragen als bezitter van de voorste strook moet worden opgemaakt uit uiterlijke bezitsdaden, die ondubbelzinnig wijzen op zijn eigendomspretenties.

Het planten van een haag op de feitelijke erfgrens, waardoor de voorste strook uiterlijk tot het perceel [adres 1] is gaan horen is een dergelijke bezitsdaad. Dat geldt ook voor de bouw van de carport door [naam B] ([adres 2]) op de achterste strook, zonder dat een recht van opstal gevestigd was. Deze handelwijze van de toenmalige eigenaren duidt erop dat zij zich over en weer als bezitter en niet als houder van de respectieve stukken grond gedroegen. Ook de opvolgende eigenaar [naam C] van [adres 1] heeft zich steeds als bezitter gedragen. Zo staat vast dat [naam C] de voorste strook heeft voorzien van dezelfde bestrating als zijn oprit, maar geheel afwijkend van de bestrating van de oprit naast [adres 2] en dat hij op de feitelijke erfgrens een bloemborder heeft aangelegd, zodanig dat in het geval [gedaagde sub 1] dan wel [gedaagde sub 2] hun auto op de oprit van [adres 2] parkeerde de bijrijder moest uitstappen in de bloemborder. Gestel noch gebleken is dat [gedaagden] en/of hun rechtsvoorgangers ooit hebben gevorderd dit bloemperk te verplaatsen of te verwijderen.

Naar verkeersopvattingen duiden deze uiterlijke omstandigheden erop dat men zich als rechthebbende beschouwt.

Geoordeeld moet dan ook worden dat de bewoners van [adres 1] vanaf in ieder geval omstreeks 1980 zich als bezitter van de voorste strook zijn gaan gedragen en dat dit ondubbelzinnig bezit door de opvolgende eigenaren in ieder geval tot na 2000 onafgebroken is voortgezet.

5.6. [gedaagden] hebben aangevoerd dat hun rechtsvoorgangers niet als bezitter maar als houder de stroken grond over en weer in gebruik hebben genomen. Als onderbouwing van deze stelling hebben zij erop gewezen dat de door [eisers] gestelde grondruil niet notarieel of kadastraal is vastgelegd. Hun rechtsvoorganger [naam B] had eerder, rond 1973-1974, met zijn andere buurman van [adres 3] een vergelijkbare grondruil gepleegd en die is wel kadastraal vastgelegd. [gedaagden] betwisten dan ook de verklaring van [eisers] dat hun rechtsvoorgangers zich niet gerealiseerd hebben dat de grondruil kadastraal moest worden vastgelegd.

Dit verweer kan [gedaagden] niet baten. Het mag zo zijn dat hun rechtsvoorganger [naam B] wist dat grondruil kadastraal vastgelegd moest worden, daaruit blijkt niet dat ook de rechtsvoorganger [naam A] van [eisers] dat wist. Het enkele niet kadastraal registreren van de grondruil is -mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen- onvoldoende om te kunnen concluderen dat [naam A] meende houder in plaats van bezitter van de voorste strook te zijn.

De door [gedaagden] overgelegde verklaring van [naam B] van 3 mei 1977 waarin hij verklaart geen bezwaar te maken tegen de voorgenomen verbouwingsplannen van [naam A] leidt niet tot een ander oordeel. [gedaagden] hebben, zo blijkt uit hun conclusie, deze productie in het geding gebracht om hun stelling te onderbouwen dat beseft werd dat zaken soms vastgelegd moeten dan wel kunnen worden. Onbekend is of de verklaring is afgegeven vóór of nadat [naam B] en [naam A] de onder 2.2. bedoelde afspraken hebben gemaakt. Dat kan ook in het midden blijven, omdat uit het aan de gemeente verstrekken van een verklaring van geen bezwaar tegen de door [naam A] te bouwen carport omdat deze te dicht bij de perceelslijn zou worden opgericht, niet kan worden afgeleid dat [naam B] dacht bezitter te zijn van de voorste strook.

5.7. [gedaagden] hebben voorts nog aangevoerd dat het enkel bestraten van de voorste strook met een ander motief dan de oprit van [gedaagden] niet duidt op eigendomspretentie omdat een dergelijke handeling ook door een huurder, pachter, vruchtgebruiker of bruiklener kan zijn verricht, maar ook dat verweer houdt geen stand. Gesteld noch gebleken is dat [eisers] en/of hun rechtsvoorgangers op enig ogenblik de voorste strook hebben gehuurd, gepacht of in vruchtgebruik dan wel bruikleen hebben gehad. Daar komt bij dat de rechtbank het oordeel dat [eisers] en hun rechtsvoorgangers enerzijds en [gedaagden] en hun rechtsvoorgangers anderzijds tot [eisers] de erfgrenskwestie bij [gedaagden] aan de orde hebben gesteld, zich altijd hebben gedragen als waren zij bezitter van de geruilde stroken grond niet alleen baseert op het bestraten van de voorste strook door (de rechtsvoorgangers van) [eisers], maar onder meer ook op het bouwen van een carport op de achterste strook door de rechtsvoorganger van [gedaagden]. Een dergelijke handelwijze verdraagt zich niet met het enkel in bruikleen hebben van een strook grond, maar wijst veeleer op eigendomspretenties.

5.8. Zoals reeds is overwogen is voor verkrijging uit hoofde van art. 3:105 BW slechts vereist dat de verkrijger het bezit heeft op het moment waarop de extinctieve verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het bezit wordt voltooid.

Ervan uitgaande dat het bezit van de voorste strook door de rechtsvoorgangers van [eisers] uiterlijk in 1980 is begonnen, zoals [eisers] hebben gesteld, dan is de verjaringstermijn van 20 jaar in het jaar 2000 verstreken.

Uit de stellingen van partijen blijkt niet wanneer [naam A] de heg op de feitelijke grens langs de voorste strook heeft geplant. Wel staat vast dat deze heg in ieder geval in 1985, toen [naam C] [adres 1] kocht, de feitelijke grens aangaf. Zou er om die reden van uitgegaan worden dat de verjaringstermijn eerst in 1985 is begonnen, dan is die termijn in 2005 voltooid. De eigendom van de voorste strook is derhalve in 2000 dan wel in 2005 door verjaring al verkregen door de toenmalige eigenaar van het perceel [adres 1], waarna [eisers] door levering eigenaar zijn geworden.

Nu de hiervoor onder 5.5. besproken feitelijke handelingen, die als bezitsdaden hebben te gelden, als zodanig niet zijn betwist, wordt aan (verdere) bewijslevering niet toegekomen.

5.9. Of bij de diverse opvolgende eigenaren van het perceel van [eisers] goede trouw aanwezig was of ontbrak kan, gelet op het voorgaande, in het midden blijven.

5.10. Het oordeel dat [eisers] eigenaar zijn van de voorste strook leidt tot toewijzing van de primaire vorderingen onder I en II als na te noemen. De rechtbank begrijpt uit de redactie van de vordering onder I met inachtneming van hetgeen onder 16 van de dagvaarding is opgenomen dat beoogd is ook te vorderen [gedaagden] te veroordelen hun medewerking te verlenen aan de wijziging van de kadastrale inschrijving van de huidige feitelijke grens als kadastrale grens. Deze kennelijk beoogde vordering zal niet worden toegewezen, omdat de medewerking van [gedaagden] niet vereist is, gelet op het bepaalde in artikel 25 van de Kadasterwet en [eisers] derhalve bij dit onderdeel van hun vordering geen belang hebben.

5.11. De onder II gevorderde dwangsom en het daaraan te verbinden maximum zullen gematigd worden. Het bedrag van zowel de aldus bepaalde dwangsom als de het daaraan verbonden maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde prikkelende werking van de dwangsomoplegging.

5.12. De primaire vordering onder III zal worden afgewezen, nu niet althans onvoldoende onderbouwd is gesteld, noch is gebleken dat er aan de zijde van [gedaagden] een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat.

5.13. Nu de primaire vorderingen (deels) worden toegewezen, behoeven de subsidiaire vorderingen geen bespreking meer, nu zij kennelijk zijn ingesteld voor het geval het primair onder I en II gevorderde niet zou worden toegewezen.

5.14. [gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld worden in de kosten van deze procedure. Deze worden begroot als volgt:

- dagvaarding € 100,81

- griffierecht 267,--

- salaris advocaat 1.356,-- (3 punten × factor 1,0 × tarief € 452,--)

Totaal € 1.723,81

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. verklaart voor recht dat de huidige feitelijke grens van de percelen, welke grens zichtbaar is door de verschillende wijze van bestrating van de op-/inritten, tevens de juridische grens is tussen de percelen aan de [adres 2 en 1 te plaats], met dien verstande dat de voorste strook als gedefinieerd in rechtsoverweging 2.2 deel uitmaakt van het perceel [adres 1];

6.2. veroordeelt [gedaagden] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de voorste strook ontruimd te houden en dit gedeelte ter vrije beschikking te laten aan [eisers];

6.3. veroordeelt [gedaagden] tot betaling van een dwangsom van € 100,-- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2] met dit ontruimd houden in gebreke zijn of blijven, zulks met een maximum van € 10.000,--;

6.4. veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eisers] gevallen en begroot op € 1.723,81,--, alsmede in de nakosten aan de zijde van [eisers] begroot op een bedrag van € 131,-- ter zake van salaris van de advocaat en veroordeelt [gedaagden] voorwaardelijk, voor het geval zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan de in dit vonnis uitgesproken veroordeling voldoen en indien betekening plaatsvindt en noodzakelijk is, in de kosten van betekening, tot op heden begroot op € 68,-- voor salaris van de advocaat en de kosten van het betekeningsexploot, het totaalbedrag aan proceskosten vermeerderd met de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het wijze van het vonnis indien en voor zover deze niet binnen de termijn zijn voldaan;

6.5. verklaart de veroordelingen onder 6.2, 6.3 en 6.4 uitvoerbaar bij voorraad;

6.6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2012.