Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX7620

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
18-09-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
06/940214-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag. Veroordeeld voor zware mishandeling tot een gevangenisstraf van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en onder andere de bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering en een agressieregulatietraniing volgt. Daarnaast een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Schadevergoeding voor de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940214-11

Uitspraak d.d.: 18 september 2012

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1991],

wonende te [plaats, adres].

Raadsvrouw: mr. M.J.G. Jolink, advocaat te Harderwijk.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

4 september 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 mei 2011 te Apeldoorn ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te

beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een ratel (moersleutel), althans met

een hard (metalen) voorwerp, eenmaal of meermalen met kracht tegen het hoofd

heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 15 mei 2011 te Apeldoorn aan [slachtoffer] opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel (een (grotendeels) losgescheurd (linker)oor en/of een

gapende (diepe) hoofdwond en/of een hersenschudding), heeft toegebracht, door

deze opzettelijk met een ratel (moersleutel), althans met een hard (metalen)

voorwerp, eenmaal of meermalen met kracht tegen het hoofd te slaan;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie aangegeven welke bewijsmiddelen daartoe voorhanden zijn.

Standpunt van de verdediging

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de aanleiding bij de beoordeling van het voorval meegenomen dient te worden. Zij heeft, zakelijk weergegeven, bepleit verdachte van het primair ten laste gelegde vrij te spreken, nu verdachte niet de opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het van het leven beroven van aangever. Met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde is door de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte niet de opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Zij heeft zich voorts met betrekking tot een eventuele bewezenverklaring van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs aanwezig is voor het primair ten laste gelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven heeft geroepen, noch is uit het verhandelde ter terechtzitting gebleken dat verdachte die kans heeft aanvaard.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig én overtuigend bewijs aanwezig is voor het subsidiair ten laste gelegde.

De rechtbank acht voor haar bewijsoordelen de volgende bewijsmiddelen redengevend.

Door de heer [slachtoffer] is aangifte gedaan. Hij heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij 14 mei 2011 met twee buurjongens en een vriend op een groep jongens afliep aan De Burcht te Apeldoorn. Hij wilde hen zeggen dat ze weg moesten gaan. Hierna weet aangever niets meer. Hij kwam weer bij kennis in de ziekenauto. In het ziekenhuis werd een hersenschudding geconstateerd. Het linkeroor van aangever lag open, het lag er bijna los bij. Er zijn twaalf hechtingen gezet. Op de linker voorzijde van het voorhoofd zit een snee (twee hechtingen). In het ziekenhuis zeiden ze dat hij een gapende wond had. Aangever weet nog dat de lange jongen hem heeft geslagen2.

Door getuige [getuige A] is, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij 14 mei 2011 aan De Burcht te Apeldoorn was. Omstreeks 22.00 uur is getuige met zijn broer, [broer getuige A] en buurman [slachtoffer] naar buiten gegaan om een groep rondhangende groep jongens aan te spreken. Getuige zag dat één van de jongens een soort ratel van ijzer in zijn hand had. De jongen sloeg hiermee met volle kracht en raakte aangever aan de linkerzijkant van zijn hoofd. De jongen heeft één of twee keer geslagen. De oorlel van aangever was afgescheurd en hing aan een draadje vast3.

Door getuige [getuige B] is, zakelijk weergegeven, verklaard met betrekking tot het incident op 14 mei 2011 aan de Burcht te Apeldoorn dat hij daar onder andere met verdachte aan het chillen was. Een man kwam met drie Turken of Marokkanen op hen af. Verdachte sloeg die man op een gegeven moment met een ratel4.

Door verdachte is, zakelijk weergegeven, verklaard dat ze met een paar jongens gezellig stonden te chillen achter in de wijk Het Woudhuis. Er kwam een man aan met drie andere mannen. Toen verdachte de mannen aan zag komen, voelde hij zich een beetje in het nauw gedreven en daarom pakte hij de slinger uit de auto, om ze af te schrikken. Verdachte heeft de man twee keer geslagen met de slinger. Hij sloeg op het hoofd van de man5.

Dat naar aanleiding van het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt bij aangever blijkt ook uit de volgende stukken.

Uit de geneeskundige verklaring d.d. 24 mei 2011 kan, onder meer, worden opgemaakt dat bij aangever wonden zijn geconstateerd op het voorhoofd en het linkeroor. Voorts zou aangever ten tijde van het onderzoek na mishandeling ook gedesoriënteerd zijn geweest in tijd/plaats6.

Uit de journaalregels van de huisarts van aangever, J.H. van der Lugt, blijkt, zakelijk weergegeven, dat verdachte na de mishandeling een scheur in het oor had welke is gehecht en een wond op zijn voorhoofd. Ook heeft aangever klachten die duidelijk passen bij een hersenschudding.

Zoals ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de stukken die zich bevinden bij de civiele vordering kan worden afgeleid, dat aangever als gevolg van het opgelopen letsel thans nog steeds behoorlijk is beperkt in zijn functioneren. Het is moeilijk aan te geven of volledig herstel mogelijk zal zijn.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

subsidiair:

hij omstreeks 15 mei 2011 te Apeldoorn aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel een (grotendeels) losgescheurd linkeroor en een gapende (diepe) hoofdwond en een hersenschudding, heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een ratel (moersleutel), meermalen met kracht tegen het hoofd te slaan.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

subsidiair: zware mishandeling

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drieënhalf jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden: een meldingsgebod en zich gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt het volgen van een agressieregulatietraining.

De raadsvrouw heeft ingeval van een eventuele bewezenverklaring een lagere straf bepleit, gelet op het tijdsbestek en het al lang goedlopende reclasseringscontact. Verdachte ziet in dat wat hij heeft gedaan niet goed is. De raadsvrouw heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen, met daarnaast een grote voorwaardelijke straf, met daaraan gekoppeld reclasseringscontact en het volgen van trainingen, alsmede een werkstraf.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit. Verdachte en zijn vrienden werden door aangever gemaand weg te gaan van hun 'hangplek' in de buurt van de woning van aangever. Uit de stukken komt naar voren dat deze aanmaning door aangever op een niet al te vriendelijke wijze gebeurde, zo geeft aangever zelf ook toe. De situatie liep vervolgens compleet uit de hand en verdachte heeft buiten alle proporties gereageerd door aangever met een ijzeren ratel meermalen op het hoofd te slaan, waardoor aangever bewusteloos raakte en zwaar letsel heeft opgelopen, waarvan hij wellicht nooit geheel zal herstellen. Naast de zeer ernstige gevolgen van het handelen van verdachte voor het directe slachtoffer heeft een dergelijk feit ook negatieve gevolgen voor het gevoel van veiligheid in de samenleving.

Ondanks de ernst van het strafbare feit komt de strafeis van de officier van justitie de rechtbank bovenmatig voor. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat deze eis enkel is ingegeven uit vergeldingsoogpunt. De rechtbank heeft daarnaast echter ook op de volgende factoren acht geslagen:

- de rechtbank acht een lichter feit bewezen dan de officier van justitie;

- er is sprake van een aanzienlijk tijdsverloop: tussen inverzekeringstelling en behandeling ter terechtzitting is een periode van meer dan 15 maanden verstreken;

- de nog jeugdige leeftijd van verdachte;

- verdachte is reeds zeer geruime tijd geleden en wel met ingang van 27 mei 2011 geschorst uit de voorlopige hechtenis, heeft, blijkens een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister7, geen strafblad en heeft positief gedrag getoond tijdens de schorsing;

- naast preventieve werking dient strafoplegging bij nog jeugdige verdachten ook in dienst te staan van gedragsbeïnvloeding.

De rechtbank heeft voorts bij de strafoplegging rekening gehouden met het reclasseringsadvies d.d. 18 juli 2011. Hieruit blijkt, zakelijk weergegeven, dat de indruk bestaat dat onder andere groepsgedrag heeft meegespeeld bij het gebeuren, maar ook een te beperkt arsenaal aan sociale vaardigheden of meer specifiek een agressieregulatieprobleem. Het reclasseringstoezicht dat in het kader van de schorsing is opgelegd verloopt positief. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag gemiddeld. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: meldingsgebod (binnen drie dagen volgend op het vonnis telefonisch melden en daarna zo vaak als nodig geacht) en een gedragsinterventie (deelname aan een Agressieregulatietraining, verzorgd door het Leger des Heils)

Alles overwegende komt de rechtbank tot de oplegging van een gevangenisstraf van twaalf (12) maanden. De rechtbank zal deze gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen, om verdachte ervan te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer pleegt. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld als genoemd in het reclasseringsrapport. De proeftijd zal worden gesteld op twee (twee) jaren.

Daarnaast legt de rechtbank gelet op de ernst van het feit de maximale werkstraf op van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij, [slachtoffer] (gemachtigde mr. B. van der Kraats) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 11.411,60 gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van tenlastegelegde.

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de vordering niet eenvoudig van aard is. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering te matigen. De post 'diversen' is onvoldoende onderbouwd, evenals de opgevoerde kosten voor mantelzorg. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat het smartengeld moeilijk vast te stellen is.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De volgende posten acht de rechtbank voor toewijzing vatbaar:

- medische kosten (€ 235,64 + € 184,11);

- telefoonkosten (€ 5,-);

- verlies verdienvermogen (€ 600,-);

- een deel van het gevorderde smartengeld (€ 3.000).

Het toegewezen bedrag met betrekking tot het smartengeld wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 14 mei 2011.

De bedragen van de overige toegewezen posten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2012, te weten de datum van de terechtzitting.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert (voor wat betreft de posten 'mantelzorg' en het overige deel van het gevorderde smartengeld), dan wel de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd (voor wat betreft de posten 'hulp' en 'kledingschade').

De benadeelde partij kan derhalve dit deel van haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze golden ten tijde van het bewezenverklaarde feit.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

zware mishandeling;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

* bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren de navolgende algemene dan wel bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* legt als algemene voorwaarden op dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* legt als bijzondere voorwaarden op dat de veroordeelde:

- contact onderhoudt met de reclassering zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich binnen drie (3) dagen volgend op het vonnis telefonisch zal melden bij de Reclassering Unit Zutphen (0575-582744) en zich daarna zal melden zo vaak als de Reclassering nodig acht;

- deelneemt aan een Agressieregulatietraining, verzorgd door het Leger des Heils;

- zich overigens gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, voor zover en zolang als dat door de reclassering noodzakelijk wordt geacht;

* geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

* beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] (gemachtigde mr. B. van der Kraats), van een bedrag van in totaal € 4.024,95 (waarvan € 1.024,95 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2012 en € 3.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2011) en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 4.024,95 95 (waarvan € 1.024,95 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 september 2012 en € 3.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2011), met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 50 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Roelvink, voorzitter, Van der Hooft en Ouweneel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Oosten-Boksem, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 september 2012.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 2011065728, Politie Noord en Oost Gelderland, Team Recherche Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 31 augustus 2011.

2 Proces-verbaal aangifte door [slachtoffer], p. 74-76

3 Proces-verbaal verklaring [getuige A], p.53-55

4 Proces-verbaal verklaring [getuige B], p. 68-71

5 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 90-97

6 Geneeskundige verklaring, p. 81

7 Uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 23 april 2012