Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX7594

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
18-09-2012
Zaaknummer
06-940348-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940348-11

Uitspraak d.d. 21 augustus 2012

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1964],

wonende te [plaats, adres].

Raadsman: mr. W. Vahl, advocaat te Barneveld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 augustus 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 augustus 2011 te Apeldoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer A] meermalen, althans eenmaal, met een hooivork/riek op/tegen het lichaam heeft gestoken en/of geslagen en/of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 29 augustus 2011 te Apeldoorn opzettelijk [slachtoffer A] heeft mishandeld,

bestaande die mishandeling van die [slachtoffer A] voornoemd uit het meermalen, althans eenmaal, met een hooivork/riek steken/slaan/duwen op/tegen het lichaam van die [slachtoffer A], waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 29 augustus 2011 te Apeldoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer B], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer B] met een hooivork/riek op/tegen het gezicht heeft gestoken/geslagen en/of meermalen, althans eenmaal, met die hoovork/riek in de

richting van het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer B] heeft gestoken/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 29 augustus 2011 te Apeldoorn opzettelijk [slachtoffer B] heeft mishandeld,

bestaande die mishandeling van die [slachtoffer B] voornoemd uit het met een hooivork/riek steken/slaan/duwen op/tegen het gezicht van die [slachtoffer B] waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 29 augustus 2011 omstreeks 21.26 uur kreeg de regionale meldkamer Oost Nederland de melding van een aanrijding met uitsluitend materiële schade. De aanrijding vond plaats op de parkeerplaats van winkelcentrum De Mheen, gelegen aan het Korianderplein in Apeldoorn.

De politie was om 21.36 uur ter plaatse en er begonnen mensen met elkaar te vechten.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaringen van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde. Hij heeft ter terechtzitting de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde niet kan worden bewezen verklaard. Daartoe heeft hij allereerst aangevoerd dat er geen sprake is van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Als verdachte de intentie had gehad om aangevers te steken dan was hem dat gelet op de lengte van de hooivork en het postuur van verdachte zeker gelukt. De raadsman heeft eveneens vrijspraak bepleit van het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde. In dit verband heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van getuige [getuige A] niet kan worden meegenomen nu hij een onbetrouwbare getuige is gelet op de omstandigheid dat de raadsman ambtshalve bekend is dat [getuige A] bekend staat als vuurwapengevaarlijk. Dit gegeven zou van belang kunnen zijn bij de twee personen die in de buurt stonden van de vechtpartij en geen getuigenverklaringen durfden af te leggen, omdat zij bang waren voor de groep waarvan de slachtoffers deel uit maakten. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van de aangevers en de getuigen onderling niet overeenkomen en derhalve niet kunnen bijdragen aan het bewijs.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de feiten gelet op hun onderlinge samenhang tegelijk beoordelen, waarbij elk bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts is gebruikt ten aanzien van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Aangever [slachtoffer A] heeft bij de politie verklaard dat hij op 29 augustus 2011, tussen 21.15 uur en 22.00 uur op het Korianderplein in Apeldoorn was.2 Hij en zijn vriend [slachtoffer B] reden met de auto van [slachtoffer B] naar het plein. [slachtoffer B] bestuurde de auto en [slachtoffer A] zat op de passagiersstoel. Op de parkeerplaats reed [slachtoffer B] met de auto tegen een geparkeerde autoambulance. Daarop ontstond een woordenwisseling met de vrouw uit de autoambulance. Op een gegeven moment kwam een man (naar later bleek de echtgenoot van de vrouw) aanrijden. De man bleef rustig en de vrouw bleef emotioneel. Op een later moment kwam nog een man (naar later bleek: de zoon van de man en vrouw) ook aanlopen. Terwijl [slachtoffer A] op de grond lag te stoeien met de zoon, voelde hij ineens een brandende pijn in zijn linkerzij. Hij keek op en zag de vader met zijn hooivork staan. Hij begreep gelijk dat de vader hem had gestoken.3 Naar aanleiding van het steken had [slachtoffer A] een steekwond in zijn linkerzij van ongeveer anderhalf tot twee centimeter. Onder die wond had hij een schaaf- cq. kraswond van de andere tand van de vork.4

[slachtoffer A] kon de man die de hooivork vasthield als volgt omschrijven: een blanke, man, ongeveer 1.90 meter lang, met een normaal postuur, geen gezichtsbeharing, ongeveer tussen 38 en 42 jaar oud, brildragend, donkerbruin kort krullend haar en een zwarte blouse met korte mouwen. De hooivork was volgens [slachtoffer A] in zijn geheel ongeveer twee meter lang. Het houten gedeelte was houtkleurig en was voorzien van donkerkleurige punten.5

Uit het letselrapport blijkt dat op de linkerflank van [slachtoffer A], 15 centimeter onder de linkeroksel, op de huid boogvormig letsel zichtbaar was. Aan de buitenzijde week de huid drie millimeter en dit liep druppelvormig uit in een rode lijn van ruim twee centimeter. Waar de huid week, waren de randen van de huid scherp. Dertien centimeter onder deze boogvormige laesie was de huid ovaalvormig rood gekleurd op een kleine oppervlakte van 1 centimeter x 0,2 centimeter. In het bovenste deel was een streepvormige korst zichtbaar. Richting de rug liep dit uit in een rode streep van maximaal één centimeter.6

Aangever [slachtoffer B] heeft bij de politie verklaard dat hij op 29 augustus 2011 omstreeks 21.15 uur als bestuurder betrokken was bij een aanrijding met zijn auto op de parkeerplaats van het winkelcentrum De Mheen aan het Korianderplein te Apeldoorn. Hij bestuurde op dat moment het voertuig en naast hem zat zijn vriend [slachtoffer A]. [slachtoffer B] reed met zijn auto op een aldaar stilstaande autoambulance.7 Toen kwam er een dunnere lange man, met een hark. Die man was ongeveer twee meter lang, met een zwart T-shirt en donker/zwart krullend haar tot in zijn nek. Hij was tussen de 40 en 45 jaar. Die man kwam op [slachtoffer B] afgelopen en zwaaide met die hark naar het hoofd van [slachtoffer B]. Hij werd toen met de metalen punten van die hark op zijn rechter oog geraakt. Hij voelde op dat moment geen pijn. Later in de avond en de nacht had hij wel pijn aan zijn oog.8 Ten gevolgde van de slag met de hark had [slachtoffer B] een wondje bij of net onder zijn rechter oog.9

In het proces-verbaal van bevindingen is door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gerelateerd dat zij op 29 augustus 2011 duidelijk herkenbaar als politieambtenaren naar de parkeerplaats van het Korianderplein in Apeldoorn waren gereden. Zij renden in de richting van de vechtende groep mensen.10 [verbalisant 2] riep met luide stem: "politie, politie." Toen zij op ongeveer twee meter van de groep verwijderd waren, zag [verbalisant 1] dat er een grote blanke man - naar later bleek verdachte - met een stok op een aantal mensen uit de groep aan het porren cq slaan was. [verbalisant 2] zag dat een grote blanke man een stok met aan het uiteinde twee pinnen, die zij herkende als hooivork, in zijn handen had. [verbalisant 2] zag dat de blanke man met de punten van deze hooivork op een aantal mensen uit de groep, die inmiddels op de grond lag, aan het insteken was. [verbalisant 1] liep direct op de grote blanke man met de houten stok af. [verbalisant 1] zag dat de grote blanke man nog steeds met een stok, naar later bleek een hooivork, aan het porren was richting enkele personen die op de grond lagen. Hij naderde de grote blanke man van achteren en riep met luide stem: "stop politie, stop politie." Hij zag dat de man hier geen gevolg aan gaf. Hierop sloeg hij met zijn wapenstok op het linkerbovenbeen van de grote blanke man. Hij sloeg de man ongeveer drie keer met kracht op zijn bovenbeen en zag dat dit geen effect had.

[verbalisant 2] liep op de grote blanke man af. Zij riep met luide stem:"stoppen politie." Zij zag dat de man bleef prikken met de hooivork op enkele mensen die op de grond lagen. Hierop heeft zij haar pepperspray gepakt en gedurende twee seconden de man in zijn gezicht gesprayd. Zij zag dat dit geen effect had en dat de man bleef prikken en dreigen met de hooivork.

Intussen had ook [verbalisant 1] zijn pepperspray gepakt en sprayde hij de grote blanke man gedurende twee seconden in zijn gezicht. [verbalisant 1] zag dat dit niet direct het gewenste effect had. [verbalisant 2] zag nog steeds een groep vechtende mensen op de grond liggen met hierboven de grote blanke man met de hooivork, die op de groep bleef inprikken. Hierop pakte zij haar vuurwapen en riep met luide stem: "vuurwapen". Zij zag dat de groep bleef vechten en dat de vechtende mensen niet reageerden op haar aanroepen. Teneinde de aanval van de grote blanke man met de hooivork te stoppen, heeft zij haar vuurwapen in de lucht gericht en een schot in de lucht gelost. [verbalisant 2] zag dat de vechtende mensen uit de groep, inclusief de man met de hooivork, opkeken en stopten met vechten.11 [verbalisant 1] zag dat de grote blanke man stopte met het porren met de stok.12

Getuige [getuige A] heeft bij de politie verklaard dat hij op 29 augustus 2011 met zijn neef [getuige B] naar de aanrijding op de parkeerplaats bij het winkelcentrum De Mheen in Apeldoorn is gegaan.13 De man met de hooivork probeerde [slachtoffer B], de neef van getuige [getuige A] te steken.14

Getuige [getuige B] heeft bij de politie verklaard dat hij op 29 augustus 2011 met zijn neef [getuige A] naar de aanrijding op de parkeerplaats bij het winkelcentrum De Mheen in Apeldoorn is gegaan.15 De man met de hooivork wilde hen aanvallen. Hij maakte stekende bewegingen, aldus [getuige B].16

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij door zijn vrouw was opgebeld dat op een parkeerplaats een persoon achter op haar vrachtwagen had gereden. Verdachte hoorde door de telefoon dat zij ernstig werd bedreigd.17 Ter plaatse gekomen zag verdachte zijn zoon naar de jongens toelopen en hij hoorde hem vragen: "wie bedreigde mijn moeder." Verdachte zag dat er vier of vijf jongens boven op zijn zoon sprongen. Hij zag dat zijn zoon het onderspit aan het delven was, voor het gevoel van verdachte trapten ze hem voor zijn ogen dood. Verdachte kreeg een waas voor zijn ogen. In blinde paniek heeft hij iets uit zijn auto gepakt en wilde de ruziezoekers van zijn zoon afduwen. Hij pakte een riek en begon te schreeuwen dat ze moesten ophouden. Hij ging met de riek duwen en zwaaien om indruk te maken dat ze ophielden en hij schreeuwde ook: "ophouden."18 Verdachte heeft deze verklaring bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting bevestigd en herhaald.

Ten aanzien van de verweren van raadsman aangaande de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en de getuigen [getuige A] en [getuige B] overweegt de rechtbank als volgt.

De stelling van de raadsman dat de getuigenverklaring van [getuige A] onbetrouwbaar zou zijn vanwege zijn strafblad en omdat hij als vuurwapengevaarlijk bekend staat en de overige aanwezige personen daarom geen verklaringen durfde af te leggen, acht de rechtbank in het geheel niet aannemelijk geworden. Uit het dossier is de rechtbank niet gebleken dat de overige aanwezige personen bij de vechtpartij op de hoogte waren van enige reputatie van [getuige A] dan wel dat zij bang waren voor de groep in zijn geheel.

De rechtbank heeft vervolgens, anders dan de raadsman, geen reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers [slachtoffer A] en [slachtoffer B] en de getuigen [getuige A] en [getuige B]. Deze verklaringen komen in grote lijnen overeen en verschillen slechts in detail van elkaar. Dat aangevers en getuigen niet allen telkens een identieke gang van zaken betreffende de vechtpartij beschrijven, acht de rechtbank verklaarbaar, gelet op de commotie ter plaatse en de verschillen in herinneringsvermogen die tussen mensen bestaan. Op de belangrijkste punten verschillen hun verklaringen niet.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte met de hooivork stekende bewegingen heeft gemaakt naar de vechtende mensen op de grond. Daarbij heeft verdachte aangever [slachtoffer A] geraakt waardoor [slachtoffer A] op zijn linkerflank, 15 centimeter onder zijn oksel, letsel heeft opgelopen zoals hiervoor is omschreven. Daarnaast heeft verdachte aangever [slachtoffer B] vlak bij zijn rechteroog geraakt waardoor [slachtoffer B] letsel heeft opgelopen bij of net onder zijn rechteroog. De vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. De flanken, zeker vlak bij de oksel, en het gezicht, in het bijzonder in de buurt van de ogen, zijn over het algemeen zeer kwetsbaar. Gezien de plekken waar verdachte aangevers met de hooivork heeft geraakt, hadden aangevers gemakkelijk letsel kunnen oplopen. De kans dat oogletsel of letsel aan de flank blijvend is of zeer langzaam heelt, is bepaald niet denkbeeldig. Ook de kans op letsel aan de nabij de flank gelegen organen en (daardoor) blijvend letsel is aanmerkelijk te noemen. Door op de bovenomschreven wijze met de hooivork de flank en het gezicht van aangevers te raken terwijl bekend is dat het binnendringen van de punten van de hooivork in het menselijk lichaam zeer ernstige gevolgen kan hebben, heeft verdachte dan ook willens en wetens de kans aanvaard op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en levert zijn handelen dus twee maal een poging tot zware mishandeling op. Op grond van de verklaringen van aangevers en getuigen acht de rechtbank het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1 primair.

hij op of omstreeks 29 augustus 2011 te Apeldoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer A], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer A] meermalen, althans eenmaal, met een hooivork/riek op/tegen het lichaam heeft gestoken en/of geslagen en/of geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 primair.

hij op of omstreeks 29 augustus 2011 te Apeldoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer B], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer B] met een hooivork/riek op/tegen het gezicht heeft gestoken/geslagen en/of meermalen, althans eenmaal, met die hooivork/riek in de

richting van het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer B] heeft gestoken/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Bespreking van het beroep op noodweer

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair dan wel subsidiair en 2 primair dan wel subsidiair tenlastegelegde heeft gehandeld uit noodweer, zodat hij voor deze feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het gehanteerde geweld niet disproportioneel is geweest.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer moet worden verworpen nu aan het vereiste van een geboden verdediging niet is voldaan. Het gebruik van een hooivork om te proberen het geweld te beëindigen was volstrekt disproportioneel en het was contra-effectief, aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Er is sprake van noodweer als het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Gelet op de stukken in het dossier en het verhandelde te terechtzitting acht de rechtbank het volgende van belang.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij zag dat zijn zoon op de grond lag en door meerdere personen werd geschopt en geslagen en dat hij bang was dat zijn zoon ten gevolge daarvan zou komen te overlijden. Hij heeft vervolgens een hooivork gepakt om zijn zoon te ontzetten.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de bedreigende en agressieve omstandigheden van het onderhavige geval, aannemelijk is geworden dat van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de zoon van verdachte sprake is geweest, waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs diende te verdedigen.

De wijze waarop de verdachte zich vervolgens heeft verdedigd staat naar het oordeel van de rechtbank echter aan een geslaagd beroep op noodweer in de weg.

Voorop staat dat de manier van verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding in een redelijke verhouding moet staan met de aard en het dreigende gevaar van die aanranding. Van een dergelijke proportionele wijze van verdedigen is in dit geval geen sprake. Dat van de verdachte een hoge snelheid van handelen werd vereist in een voor hem gevaarlijke, voortdurende situatie, had hem niet mogen beletten alternatieve middelen te hanteren. De ernst van de aanranding door de aangevers was van beduidend minder gewicht dan de ernst van de mogelijke consequenties van het gebruik van de hooivork, waarvan verdachte zich, gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, bewust moet zijn geweest. De verdachte had op de aanranding door de aangevers op een minder vergaande manier dienen te reageren. Door met een hooivork stekende of zwaaiende bewegingen te maken heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangevers door de hooivork zouden worden geraakt, terwijl bekend is dat het binnendringen van de punten van de hooivork in het menselijk lichaam zeer ernstige gevolgen kan hebben.

Verdachte heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Het beroep op noodweer kan daarom niet slagen, reden waarom de rechtbank dit beroep verwerpt.

Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar en levert op de misdrijven:

Feit 1 primair en feit 2 primair telkens: poging tot zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Beroep op noodweerexces

De raadsman heeft ter terechtzitting subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces en betoogd dat verdachte op die grond dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweerexces kan slagen nu voor hem voldoende aannemelijk is dat er bij verdachte een hevige gemoedsbeweging ontstond, dat die voortvloeide uit wat er met zijn zoon gebeurde en dat deze resulteerde in geweldsuitoefening. Voor de officier van justitie zijn de volgende verklaringen en omstandigheden van belang. Ten eerste heeft de officier van justitie verwezen naar de verklaring van verdachte dat hij een waas voor zijn ogen kreeg. Ten tweede heeft hij van belang geacht de verklaring van getuige I. Ibrahim dat de man "doorgedraaid" was. Ten derde heeft hij verwezen naar het relaas van verbalisanten die hebben gerelateerd hoeveel moeite zij hebben moeten doen om verdachte tot bedaren te krijgen. Zelfs klappen met de wapenstok en pepperspray hadden geen resultaat, aldus de officier van justitie.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Verdachte mocht zich tegen de aanval van aangevers verdedigen maar heeft daarbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Zodanige overschrijding kan de verdachte slechts dan niet worden verweten, indien deze het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. Daarbij staat voorop dat die aanranding van dien aard moet zijn dat zij onder de gegeven omstandigheden bij een normaal persoon een zodanige emotionele toestand teweeg kan brengen.

In aanvulling op de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn weergegeven is het volgende van belang voor de beoordeling van het beroep van de verdachte op noodweerexces.

Gelet op de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval, zoals hiervoor weergegeven bij de feiten en omstandigheden, acht de rechtbank aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld onder invloed van een hevige gemoedsbeweging in vorenbedoelde zin. Deze werd veroorzaakt door het dreigende en zelfs al gerealiseerde gevaar dat de verdachte voelde - en mocht voelen - voor het lijf van zijn zoon en de daaruit voortvloeiende angst, veroorzaakt door de acties van de aangevers. Verdachte verkeerde in de stellige overtuiging dat zijn zoon werd belaagd, zodat de hulp van verdachte was geboden. Verdachte had onder die aanzienlijke druk slechts een beperkte mogelijkheid om op gepaste wijze te handelen. De wijze waarop verdachte zich onder die omstandigheden heeft verweerd, kan hem dan ook niet worden toegerekend. De rechtbank wijst nog op de door de officier van justitie van belang in dit verband van belang geachte verklaringen en omstandigheden.

De rechtbank honoreert derhalve het beroep op noodweerexces. De rechtbank acht verdachte mitsdien niet strafbaar voor de onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde feiten, zodat hij voor deze feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

feit 1 primair en feit 2 primair telkens: poging tot zware mishandeling;

* verklaart verdachte niet strafbaar ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde en ontslaat verdachte voor deze feiten van alle rechtsvervolging.

Aldus gewezen door mrs. Kleinrensink, voorzitter, Heenk en Kropman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 augustus 2012.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0623 2011128906, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 6 december 2011.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer ], p. 120.

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer ], p. 121.

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer ], p. 122.

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer ], p. 83.

6 Deskundigenrapport, letselrapportage op basis van eigen onderzoek van A.J. Schrooye, arts forensische geneeskunde, van 3 november 2011, p. 135, een geschrift.

7 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer B], p. 236.

8 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer B], p. 237.

9 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer B], p. 96.

10 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 30 augustus 2011, p. 142.

11 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 30 augustus 2011, p. 143.

12 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 30 augustus 2011, p. 144.

13 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A], p. 163.

14 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A], p. 164.

15 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige B], p. 114.

16 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige B], p. 116.

17 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 40.

18 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 43.