Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX7201

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
130136 BZ RK 12-304
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geneeskundige verklaring onrechtmatig verkregen?

De raadsvrouwe stelt dat bij het horen van betrokkene ten behoeve van het opstellen van de geneeskundige verklaring de psychiater de woning is binnengetreden met een machtiging op grond van artikel 3 lid 2 AWBi. Hiervoor was geen titel. Dientengevolge is de verklaring op onrechtmatige wijze tot stand gekomen en mag deze niet als onderbouwing van het verzoek tot verleneen van een voorlopige machtiging worden gebruikt.

De rechtbank oordeelt dat voor zover de gestelde gang van zaken juist is, dit niet zonder meer betekent dat de geneeskundige verklaring niet gebruikt mag worden. Er is sprake van een vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene. Daar staat overigens wel tegenoever dat er ook een belang is om betrokkene en haar omgeving te beschermen tegen de in de verklaring vermelde gevaren.

Dat rechtvaardigt op zich de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer niet, maar het initiatief is niet afkomstig geweest van de psychiater. Het voert te ver van de psychiater te verlangen de bevoegdheid van de burgemeester tot het afgeven van een machtiging tot binnentreden te controleren. Hem valt geen verwijt te maken. Om die reden mag de geneeskundige verklaring worden gebruikt. Het verzoek wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 130136 BZ RK 12-304

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 5 juni 2012

Gezien het verzoekschrift van de officier van justitie van 1 mei 2012, tot het verlenen van een voorlopige machtiging om:

naam: [betrokkene],

geboren op: [1946],

wonende te: [adres, plaats],

te doen opnemen en te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis te Nederland.

Gezien:

- de bij het verzoek overgelegde stukken, waaronder de op 27 april 2012 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring van drs. R.F. Ravelli, psychiater, die de betrokkene heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was;

- het proces-verbaal van 11 mei 2012;

- de brief met bijlagen van [naam 1], ingekomen op 21 mei 2012;

- het e-mailbericht met bijlagen van [wijkagent], ingekomen op 29 mei 2012;

- het e-mailbericht van [wijkagent], ingekomen op 30 mei 2012;

- het e-mailbericht met bijlagen van mr. S.A.H. Kool, ingekomen op 3 juni 2012.

Gehoord, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal: betrokkene en haar raadsvrouw mr. S.A.H. Kool, advocaat te Doetinchem, alsmede [naam 2], als sociaal psychiatrisch verpleegkundige verbonden aan Dimence, en [wijkagent], wijkagent bij de Politie Noord- en Oost-Gelderland.

Beoordeling

Op 11 mei 2012 is een eerste poging ondernomen om betrokkene te horen. Zij is daarover door de griffier van de rechtbank op voorhand schriftelijk bericht. Op het geplande moment was zij niet thuis. Omdat niet kon worden vastgesteld dat betrokkene niet wenste te worden gehoord door de rechter, is een nieuwe zitting bepaald op 5 juni 2012. Betrokkene is daarvan niet op voorhand in kennis gesteld. Zij was op het geplande moment wederom niet thuis, maar de heer [wijkagent] had haar na het verlaten van haar huis die ochtend gevolgd. Aldus is betrokkene uiteindelijk - met enige moeite - getraceerd. Zij is vervolgens in de buitenlucht gehoord, omdat zij enerzijds niet actief aan het verhoor wenste mee te werken (ze liep weg) maar al lopende wel in gesprek bleef met de rechter.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de geneeskundige verklaring als onrechtmatig bewijs dient te worden aangemerkt en buiten beschouwing dient te worden gelaten. Daartoe voert zij het volgende aan. Bij het horen van betrokkene is de psychiater op 16 maart 2012, zonder de toestemming van betrokkene, samen met enkele andere personen de woning binnengetreden. Blijkens het dagrapport van de buurtagent is dit gebeurd met een machtiging tot binnentreden. De psychiater heeft betrokkene gesproken en vervolgens de geneeskundige verklaring opgesteld. Op 11 mei 2012 is vervolgens gebruik gemaakt van een door de burgemeester op grond van artikel 3, tweede lid, Algemene wet op het binnentreden (hierna: AWBi) afgegeven machtiging. Daarbij zijn de rechter, de griffier, de raadsvrouw, de wijkagent en de hoofdagent de woning binnengetreden zonder toestemming van betrokkene. De raadsvrouw betwist de rechtsgrond van deze machtigingen. De machtiging van 16 maart 2012 werd kennelijk afgegeven door mw. [naam 3], maar onbekend is of zij daartoe bevoegd was. Daarnaast voert de raadsvrouw aan dat de AWBi zelf geen titel verschaft voor binnentreden, maar enkel de procedure daartoe regelt indien er een rechtsgrond aanwezig is. De Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) biedt geen grond voor binnentreding in geval van een geneeskundig onderzoek door een psychiater of een rechtszitting.

De rechtbank stelt voorop dat niet geheel duidelijk is geworden dat de geneeskundige verklaring van 27 april 2012 is gebaseerd op het onderzoek dat op 16 maart 2012 heeft plaatsgevonden. Voor zover dat het geval zou zijn, of er nog een moment van binnentreden in april 2012 is geweest, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is, met de raadsvrouw, van oordeel dat de AWBi zelf geen titel verschaft voor een machtiging tot binnentreden. De Wet Bopz biedt, indien het gaat om het kunnen doen van een geneeskundig onderzoek door een psychiater, evenmin die titel. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit niet zonder meer tot de conclusie leidt dat de naar aanleiding van dat onderzoek opgemaakte geneeskundige verklaring niet gebruikt mag in de onderhavige procedure en overweegt daartoe als volgt.

In navolging van de raadsvrouw zoekt de rechtbank aansluiting bij de jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van onrechtmatig verkregen bewijs. Op onrechtmatige wijze verkregen informatie mag in een burgerlijk proces worden gebruikt, tenzij bijkomende omstandigheden zich daartegen verzetten. Bij de beoordeling van de vraag of van de hiervoor bedoelde omstandigheden sprake is, dient met name te worden gekeken naar de aard en mate van intimiteit van hetgeen wordt vastgelegd of geopenbaard en de wijze waarop de machtiging tot binnentreden is verkregen.

De rechtbank acht de aard en mate van intimiteit van hetgeen wordt vastgelegd, in dit geval in de geneeskundige verklaring, zodanig dat sprake is van een vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene. Daar staat overigens wel tegenover dat er ook een belang is om betrokkene en haar omgeving te beschermen tegen de in de verklaring vermelde gevaren. Dat rechtvaardigt op zich de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene niet, maar voldoende is komen vast te staan dat het initiatief tot het aanvragen van de machtiging tot binnentreden niet afkomstig is geweest van de psychiater, maar dat de wijkagent, tezamen met de hulpofficier van justitie, daartoe het initiatief heeft genomen. Uit het dagrapport en de verklaring van de heer [wijkagent] tijdens de zitting wordt afgeleid dat de heer [wijkagent] met mw. [naam 3] (werkzaam bij de gemeente Lochem) contact heeft gehad om dit te regelen. Hieruit komt het beeld naar voren dat de psychiater vreesde dat hij, net als velen voor hem, voor een dichte deur zou komen te staan en dat dit de reden is dat mw. [naam 4] van Dimence met de heer [wijkagent] heeft overlegd over de mogelijkheden betrokkene toch te spreken te krijgen. Dit is in de lijn van de bestaande jurisprudentie, op basis waarvan de psychiater die een geneeskundige verklaring opstelt ten behoeve van een machtiging tot gedwongen opname in het kader van de Wet Bopz voldoende dient te ondernemen om een betrokkene te spreken. Als oplossing is gekozen voor de machtiging tot binnentreden. Het voert naar het oordeel van de rechtbank te ver van de psychiater te verlangen de bevoegdheid van de burgemeester tot het afgeven van een machtiging tot binnentreden te controleren. Hoewel (mogelijk) sprake is geweest van een onrechtmatige machtiging, kan dit niet aan de psychiater verweten worden. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat de geneeskundige verklaring mag worden gebruikt bij de beoordeling van het onderhavige verzoek.

Dat er op 11 mei 2012 wederom met behulp van een machtiging op grond van de AWBi is binnengetreden in de woning acht de rechtbank niet relevant voor de beoordeling van het verzoek, nu met de informatie uit die zitting thans niets wordt gedaan.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat betrokkene betwist dat zij ziek is en dat zij gevaar veroorzaakt. De rechtbank is op grond van de overgelegde stukken en de door haar gehouden verhoren en verkregen inlichtingen echter tot de overtuiging gekomen dat betrokkene gestoord is in haar geestvermogens. Deze stoornis doet haar gevaar veroorzaken en dat gevaar kan niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis worden afgewend.

Bij betrokkene is sprake van een psychotische stoornis met paranoïde wanen, beïnvloedingswanen en akoestische hallucinaties, hetgeen wijst op een schizofrene stoornis. Ten gevolge daarvan is zij (onder meer) verward en extreem achterdochtig. Zij schreeuwt in zichzelf, hoort stemmen en verwaarloost zichzelf en haar woning. Ook is gebleken dat zij scheldt en spuugt naar andere mensen en dat zij agressief kan worden. Betrokkene heeft ziektebesef noch -inzicht en weigert medicatie in te nemen. Zij heeft zich redelijk kunnen handhaven zolang zij bij haar ouders woonde, maar nadat haar moeder vijftien jaar geleden is overleden, is het geleidelijk slechter met haar gegaan. Zij heeft zich teruggetrokken en pas twee jaar geleden uit financiële nood familie benaderd. Er is nu sprake van veel overlast in de buurt, waardoor buren te kennen geven zich niet veilig te voelen, en betrokkene verzorgt zichzelf slecht.

Indien de voorlopige machtiging niet wordt verleend, moet gevreesd worden dat betrokkene zich niet zal laten behandelen en opnemen. Alsdan bestaat het gevaar dat zij maatschappelijk ten onder gaat en zichzelf ernstig zal verwaarlozen. Ook bestaat het gevaar dat betrokkene, door haar hinderlijke gedrag, agressie van anderen tegen zichzelf zal oproepen, dat zij een ander ernstig letsel zal toebrengen en bestaat er gevaar voor de psychische gezondheid van anderen, te weten de buren.

Gelet op artikel 2 van de Wet Bopz.

Beslissing

Verleent voorlopige machtiging om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis in Nederland te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van zes maanden.

Deze beschikking is gegeven op 5 juni 2012 door mr. R.A. Eskes, in tegenwoordigheid van de griffier.