Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX7187

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
06/922037-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 59-jarige man uit Ermelo is veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur voor het verduisteren van beleggingsgeld. De man leende geld aan zichzelf, aan zijn automatiseringsbedrijf en aan een familielid. Verdachte was samen met een andere man de bestuurder van de stichting Stichting Dutch Investments (SDI).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/922037-08

Uitspraak d.d.: 12 september 2012 (inhoudelijke behandeling was 29 augustus 2012).

Tegenspraak / onip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1953],

wonende te [adres].

Raadsman: mr. Kupers advocaat te Harderwijk

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

16 november 2010 en 29 augustus 2012.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging ter terechtzitting van 16 november 2010 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij, in of omstreeks de periode van 10 mei 2001 tot en met 26 oktober 2006, te

Ermelo en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens)

opzettelijk geld, geheel of ten dele toebehorende aan de familie/[slachtoffer A]

en/of de Stichting [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D]

en/of de familie/[slachtoffer E] en/of Stichting Dutch Investments en/of een

of meer anderen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk

geld verdachte anders dan door misdrijf onder zicht had, wederrechtelijk zich

heeft toegeëigend, immers heeft hij, verdachte, dat geld, dat hij uit hoofde

van zijn functie van bestuurder van Stichting Dutch Investments onder zich had

en dat aan Stichting Dutch Investments ter beschikking was gesteld ten behoeve

van beleggingen en/of investeringen in zogenaamde "Euro Bonds" en/of "SDI

Bonds", althans voor enig beleggingsdoel, (deels) niet aangewend voor dit

doel, maar voor persoonlijke doelen en/of doelen van [bedrijf A verdachte] B.V., althans voor andere doelen dan waarvoor verdachte het geld onder zich had

art 321 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe is het volgende gesteld.

Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat ten tijde van de aanvang van het onderzoek sprake was van een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte. Voorts is er sprake geweest van een onjuist gebruik van dwangmiddelen. Het informatieverzoek aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT) is niet aan het dossier toegevoegd en daaruit kan dus geen redelijk vermoeden van schuld voortvloeien dat verdachte een misdrijf zou hebben begaan. Er is ten onrechte een vordering ex artikel 126nd Sv opgemaakt om het Meldpunt te bevragen.

Voorts is er sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. [naam A] heeft ook geld van Stichting Dutch Investments (SDI) geleend, maar wordt daarvoor niet vervolgd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ontvankelijk is in de vervolging.

Het onderzoek was aanvankelijk gericht op mogelijk fraudeleus handelen door SDI. In het kader van dat onderzoek zijn er gegevens bij het Meldpunt opgevraagd. Tijdens het onderzoeken van de gegevens is als "bijvangst" gebleken dat verdachte geld van SDI heeft aangewend voor onder meer privédoeleinden. Vervolgens is er ook een onderzoek tegen verdachte in privé gestart.

Er is destijds besloten [naam A] niet te vervolgen. Deze beslissing is gebaseerd op informatie die is verkregen uit een strafrechtelijk onderzoek in Zweden, waarin hij niet als verdachte werd aangemerkt. Naderhand is de FIOD gebleken dat er gelden zijn overgemaakt naar New Generation Foundation. De FIOD wist dat SDI regelmatig schenkingen deed aan goede doelen en heeft deze overmakingen gerangschikt onder de categorie schenkingen aan goede doelen, niet wetende dat [naam A] bij de New Generation Foundation betrokken was.

Beoordeling door de rechtbank

Uit het proces-verbaal1 kan worden opgemaakt2 dat er al sinds 2006 klachten binnenkwamen bij de Autoriteit Financiële Markten. Die hadden betrekking op investeringen die zijn gedaan bij Nordic Capital Investments KB (NCI) door SDI. Via SDI, waarvan verdachte voorzitter was, kon worden geïnvesteerd in NCI. In juni 2007 zijn er klachten binnengekomen bij het Fraudemeldpunt van mogelijk gedupeerde beleggers. Deze klachten zijn aanleiding geweest onderzoek op te starten. Uit dit rechtsgeldig aangevangen onderzoek tegen NCI en SDI, dat is gehouden zowel in Zweden als in Nederland, ontstond in het Nederlandse onderzoek als "bijvangst" de verdenking dat verdachte geld van SDI voor persoonlijke doelen zou hebben aangewend. Op grond van deze informatie is het onderhavige onderzoek tegen verdachte opgestart. Het onderzoek tegen verdachte is niet opgestart naar aanleiding van de MOT-melding.

Naar het oordeel van de rechtbank was er ten tijde van het opstarten van het onderzoek sprake van een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte.

De enkele omstandigheid dat een derde, wiens gedragingen evenzeer als die van verdachte het voorwerp van strafvervolging zouden kunnen zijn, thans niet wordt vervolgd, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging tegen de verdachte. Bovendien viel het overmaken van geldbedragen door SDI via New Generation Foundation aan [naam A] binnen de doelstelling van SDI om rendementen van het ingelegde geld te besteden aan charitatieve instellingen.

Derhalve is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Het openbaar ministerie is naar het oordeel van de rechtbank dan ook ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs3

Aanleiding van het onderzoek

In het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is de aanleiding tot het onderzoek tegen verdachte weergegeven.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Hij heeft dit gebaseerd op de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij geld van SDI heeft geleend omdat de bank hem geen geld meer wilde lenen, de omstandigheid dat daaromtrent geen contracten zijn opgemaakt en de verklaringen van inleggers dat zij met SDI zijn overeengekomen om geld bij SDI in te leggen om dit als onderpand te gebruiken om zo rendement te creëren. Er is niet gebleken dat investeerders toestemming hebben gegeven het geld op de ten laste gelegde wijze te besteden. Verdachte mocht als bestuurder wel over het geld beschikken, maar hij mocht dit niet ten eigen bate doen. Op het moment van het overboeken heeft verdachte als heer en meester over het geld beschikt, zodat er sprake is van verduistering. Dat verdachte het geld uiteindelijk weer heeft teruggeboekt doet daar in de visie van de officier van justitie niet aan af.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de mutaties die door de officier van justitie als verduistering gekwalificeerd worden niet in de dagvaarding zijn gespecificeerd. Indien ervan wordt uit gegaan dat de geleende bedragen aanleiding vormen voor de tenlastelegging kan niet de gehele ten laste gelegde periode bewezen worden verklaard: de opnamen hebben plaatsgevonden vanaf 9 maart 2004.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de investeerders gelden ter beschikking hebben gesteld aan SDI, waardoor het geld is geworden van SDI. Er kan derhalve niet bewezen worden verklaard dat het geld aan anderen dan aan SDI toebehoorde. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake was van handelingen van wederrechtelijke toe-eigening. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat het vereiste opzet op de wederrechtelijke toe-eigening niet uit de handelwijze van verdachte kan worden afgeleid, ook niet in voorwaardelijke vorm.

Verdachte dient derhalve van het ten laste gelegde vrijgesproken te worden.

Beoordeling door de rechtbank

SDI is op 10 mei 2001 opgericht door verdachte [verdachte]4. Verdachte is ingeschreven als voorzitter/penningmeester. SDI zetelde te Ermelo. Het doel van SDI was volgens de statuten, na (niet wezenlijke) statutenwijziging5 van 23 maart 2006:

"1. het beheer van geldmiddelen van derden en opdrachtgevers die aan haar krachtens overeenkomst of anderszins zijn toevertrouwd;

2. het verrichten van giften aan kerkelijke levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instellingen; en

3. het verrichten van en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords."

De verdachte heeft ter terechtzitting van 29 augustus 2012 verklaard dat hij vanaf de oprichting van SDI voorzitter van SDI is geweest. [naam A] was secretaris, maar verbleef veelal in Frankrijk. De bedoeling van SDI was het beheren van gelden en giften voor zendingswerk. Hijzelf heeft het beheren van het geld op zich genomen. Het ingelegde geld werd belegd in Euro Bonds. Er zou een rendement van 15% aan de inleggers uitgekeerd worden. Hetgeen boven die 15% aan rendement zou worden ontvangen was bestemd als schenking voor zendingswerk. Van het geld dat op de rekening van SDI stond heeft verdachte geld overgemaakt naar of ten behoeve van onder andere zijn bedrijven [bedrijf A verdachte] en [bedrijf B verdachte], [naam B], zijn zus [naam C] en zijn eigen privérekening. Hij heeft geld van SDI aan [bedrijf A verdachte] geleend omdat het bedrijf liquiditeitsproblemen had en de bank geen geld wilde lenen. Ook kon hij in privé geen (tweede) hypotheek verkrijgen om het bedrijf geld te lenen. Van de hiervoor genoemde (lenings)transacties zijn geen contracten opgesteld en hij heeft hiervoor voorafgaand aan het aangaan van de leningen of betalingen geen toestemming van de investeerders van SDI gevraagd. Hij heeft het lenen van geld gezien als het weer herinvesteren van het deel van het rendement dat boven de 15 % uitkwam. Over het uitgeleende geld werd 6% rente betaald aan SDI.

Er is onderzoek gedaan naar de bankafschriften6 op naam van SDI. Dit betrof de periode van 10 mei 2001 tot en met 28 april 2008. Daaruit blijkt dat er geld bij SDI is ingelegd door onder meer familie [slachtoffer A], Stichting [slachtoffer B], [slachtoffer C], [naam D], [slachtoffer D], [naam E], [slachtoffer E], [naam F] B.V. en [naam G].

Uit het onderzoek van die bankafschriften blijkt dat er in totaal voor een bedrag van

€ 343.781,68 is overgemaakt van de bankrekening van SDI naar rekeningen op naam van verdachte, [naam C], [bedrijf A verdachte] en [bedrijf B verdachte]. Daaruit blijkt ook dat er uiteindelijk een bedrag van € 402.786,90 is terugbetaald aan SDI.

[slachtoffer A] heeft verklaard7 dat hij geld heeft geïnvesteerd in SDI. Hem is gegarandeerd dat het rendement 15% zou zijn. Verdachte heeft hem verteld dat het ingelegde geld op de rekening van de ABN zou blijven staan als borg. Het meer dan 15% verkregen rendement zou aan goede doelen worden uitbetaald

Uit de bankafschriften8 blijkt dat er al in 2002 overboekingen hebben plaatsgevonden van SDI aan [bedrijf A verdachte], bijvoorbeeld:

- 27 juni 2002: er is een bedrag van € 120.000,-- van de rekening van SDI overgemaakt op rekening van [bedrijf A verdachte] (rek. nr. [nummer]) onder vermelding van "[naam boeking]".

- 23 oktober 2002: overboeking van SDI naar [bedrijf A verdachte] (rek. nr. [nummer]) ter hoogte van € 7500 onder vermelding van "tussenrekening dharma".

Voorts blijkt uit de bankafschriften van SDI van overboekingen aan [verdachte] in privé en familie, bijvoorbeeld:

- 2 september 2003: er is een bedrag van € 3.300,-- van de rekening van SDI overgemaakt op rekening van [naam C] (rek.nr. [nummer]) onder vermelding van "lening".

- 9 maart 2004: er is een bedrag van € 20.000,-- van SDI overgeboekt naar [verdachte] (privé) (rek. nr. [nummer]) onder vermelding van "overboeking".

- 17 januari 2006: er is een bedrag van € 50.000,-- van SDI overgeboekt naar [bedrijf B verdachte] (rek. nr. [nummer]) onder vermelding van "lening", en

- 28 september 2007: er is een bedrag van € 217.19 van SDI overgeboekt naar [verdachte] (rek.nr. [nummer]) onder vermelding van "KvK SDI".

Uit het dossier blijkt niet dat er vóór 27 februari 2004 al rendement door SDI is ontvangen. Blijkens de bankafschriften heeft SDI voor het eerst rendement ontvangen op 27 februari 20049. Dit betrof een bedrag van € 65.000,-- en niet een bedrag van ruim € 450.000,-- ineens, zoals verdachte ter terechtzitting heeft gesteld. Uit het dossier blijkt evenmin dat een dergelijk bedrag in het jaar 2004 in totaal is ontvangen. Vrijwel vanaf het begin is er geld, dat door beleggers op de rekening van SDI is gestort, gebruikt voor andere doeleinden dan beleggen, investeren of schenken aan goede doelen. Gelet op het feit dat het eerste rendement door SDI pas op 27 februari 2004 is ontvangen kunnen voordien gedane overboekingen immers reeds daarom geen herinvestering zijn geweest van meer dan 15% ontvangen rendement, zoals door en namens verdachte is gesteld. Overigens zou ook een herinvestering (met een rendement van 6% rente) niet in overeenstemming zijn geweest met de afspraken die met inleggers/beleggers zijn gemaakt. Die afspraken waren immers dat een rendement groter dan 15% voor het meerdere zou leiden tot schenkingen aan goede doelen

Door en namens verdachte is aangevoerd dat er geen sprake is geweest van wederrechtelijk toe-eigenen van gelden en ook is aangevoerd dat verdachte daar geen opzet op heeft gehad.

Voor de beoordeling hiervan is van belang dat van wederrechtelijk toe-eigenen sprake is zodra er als heer en meester over de betreffende roerende zaken wordt beschikt. Verdachte kon als bestuurder van SDI alleen over de ingelegde gelden beschikken.

De rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte de gelden op andere wijze heeft beheerd dan vooraf met inleggers/beleggers was afgesproken. Verdachte heeft zonder medeweten van de inleggers/beleggers en dus zonder hun toestemming geld uitgeleend aan onder meer zijn eigen bedrijf [bedrijf A verdachte]. Daarmee is gegeven dat verdachte de gelden tegen de afspraken in heeft beheerd. Wat hij vervolgens met dat geld heeft gedaan en dat het geld uiteindelijk weer terug is betaald op de rekening van SDI, is voor de strafbaarheid van verdachte niet relevant (HR12 mei 1998, NJ 1998, 695 en HR 19-12-2000, LJN: AA9068). Bovendien heeft verdachte de gelden geleend zonder dat daaraan een leningsovereenkomst ten grondslag lag en zonder dat daaraan zekerheden tegenover stonden.

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank ook het opzet gehad op het zich wederrechtelijk toe-eigenen van het geld. Hij wist immers dat zijn [bedrijf A verdachte] B.V. geen krediet meer kon verkrijgen en wist dat de gelden die hij binnen SDI in beheer had slechts aangewend mochten worden voor het uitkeren van 15% rendement aan beleggers en het schenken van het meerdere boven dat percentage aan goede doelen. Daaronder kan moeilijk worden begrepen het verstrekken van een lening aan zijn eigen bedrijf, laat staan het verstrekken van een (renteloze) lening aan zijn familielid [naam C].

De rechtbank is van oordeel dat de aard van het handelen van verdachte redelijkerwijs geen andere conclusie toelaat dan dat verdachte zich het geld opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het tenlastegelegde kan derhalve bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in de periode van 10 mei 2001 tot en met 26 oktober 2006, te Ermelo en/of elders in Nederland, meermalen telkens opzettelijk geld, geheel of ten dele toebehorende aan de familie/[slachtoffer A] en/of de Stichting [slachtoffer B] en/of [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of de familie/[slachtoffer E] en/of Stichting Dutch Investments en/of een

of meer anderen, welk geld verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, immers heeft hij, verdachte, dat geld, dat hij uit hoofde van zijn functie van bestuurder van Stichting Dutch Investments onder zich had en dat aan Stichting Dutch Investments ter beschikking was gesteld ten behoeve

van beleggingen en/of investeringen in zogenaamde "Euro Bonds" en/of "SDI

Bonds", althans voor enig beleggingsdoel, deels niet aangewend voor dit doel, maar voor persoonlijke doelen en/of doelen van [bedrijf A verdachte] B.V., althans voor andere doelen dan waarvoor verdachte het geld onder zich had.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Verduistering, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

- een werkstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Ter toelichting heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte zeer substantiële bedragen van SDI voor andere doelen heeft aangewend dan met de beleggers overeen was gekomen. Ook heeft hij laten meewegen dat al het ingelegde geld weliswaar aan de inleggers is terugbetaald, maar dat de inleggers daarover geruime tijd in onzekerheid hebben verkeerd en het risico hebben gelopen dat verdachte niet terug zou kunnen betalen. Voorts heeft de officier van justitie rekening gehouden met de voor verdachte negatieve media-aandacht en met de omstandigheid dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De raadsman heeft aangevoerd dat de onderhavige strafzaak een grote impact heeft gehad op het leven van verdachte. Hij heeft zich moeten terugtrekken uit de kerkelijke omgeving in Ermelo, waarin hij zeer actief was. Hij werd met de nek aangekeken en ervaart dit als een grote straf. De raadsman heeft verzocht verdachte te veroordelen zonder oplegging van straf of maatregel. Subsidiair heeft hij verzocht verdachte een voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft aanzienlijke bedragen die door beleggers in SDI zijn ingelegd

voor andere doelen aangewend dan met de beleggers overeen was gekomen. Door die handelwijze bestond het risico dat beleggers, die dachten dat het geld veilig op een bankrekening zou blijven staan om als borg te dienen, het door hen ingelegde geld zouden verliezen.

Ten voordele van verdachte laat de rechtbank meewegen dat verdachte eigener beweging en voordat het strafrechtelijk onderzoek naar hem was aangevangen (namelijk reeds vanaf februari 2006) alle inspanning heeft gedaan om het ingelegde geld aan de beleggers terug te betalen, hetgeen ook is gelukt, zelfs met een rente van 6%. Van groot belang acht de rechtbank dat de beleggers in SDI door zijn handelwijze uiteindelijk geen schade hebben geleden. De beleggers wilden dan ook geen van allen aangifte doen tegen verdachte.

Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, dat verdachte in zijn privéleven veel nadelige gevolgen heeft ondervonden van deze zaak en dat sprake is van een oudere zaak.

De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om naast de onvoorwaardelijke straf nog een voorwaardelijke straf op te leggen. Volgens haar is er geen aanleiding te menen dat verdachte in de toekomst zich zal inlaten met het plegen van verduistering.

Alles overwegende acht de rechtbank onder de geschetste omstandigheden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een te zware sanctie. In plaats daarvan zal zij een onvoorwaardelijke werkstraf opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Verduistering, meermalen gepleegd.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 40 (veertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen.

Aldus gewezen door mrs. Heenk, voorzitter, E.G. de Jong en Prisse, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

12 september 2012.

Mr. Prisse is buiten staat mede te ondertekenen.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 41948, van Belastingdienst/FIOD-ECD, gesloten en ondertekend op 30 juni 2009

2 Stamproces-verbaal pag. 4

3 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 41948, van Belastingdienst/FIOD-ECD, gesloten en ondertekend op 30 juni 2009

4 Stamproces-verbaal, OPV pag. 5, en bijlage D-02

5 Stamproces-verbaal, OPV pag. 5, en bijlage D-03

6 Proces-verbaal onderzoek bankafschriften, bijlage AG-08

7 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A], bijlage G01-1

8 Bankafschriften op naam van SDI, bijlage D-15 A

9 Bijlage D-15A, bankafschrift volgnr. 4 van 2004