Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX7089

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
Awb 12/1094
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vrijstelling te verlenen voor kernopgave 42.2.53 (ontwikkelen onderwijsprogramma's) van Leergang Politiespecialist Gevaars- en Crisisbeheersing; formele gebreken hersteld; overigens niet gebleken dat niet aan formele voorschriften is voldaan; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht

Registratienummer: Awb 12/1094

uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geding tussen

[eiser),

wonende te [woonplaats]

en

Het college van bestuur van het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut politie

gevestigd te Apeldoorn, verweerder.

gemachtigde: M.G.A.E. van de Nieuwenhuijzen, werkzaam bij de Politieacademie

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2010 heeft de Commissie van Beroep voor de examens van de Politieacademie namens verweerder eisers bezwaar tegen het besluit van de EVC-commissie geen vrijstelling te verlenen voor de kernopgave 42.2.53 (ontwikkelen onderwijs¬pro¬gramma’s) van de Leergang Politiespecialist Gevaars- en Crisisbeheersing, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 30 augustus 2012 behandeld, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat, ingevolge het bepaalde in artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtbank Zutphen bevoegd is om dit beroep te behandelen.

Artikel 8 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen bepaalt dat de Raad voor de Rechtspraak op het verzoek van het bestuur van een rechtbank, bij gebrek aan voldoende zittingscapaciteit of aan gespecialiseerde zittingscapaciteit in het arrondissement waarvan de rechtbank bevoegd is, tijdelijk een of meer nevenzittingsplaatsen buiten het arrondissement kan aanwijzen. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt bij het Aanwijzingsbesluit bestuursrecht Oost-Nederland (St.crt. 2012, nr. 6079), hierna te noemen het Aanwijzings¬besluit. Op grond van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder d, van het Aanwijzings¬besluit is Zwolle aangewezen als nevenzittingsplaats van de rechtbanken Almelo, Arnhem en Zutphen.

2. Eiser is sinds 1 september 2006 werkzaam bij het Bureau Integrale Beroepsvaardig¬heden Training van de Politieregio Rotterdam-Rijnmond. In verband hiermee is eiser per 4 september 2006 de Leergang Politiespecialist Gevaars- en Crisisbeheersing gaan volgen aan de Politieacademie Ossendrecht.

Bij brief van 10 augustus 2008 is eiser in kennis gesteld van het besluit van de EVC-commissie hem geen vrijstelling te verlenen voor de kernopgave 42.2.53 (ontwikkelen onderwijsprogramma’s). EVC staat voor “Erkenning Verworven Competenties”. Naar aanleiding van het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft deze commissie (opnieuw) besloten de gevraagde vrijstelling niet te verlenen. Dit besluit is aan eiser kenbaar gemaakt bij brief van 14 december 2009. In rechtsmiddelenclausule staat vermeld dat tegen dat besluit bezwaar kan worden gemaakt. Eiser heeft blijkens de gedingstukken van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Verweerder heeft op 1 maart 2010 besloten alle nog lopende bezwaarschriften in het kader van de EVC met onmiddellijke ingang ter verdere afwikkeling voor te leggen aan de Commissie van Beroep voor de examens van de Politieacademie. Deze onafhankelijke beroepscommissie is normaliter belast met de afhandeling van geschillen omtrent de organisatie en afname van examens. Bij brief van 26 april 2010 is eiser hierover ingelicht.

De Commissie van Beroep heeft terzake nader onderzoek ingesteld en eiser gehoord. Namens verweerder heeft deze commissie bij het thans bestreden besluit van 16 december 2010 het bezwaar tegen de weigering eiser de gevraagde vrijstelling te verlenen, ongegrond verklaard.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hem ten onrechte de gevraagde vrijstelling is onthouden. Daarbij heeft hij gewezen op zijn vooropleiding en gesteld dat hem deze vrijstelling mondeling door de vakdocenten is verleend of toegezegd. Voorts heeft hij gesteld dat aan andere studenten met een vergelijkbare vooropleiding wel vrijstelling voor dit onderdeel is verleend.

De rechtbank overweegt als volgt.

3. Ingevolge artikel 13, vijfde lid van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs (Wet LSOP) is verweerder belast met de beoordeling van eerder verworven kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden, houding en ervaring, al dan niet blijkend uit eerder behaalde kwalificaties, met het oog op het verlenen van vrijstellingen. Verweerder heeft daartoe het EVC-reglement vastgesteld, waarin de aanvraag, procedures en afhandeling voor het erkennen van verworven competenties zijn neergelegd.

In dit reglement is onder meer voorzien in de instelling van een EVC-commissie, die namens verweerder is belast met het nemen van beslissingen over de ingekomen EVC-aanvragen. Blijkens opeenvolgende Onderwijs- en examenregelingen Politieonderwijs wordt van deelname aan een (examenopdracht van een) proeve van bekwaamheid slechts vrijstelling verleend indien dit is bepaald op basis van de daarvoor vastgestelde procedure EVC. Ten bewijze hiervan wordt aan de student een EVC-bewijs afgegeven.

Bij de in het bestreden besluit gehandhaafde weigering vrijstelling te verlenen, is beoordeeld of de door eiser gevolgde cursussen en opleidingen voldoende gelijkwaardig zijn aan de kernopgave 42.2.53 (ontwikkelen onderwijsprogramma’s). Voorts is overwogen dat de gestelde mondelinge toezeggingen van bevoegde zijde ter zake, noch het beroep op het gelijk¬heidsbeginsel voldoende zijn onderbouwd.

Het bestreden besluit omvat derhalve allereerst het beoordelen van iemands kennen en kunnen als bedoeld in artikel 8:4, aanhef en onder e, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van dit artikelonderdeel kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen een besluit inhoudende een beoordeling van het kennen en kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing.

In de lijn ook van de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in het kader van de vergelijkbare verlening van vrijstelling op basis van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek - zie onder meer de uitspraak van 12 januari 2005, LJN AS2160 - is de rechtbank van oordeel dat dit betekent dat door de bestuursrechter in een dergelijk geval slechts kan worden beoordeeld of met betrekking tot de besluitvorming aan de formele voorschriften die bij of krachtens de Wet LSOP, de Awb of enige andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan.

4. De rechtbank stelt vast dat het formele besluitvormingstraject omtrent de verzochte vrijstelling op essentiële onderdelen gebreken heeft vertoond. Zo zijn de krachtens mandaat genomen besluiten van 10 augustus 2009 en 14 december 2009 in strijd met artikel 13, vijfde lid, van de Wet LSOP en artikel 10:10 van de Awb door de EVC-commissie zelve genomen, als ware het een haar toekomende eigen bevoegdheid. Artikel 10:3, derde lid van de Awb staat er bovendien aan in de weg dat zowel het primaire besluit als het besluit op bezwaar in mandaat door de EVC-commissie worden genomen.

Voorts wordt vastgesteld dat met het besluit van 14 december 2009 reeds op bezwaar is beslist zodat ingevolge de artikelen 8:1 en 7:1 van de Awb tegen dat besluit geen bezwaar kan worden gemaakt, maar beroep kan worden ingesteld. Dit is door verweerder niet onderkend, waarna op grondslag van het bezwaar toch namens verweerder het besluit op bezwaar van 14 december 2009 is heroverwogen, als ware het een primair besluit. Verweerder heeft daarmee in strijd met de in artikel 6:15 Awb neergelegde doorzendplicht het tegen het besluit van 14 december 2009 ingediende bezwaar niet als beroepschrift aan de rechtbank doorgezonden. Hoewel verweerder in beginsel niet de bevoegdheid kan worden ontzegd een eerder genomen besluit op bezwaar in te trekken of te wijzigen, ziet de rechtbank hierin wel aanleiding het besluit op bezwaar van 14 december 2009 mede te betrekken in het onderhavige beroep tegen het besluit op bezwaar van 16 december 2010.

5. Ter nadere verduidelijking van het gehele formele besluitvormingstraject heeft verweerder ter zitting aangegeven dat toen eenmaal duidelijk was dat de EVC-commissie niet bevoegd was te beslissen op bezwaar, door hem op 1 maart 2010 is besloten alle aanhangige bezwaarschriften in het kader van de EVC aan de onafhankelijke Commissie van Beroep ter verdere afwikkeling over te dragen. Het oogmerk daarbij was om zowel verdere schade te voorkomen en als om reeds ontstane schade te herstellen. Deze gedachtegang lag ook ten grondslag aan de brief aan eiser van 26 april 2010. Vervolgens heeft deze commissie na een zorgvuldig onderzoek namens verweerder bij mandaat op het bezwaar beslist.

Gelet op deze nadere toelichting merkt de rechtbank het bestreden besluit op bezwaar van 16 december 2010 aan als een door de Commissie van Beroep namens verweerder genomen besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de eerdere weigering van 10 augustus 2009 eiser vrijstelling te verlenen voor de kernopgave 42.2.53, onder gelijktijdige intrekking van het (onbevoegdelijk) door de EVC-commissie genomen besluit op bezwaar van 14 december 2009. De rechtbank is van oordeel dat aldus bij het bestreden besluit de aan de eerdere besluitvorming klevende formele gebreken zijn weggenomen.

Eisers enkele stelling dat andere studenten in een vergelijkbare situatie wél de gevraagde vrijstelling is verleend, kan niet slagen omdat niet is gebleken dat de eisers situatie in zodanige relevante mate overeenkomt met die van de betreffende studenten, dat sprake is van gelijke gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan derhalve niet slagen. Aangezien blijkens de Onderwijs- en examenregeling Politieonderwijs vrijstelling slechts op basis van de daarvoor vastgestelde procedure EVC door de Commissie EVC wordt verleend, heeft eiser derhalve aan de gestelde mondelinge toezeggingen van vakdocenten geen rechtens te honoreren verwachtingen kunnen ontlenen. Overigens is gesteld noch gebleken dat met het bestreden besluit van 16 december 2010 niet aan de formele voorschriften die bij of krachtens de Wet LSOP, de Awb of enige andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan.

Omdat verweerder het besluit op bezwaar van de EVC-commissie van 14 december 2009 niet heeft gehandhaafd, is de rechtbank tenslotte van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een beoordeling van het beroep, voorzover dit moet worden geacht mede betrekking te hebben op dat besluit.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Er bestaat geen grond voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken.

3.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, rechter, en door hem en mr. H.P. Kallenbach als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.