Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX5202

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-08-2012
Datum publicatie
21-08-2012
Zaaknummer
06/950298-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Loverboy veroordeelt tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar inzake mensenhandel. Uitgebreid niet-ontvankelijkheidsverweer van raadsman. Vrijspraak witwassen, (groeps)verkrachting en een poging tot mensenhandel van een minderjarig meisje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

meervoudige strafkamer

parketnummer: 06/950298-11

datum uitspraak: 21 augustus 2012

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1981],

wonende te [plaats, adres],

thans gedetineerd in huis van bewaring Ooyerhoekseweg te Zutphen.

Raadsman: mr. M.Ü. Özsüren te Harderwijk.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 december 2011, 13 maart 2012, 24 april 2012, 20 juni 2012 en 7 augustus 2012.

Ter terechtzitting gegeven beslissingen

Ter terechtzitting is de volgende beslissingen gegeven:

Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis is afgewezen.

1. De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot

en met 13 september 2011 te Harderwijk en/of te Zeewolde en/of Ermelo en/of

Apeldoorn, althans in het arrondissement Zutphen en/of Amersfoort en/of

Utrecht en/of Amsterdam en/of elders in Nederland, in elk geval (telkens) in

Nederland,

(lid 3, onder 1°)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen

een ander, te weten, [slachtoffer A]

(lid 1, onder 1°)

door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door

dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, door fraude, afpersing,

misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie,

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen

met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer A],

en/of

(lid 1, onder 4°)

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° van dit artikel genoemde

middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere)

feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden,

door fraude, afpersing, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke

omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare

positie,

die [slachtoffer A] heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het

verrichten van arbeid en/of diensten dan wel onder de onder 1° van dit artikel

genoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij,

verdachte en/of diens mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en)

vermoeden dat die [slachtoffer A] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het

verrichten van arbeid en/of diensten,

en/of

(lid 1, onder 6°)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer A],

en/of

(lid 1, onder 9°)

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° genoemde middelen, te weten door

dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door

dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, door fraude, afpersing,

misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend

overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie

die [slachtoffer A] heeft bewogen hem, verdachte en/of diens mededader(s) te bevoordelen

uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met en/of voor een derde,

immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (één of meermalen)

-terwijl die [slachtoffer A] autistisch is en/of

-terwijl die [slachtoffer A] onder behandeling staat van een psychiater en/of

-terwijl die [slachtoffer A] bij haar ouders woont en/of

-met die [slachtoffer A] een (liefdes)relatie aangegaan en/of bij die [slachtoffer A] de indruk

heeft gewekt dat zij met verdachte een (monogame) liefdesrelatie had en/of

-die [slachtoffer A] (tegen haar zin) heeft/hebben opgehaald bij haar woning en/of

-voor haar huis die [slachtoffer A] via de sms geëist dat ze naar buiten zou komen en/of

die [slachtoffer A] per sms of via een telefoongesprek gezegd dat ze ergens naar toe

moet komen en/of

-die [slachtoffer A] tegen haar zin en/of wil meegenomen naar een woning in Harderwijk

en/of

-tegen die [slachtoffer A] gezegd dat hij wist waar haar moeder werkte en/of dat hij

haar wel wist te vinden en/of

-tegen die [slachtoffer A] gezegd dat hij haar vriend ([ex vriend slachtoffer A]) in elkaar zou slaan en/of

-die [slachtoffer A] bedreigd en/of

-die [slachtoffer A] gedwongen tot seks met hem en/of zijn mededaders en/of

-die [slachtoffer A] mishandeld en/of

-die [slachtoffer A] gedrogeerd en/of bewogen drugs te laten innemen en/of

-die [slachtoffer A] naar een (seks)club en/of prostitutiegebied en/of klanten gebracht

en/of laten brengen en/of

-gebruik gemaakt van de auto van die [slachtoffer A] en/of terwijl die [slachtoffer A] de benzine

en/of kosten van die auto heeft betaald en/of

-bepaald waar naar toe gereden wordt met de auto en/of

-het mobiele telefoonnummer van die [slachtoffer A] in gebruik terwijl die [slachtoffer A] de

kosten van het bellen betaald en/of

-(een deel van) het door [slachtoffer A] verdiende geld ingenomen en/of beheerd en/of

(deels) aangewend voor zijn eigen gebruik en/of

-die [slachtoffer A] voorgesteld en/of opdracht gegeven en/of bewogen om een woning te

betrekken zonder op de inschrijfformulieren te vermelden dat ze er niet alleen

gaat wonen

door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer A] een

(afhankelijkheids)situatie is ontstaan waaraan zij zich niet heeft kunnen

onttrekken en/of tengevolge waarvan zij geen weerstand aan verdachte en zijn

mededaders heeft kunnen bieden;

art 273f lid 1 ahf/sub 6 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 9 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 3 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari

2010 tot en met 30 april 2010 te Harderwijk en/of Zeewolde en/of Amersfoort,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen,

(telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met

geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer A] heeft gedwongen tot het

ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit

het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer A], hebbende verdachte

en/of diens mededader(s)

(telkens) zijn/hun penis in de mond en/of de vagina en/of de anus van die

[slachtoffer A] gebracht en/of bewogen en/of geduwd en/of

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging

met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte

en/of diens mededader(s)

-die [slachtoffer A] (tegen haar zin) heeft/hebben opgehaald bij haar woning en/of

-tegen die [slachtoffer A] gezegd dat ze mee moest gaan met hem, verdachte en/of diens

mededader(s), en/of

-voor haar huis die [slachtoffer A] via de sms geëist dat ze naar buiten zou komen en/of

die [slachtoffer A] per sms of via een telefoongesprek gezegd dat ze ergens naar toe

moet komen en/of

-die [slachtoffer A] tegen haar zin en/of wil meegenomen naar een woning in Harderwijk

en/of

-die [slachtoffer A] gedrogeerd en/of bewogen drugs te laten innemen (zodat zij

onmachtig was)

en/of (aldus) voor die [slachtoffer A] (telkens) een bedreigende situatie heeft doen

ontstaan;

Artikel 242 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari

2010 tot en met 30 april 2010 te Harderwijk en/of Zeewolde en/of Amersfoort,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen,

met [slachtoffer A], van wie hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) wist(en) dat die [slachtoffer A] in staat van bewusteloosheid, verminderd

bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige

gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed

dat die [slachtoffer A] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen

of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer

handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer A], hebbende verdachte en/of

(een of meer van) zijn mededader(s)

(telkens) zijn/hun penis in de mond en/of de vagina en/of de anus van die

[slachtoffer A] gebracht en/of bewogen en/of geduwd;

Artikel 243 Wetboek van Strafrecht

EN/OF

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari

2010 tot en met 30 april 2010 te Harderwijk en/of Zeewolde en/of Amersfoort,

althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen,

met [slachtoffer A], van wie hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) wist(en) dat die [slachtoffer A] in staat van bewusteloosheid, verminderd

bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige

gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed

dat die [slachtoffer A] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen

of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit (telkens)

- zijn/hun penis (na)bij en/of tegen de mond en/of de vagina en/of de anus van

die [slachtoffer A] brengen en/of bewegen en/of duwen en/of

- sperma op het lichaam van die [slachtoffer A] aanbrengen en/of achterlaten;

Artikel 247 Wetboek van Strafrecht

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en

met 13 september 2011 te Harderwijk en/of te Zeewolde en/of Ermelo en/of

Apeldoorn, althans in het arrondissement Zutphen en/of elders in Nederland, in

elk geval (telkens) in Nederland,

(lid 3, onder 1°)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen

een ander, te weten, [slachtoffer B], (geboren [1995]), terwijl die

ander de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

(lid 1, onder 2°)

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen

met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer B],

immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (één of meermalen)

- met die [slachtoffer B] een (liefdes)relatie aangegaan en/of bij die [slachtoffer B] de

indruk gewekt dat zij met verdachte een (monogame) liefdesrelatie had en/of

- aan [slachtoffer A] gevraagd of zij wilde meespelen om die [slachtoffer B] te helpen met

geld verdienen (in de prostitutie) en/of hem, verdachte, helpen om er (samen)

beter van te worden;

art 273f lid 3 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 2° Wetboek van Strafrecht

ALTHANS,

dat hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2010 tot en met 13 september 2011 te Harderwijk en/of te Zeewolde en/of te Ermelo en/of te Apeldoorn, althans in het arrondissement Zutphen en/of elders in Nederland, in elk geval (telkens) in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

(lid 3, onder 1°)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen

een ander, te weten, [slachtoffer B], (geboren [1995]), terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

(lid 1, onder 2°)

te werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en/of opnemen

met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer B],

immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (één of meermalen)

- met die [slachtoffer B] een (liefdes)relatie aangegaan en/of bij die [slachtoffer B] de

indruk gewekt dat zij met verdachte een (monogame) liefdesrelatie had en/of

- aan [slachtoffer A] gevraagd of zij wilde meespelen om die [slachtoffer B] te helpen met

geld verdienen (in de prostitutie) en/of hem, verdachte, helpen om er (samen) beter van te

worden

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

art 273f lid 3 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 2° Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari

2010 tot en met 13 september 2011 te Harderwijk en/of Zeewolde en/of

Amersfoort, althans (telkens) in Nederland,

(telkens) van (een) voorwerp(en), te weten grote hoeveelheden contant geld,

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of

verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en), te weten voornoemde

grote hoeveelheden contant geld, was of wie bovenomschreven voorwerp(en), te

weten voornoemde grote hoeveelheden contant geld, voorhanden had,

terwijl hij, verdachte wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat

dat/die voorwerp(en), te weten voornoemde hoeveelheden contant geld -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf

en/of

(telkens) (een) voorwerp(en), te weten grote hoeveelheden contant geld, heeft

verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans

van (een) voorwerp(en), te weten voornoemde grote hoeveelheden contant geld,

gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte wist, althans rederlijkerwijs had moeten vermoeden dat

dat/die voorwerp(en), te weten voornoemde grote hoeveelheden contant geld -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

immers heeft verdachte (met voornoemde wetenschap)

- (telkens) grote geldbedragen en/of goederen verworven en/of omgezet en/of

vervoerd en/of afgeleverd en/of voorhanden gehad;

art 420bis lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 sub b Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 sub b Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

2. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat er sprake is van een aantal vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en dat deze opeenstapeling van vormverzuimen en inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, die hebben plaatsgevonden in het voorbereidend onderzoek, ieder op zichzelf, dan toch in elk geval in samenhang met elkaar, tot de slotsom moeten leiden dat het OM zijn vervolgingsrecht heeft verspeeld.

De raadsman heeft deze vormverzuimen opgesomd en toegelicht een en ander zoals verwoord in de door hem overgelegde pleitnota.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

De rechtbank is van oordeel dat er wel sprake is geweest van een rechtmatige start van dit onderzoek. Naar aanleiding van de zorgmelding van de psychiater op 26 februari 2010 en naar aanleiding van meldingen van de moeder van [slachtoffer A], is er door de politie vanaf 13 april 2010 een onderzoek gestart. Daarbij is gebruik gemaakt van de onderzoeksmogelijkheden die het Wetboek van Strafvordering biedt, waaronder middelen die door de rechter-commissaris zijn getoetst. Naar aanleiding van dit onderzoek en de resultaten is besloten dat deze verdachte moest worden aangehouden en vervolgd. Dat er sprake zou zijn geweest van een "heksenjacht" of dat het strafdossier eenzijdig is opgebouwd is de rechtbank niet gebleken. In ieder geval kan dit ook niet afgeleid worden uit een door de verdediging gewraakt bericht in de pers waarin elke nuance ontbreekt nu dit kwalijk het openbaar ministerie kan worden tegengeworpen.

Voorts is de verdediging van mening dat op een aantal onderdelen de Aanwijzing mensenhandel en de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik niet zijn nageleefd. Ten tijde van de tenlastegelegde periode was de Aanwijzing mensenhandel, ingegaan op 1 januari 2009, van kracht en de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik van 1 januari 2009. De raadsman geeft aan dat in beide aanwijzingen naar voren komt dat er een informatief gesprek dient te worden gevoerd voorafgaand aan de aangifte en dat dit niet is gebeurd. Voorts klaagt hij erover dat nergens uit het proces-verbaal blijkt dat [slachtoffer A] is gewezen op de consequenties van het verlenen van medewerking aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek van mensenhandel. Ook is het kennismakingsgesprek van 11 augustus 2010 niet geverbaliseerd in strijd met artikel 152 Wetboek van Strafvordering. De officier van justitie heeft aangegeven dat het kennismakingsgesprek op 11 augustus 2010 niet meer was dan het woord al zegt en dat er niets inhoudelijks is besproken. Dit is ook geverbaliseerd door verbalisanten op pagina 786 van het dossier en meer viel er niet over te melden. De rechtbank heeft geen aanleiding hieraan te twijfelen en legt het verweer dus naast zich neer. De aanname van de raadsman dat bij dit gesprek de moeder van [slachtoffer A] aanwezig zal zijn geweest, nu de verbalisanten in een later verhoor refereren aan een voorbeeld over een computer zoals eerder genoemd door de moeder van [slachtoffer A], kan de rechtbank niet volgen, nu de verbalisanten reeds eerder met moeder contact hadden dan 11 augustus 2010 en dat onderwerp dus ook eerder ter sprake kan zijn gekomen. Overigens is het de vraag of het überhaupt relevant kan worden geacht of de moeder bij de kennismaking aanwezig is geweest, gelet op het feit dat er niets inhoudelijks is besproken. In ieder geval staat vast dat de moeder bij de overige verhoren niet aanwezig is geweest. Hiermee kan de vraag of de moeder als vertrouwenspersoon moet worden aangemerkt in het midden blijven.

De stelling van de raadsman dat uit de Aanwijzingen volgt dat [slachtoffer A] gewezen had moeten worden op de consequenties van het verlenen van medewerking aan het opsporings- of vervolgingsonderzoek van mensenhandel, ontbeert feitelijke grondslag. Overigens is tijdens het verhoor van 12 augustus 2010 en de verhoren die daarna volgden [slachtoffer A] uitgebreid verteld wat de bedoeling is en wat de consequenties waren van haar verklaringen. Tijdens deze verhoren heeft [slachtoffer A] laten weten dat zij begrijpt dat wat zij de politie heeft verteld en nog ging vertellen, zou worden gebruikt voor het onderzoek1. Bovendien heeft [slachtoffer A] tijdens het studioverhoor dat op 14 maart 2012 heeft plaatsgevonden, opgemerkt dat zij begrijpt dat alle informatie gebruikt zal gaan worden voor het onderzoek.

Voorts de opmerking over het informatief gesprek voorafgaand aan de aangifte. Vast staat dat er geen aangifte is gedaan door [slachtoffer A], hetgeen vragen doet rijzen over de relevantie van het verweer. Wat hier ook van zij, uit de beide Aanwijzingen volgt dat er, voorafgaand aan de aangifte, een informatief gesprek dient plaats te vinden tussen de opsporingsambtenaar en het slachtoffer. Bij het informatieve gesprek wordt het slachtoffer de mogelijkheid geboden te vertellen wat hem/haar is overkomen. In de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik wordt nog opgemerkt dat onderbrekingen geoorloofd zijn om de draad van het verhaal te kunnen blijven volgen. De opsporingsambtenaar moet na dit gesprek in staat zijn om de betrokkene voor te lichten welke de consequenties zijn van het doen van aangifte. Dat betekent dat hij tenminste zicht moet hebben op welk strafbaar feit het eventueel betreft en hoe de kansen voor de opsporing liggen. Uit het voorgaande volgt dat hetgeen er is gebeurd in de verhoren van [slachtoffer A] bij de politie geen grond geeft voor de stelling dat de aanwijzingen niet zijn nageleefd; de verbalisanten hebben [slachtoffer A] haar verhaal laten doen om duidelijk te krijgen wat er speelde, zodat zij haar op hun beurt informatie zouden kunnen verschaffen over het doen van een aangifte. Zover is het echter nooit gekomen nu [slachtoffer A] op 12 oktober 2010 heeft aangegeven met rust gelaten te willen worden. Overige punten die in een informatief gesprek naar voren komen regarderen slechts de belangen van het slachtoffer en door het eventuele ontbreken daarvan is verdachte niet in zijn belangen geschaad.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat in de verhoren geen ongeoorloofde druk op [slachtoffer A] is gelegd om te verklaren noch dat er door de wijze van vraagstelling zou kunnen worden geconcludeerd dat [slachtoffer A] anders heeft verklaard dan zij zou hebben gewild.

Met betrekking tot het verweer over het ontbreken van het informatief gesprek met [slachtoffer B] verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is opgenomen. Ook met betrekking tot haar verhoren kan niet geconcludeerd worden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, ook niet vanwege het horen van deze getuige kort voor haar verhoor bij de rechter-commissaris.

Ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer voor zover dat ziet op de OVC-gesprekken in relatie met [slachtoffer B] is de rechtbank van oordeel dat dit verweer geen reden is om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank is -kort gezegd- niet gebleken van boos opzet bij het Openbaar Ministerie met betrekking tot de geconstateerde termijnoverschrijding. Er is veeleer sprake van een slordigheid. De rechtbank zal bij bespreking van de bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde verder ingaan op dit verweer.

Samengevat komt de rechtbank tot het oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

3. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Vaststaande feiten/aanleiding van het onderzoek

Dit onderzoek is in het voorjaar van 2010 gestart naar aanleiding van een zorgmelding van de psychiater van [slachtoffer A]. In april 2010 is door het OM een opsporingsonderzoek naar de vermeende mensenhandel gestart. De politie heeft vervolgens verklaringen verzameld van de psychiater van [slachtoffer A], van de moeder van [slachtoffer A], haar ex-vriend [ex vriend slachtoffer A], maar ook verklaringen van [slachtoffer A] zelf. Daarnaast zijn in 2011 telefoons getapt en vond OVC in de auto van [slachtoffer A] plaats. Dit alles vormde voor het Openbaar Ministerie voldoende aanleiding om verdachte ambtshalve te vervolgen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht een en ander zoals verwoord in haar overgelegd schriftelijk requisitoir.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman beroept zich - subsidiair- op onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, waardoor alle zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen van het bewijs dienen te worden uitgesloten en de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten is de raadsman van mening dat er geen ondersteunend bewijs is, aangezien alle verklaringen van [moeder slachtoffer A] (de moeder van [slachtoffer A]), met inbegrip van de in verband daarmee opgemaakte processen-verbaal van bevindingen, dienen uitgesloten te worden voor het bewijs, evenals alle verklaringen van [slachtoffer B], nu deze verklaringen onrechtmatig zijn verkregen.

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken en voert daartoe het volgende aan.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer A], afgelegd op 12, 19 en 31 augustus 2010 en de verklaring van 13 september 2010, uitgesloten dienen te worden van het bewijs, nu deze op onzorgvuldige wijze zijn verkregen hetgeen ernstig afbreuk doet aan de betrouwbaarheid daarvan. Bovendien is de raadsman van mening dat deze verklaringen ook als niet voldoende betrouwbaar moeten worden aangemerkt aangezien zij inconsistent zijn en op belangrijke onderdelen van elkaar verschillen. Daarnaast heeft [slachtoffer A] in een brief van 26 december 2011 gericht aan de officier van justitie en tijdens het verhoor van 14 maart 2012 bij de rechter-commissaris uitdrukkelijk bevestigd dat er geen sprake is van mensenhandel in de ruimste zin des woords, dat zij vrijwillig de prostitutie is ingegaan, zelfs voordat zij verdachte had ontmoet, dat ze daartoe niet gedwongen of bewogen is door verdachte en dat er evenmin sprake was van een afhankelijkheidssituatie waaraan zij zich niet heeft kunnen onttrekken, aldus de raadsman.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman opgemerkt dat de vermeende verkrachtingen niet bewezen kunnen worden omdat [slachtoffer A] later op haar verklaringen is teruggekomen. Bovendien, zo merkt de raadsman op, zijn de oorspronkelijk belastende verklaringen onzorgvuldig tot stand gekomen, waardoor (subsidiair) bewijsuitsluiting moet volgen en zijn de verklaringen die in augustus en september 2010 zijn afgelegd bovendien geloofwaardig noch overtuigend.

De raadsman stelt ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde dat het OM enkel en alleen op grond van een opgenomen vertrouwelijk gesprek tussen verdachte en [slachtoffer A] op 27 juni 2011 tussen 16.45 uur en 16.59 uur dit ten laste gelegde feit heeft geformuleerd, waarna [slachtoffer B], geconfronteerd met dit OVC-gesprek, uit rancune (belastend) is gaan verklaren. De raadsman stelt dat, nu uit de machtiging van de rechter-commissaris blijkt dat er voor de op 27 juni 2011 opgenomen vertrouwelijke gesprekken geen grondslag meer lag (de machtiging van de rechter-commissaris verliep op 26 juni 2011 iets na middernacht), dit OVC-gesprek uitgesloten dient te worden als bewijsmiddel.

Tot slot heeft de raadsman ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde opgemerkt dat niet bewezen kan worden dat het goed, in casu geld, van enig misdrijf afkomstig was en dat, eerst als dit vaststaat, de vraag aan de orde kan komen of verdachte wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig was. Daarnaast heeft het onderzoek in de onderhavige strafzaak geen bewijs opgeleverd van het van enig misdrijf afkomstig zijn van het geld en zijn bovendien bij de aanhouding en de doorzoeking van de woning van verdachte geen bedragen aangetroffen, laat staan bedragen waarvan vaststaat dat deze afkomstig zijn van enig misdrijf, aldus de raadsman.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat voor het onder 2 ten laste gelegde feit onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is en dat verdachte hiervan behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de verklaring van [slachtoffer A] alleen niet kan worden vastgesteld met wie ze die eerste keer seks heeft gehad in de woning van [naam 1] en ook niet hoe de samenwerking tussen de jongens zou zijn gegaan. Nu bovendien geen sporen bewaard zijn gebleven en dus niet kan worden vastgesteld van wie het sperma was, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor het (mede)plegen door verdachte en voor de onderdelen die zien op de (groeps)verkrachting in de woning. Over het tweede incident met verdachte alleen (op het strand bij Zeewolde) oordeelt de rechtbank dat niet bewezen kan worden dat verdachte die [slachtoffer A] door geweld of door andere feitelijkheden of door bedreiging met geweld heeft gedwongen tot het ondergaan en/of plegen van seksuele handelingen. De rechtbank overweegt daartoe dat [slachtoffer A] hierover heeft verklaard: "....en toen vroeg tie of ik dingen met hem wilde doen en toen heb ik het maar gedaan. Ik heb toen niks meer gezegd, ik heb het toen maar gewoon gedaan2." Weliswaar geeft [slachtoffer A] aan dat zij dit onvrijwillig deed, echter uit haar verklaring kan niet worden afgeleid dat verdachte zich hiervan bewust moet zijn geweest. Over een derde incident wil [slachtoffer A] geen verklaring afleggen3.

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan, zodat dat verdachte hiervan eveneens behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de machtiging van de rechter-commissaris4 blijkt dat het bevel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie is gegeven voor een periode van maximaal vier weken, met ingang van 30 mei 2011. Dit betekent dat de machtiging was verlopen op 27 juni 2011, iets na middernacht. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het op 27 juni 201 tussen 16.45 uur en 16.59 uur tussen verdachte en [slachtoffer A] opgenomen vertrouwelijk gesprek uitgesloten dient te worden als bewijsmiddel. Het standpunt van het openbaar ministerie dat de verdachte zich niet kan beroepen op dit vormverzuim gelet op de schutznorm snijdt geen hout. Ten tijde van de inzet van dit opsporingsmiddel was zonneklaar dat verdachte ruim gebruik maakte van de auto en dat ook hij dus door niet-naleving van het voorschrift getroffen was in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Aangezien zonder dit onrechtmatig verkregen OVC-gesprek en de verklaringen van [slachtoffer B] die zij op basis van dit OVC-gesprek naderhand heeft afgelegd onvoldoende bewijs overblijft voor een bewezenverklaring, dient verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit onder 3.

Tot slot acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 ten laste gelegde en zal zij hem daarvan eveneens vrijspreken. Uit het financiële onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting komt naar voren dat [slachtoffer A] regelmatig betalingen deed voor verdachte en dat verdachte regelmatig de nodige druk op haar uitoefende om geld aan hem te geven. Ook blijkt uit het onderzoek dat [slachtoffer A] bijna dagelijks iets te eten voor verdachte haalde, dat zij zijn telefoonrekeningen betaalde, alsook dat zij de brandstof voor de auto, waarvan verdachte veelvuldig gebruik maakt, betaalde5. Echter, gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van (schuld)witwassen, nu uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat verdachte zelf grote hoeveelheden contant geld voorhanden heeft gehad, heeft verworven, omgezet, vervoerd of heeft afgeleverd.

Feiten

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder feit 16 wettig en overtuigend bewezen.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer A]

De rechtbank is van oordeel dat zij, gelet op de hieronder vermelde bewijsmiddelen, geen reden heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer A]. De verklaringen van [slachtoffer A] worden bovendien op onderdelen ondersteund door ander in het dossier voorhanden bewijs, te weten chat- en OVC-gesprekken. Ook heeft [slachtoffer A] (in haar eerste verklaringen) gedetailleerd en consistent verklaard over het grensoverschrijdende gedrag van verdachte. De verklaringen van [slachtoffer A] kunnen derhalve ten volle aan het bewijs bijdragen. De rechtbank acht de brief die [slachtoffer A] tijdens de pro forma zitting van 27 december 2011 aan de officier van justitie heeft overhandigd en de verklaring die zij bij de rechter-commissaris op 14 maart 2012 heeft afgelegd, waarin zij aangeeft dat zij heeft gelogen, ongeloofwaardig. De rechtbank baseert zich daarbij op het gegeven dat de eerste (belastende) verklaringen door [slachtoffer A] met emotie zijn afgelegd en dat zij in die eerste verhoren niet alleen over verdachte, maar ook over andere jongens en over andere situaties zeer gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Daarbij acht de rechtbank het curieus dat [slachtoffer A], als het inderdaad gelogen was, zou wachten tot de beperkingen van verdachte waren opgeheven en pas bij de pro forma zitting de brief zou hebben overhandigd. De rechtbank zal de verklaringen van [slachtoffer A] gebruiken voor het bewijs en naar het oordeel van de rechtbank is, conform artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, niet vereist dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.

Een bewezenverklaring van artikel 273f, eerste lid, sub 1, van het Wetboek van Strafrecht kan volgen als verdachte ten aanzien van [slachtoffer A] een of meer handelingen heeft verricht met het oogmerk van uitbuiting en met gebruikmaking van (één van) de in dat artikel genoemde dwangmiddelen.

Een bewezenverklaring van artikel 273f, eerste lid, sub 4, van het Wetboek van Strafrecht kan volgen als verdachte [slachtoffer A] met gebruikmaking van (één van) de in dat artikel genoemde dwangmiddelen heeft aangezet tot prostitutie.

Een bewezenverklaring van artikel 273f, eerste lid, sub 6, van het Wetboek van Strafrecht kan volgen als verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer A].

Een bewezenverklaring van artikel 273f, eerste lid, sub 9, van het Wetboek van Strafrecht kan volgen als verdachte [slachtoffer A] met gebruikmaking van (één van) de in dat artikel genoemde dwangmiddelen heeft gedwongen tot afgifte van de opbrengsten uit de prostitutie.

Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

[slachtoffer A] heeft verklaard dat zij verdachte in januari/februari 2010 voor het eerst heeft ontmoet en dat dat was in een coffeeshop in Harderwijk7. Uit de verklaring van [slachtoffer A] blijkt dat er in Harderwijk, Zeewolde, Ermelo, Apeldoorn, Utrecht8, Amersfoort en Amsterdam9 door verdachte handelingen zijn verricht waardoor zij is bewogen in de prostitutie te gaan werken.

De dwangmiddelen

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door dreiging met geweld en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van haar kwetsbare positie [slachtoffer A] heeft bewogen in de prostitutie te gaan werken. Zij overweegt daartoe dat [slachtoffer A] daarover heeft verklaard dat verdachte via de sms had geëist dat ze naar buiten moest komen en dat hij haar tegen haar zin ophaalde bij haar woning10. Ook heeft ze verklaard dat ze bang was voor verdachte11, dat verdachte heeft gedreigd dat hij wist waar haar moeder werkte12 en dat verdachte heeft gedreigd haar ex-vriend [ex vriend slachtoffer A] in elkaar te slaan13. Zowel de moeder, [moeder slachtoffer A]14, als haar vader, [vader slachtoffer A]15 bevestigen dat [slachtoffer A] tegen haar wil is meegenomen door verdachte en dat ze aan hen heeft verteld dat ze geen "nee" durfde te zeggen tegen verdachte en dat ze niet goed kan vertellen waarom ze bang is voor verdachte16. [moeder slachtoffer A] heeft op 26 maart 2010 blauwe plekken op de armen van [slachtoffer A] gezien, waarbij [slachtoffer A] aan haar heeft verteld dat zij niet mocht bepalen waar ze heen ging en dat de blauwe plekken kwamen omdat ze hardhandig was vastgepakt17. [moeder slachtoffer A] heeft eveneens verklaard dat [slachtoffer A] er vanaf oktober 2010 tot mei 2011 steeds slechter uit ging zien, dat [slachtoffer A] in de prostitutie werkte en dat ze schulden had18.

Ook uit de OVC-gesprekken blijkt dat verdachte [slachtoffer A] in juni 2011 slaat19. Verdachte heeft derhalve (een aantal van) de in de wet vermelde dwangmiddelen gebruikt.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door [slachtoffer A] te laten werken op de wijze waarop hij dat deed, misbruik heeft gemaakt van haar zwakke en kwetsbare positie en van zijn feitelijk overwicht op haar. Dit laatste blijkt onder andere uit de verklaring van getuige [getuige A]20 dat [slachtoffer A] verliefd op verdachte was. Dit blijkt voorts uit een sms waarin [slachtoffer A] aan verdachte aangeeft: "I love you sweety voor jou doe ik alles, onthoud dat"21.

Ook was [slachtoffer A] kwetsbaar vanwege haar geestelijke gesteldheid, die kenbaar moet zijn geweest voor verdachte gelet op het feit dat bijvoorbeeld getuige [getuige B] 22 aangeeft dat hij haar kort uitgedrukt niet zo slim vond en getuige [getuige C]23 opmerkt dat hij haar twee weken kent en wel gemerkt heeft dat [slachtoffer A] een verstandelijke beperking heeft en dat ze in vierkantjes denkt.

Handelingen

Verdachte heeft blijkens de bewijsmiddelen [slachtoffer A] vervoerd en overgebracht en haar bewogen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden. De rechtbank acht daarbij wederom de (consistente en gedetailleerde) verklaringen van [slachtoffer A]24 redengevend. Naast de verklaringen van [slachtoffer A]25 hebben zowel haar moeder26 als haar vader27 bevestigd dat [slachtoffer A] vanaf februari 2010 thuis werd opgehaald in auto's van anderen en dat op het moment dat [slachtoffer A] zelf een auto op haar naam heeft, verdachte en vrienden van hem erin rijden als [slachtoffer A] op haar werk is afgezet. Door het OT wordt gezien dat verdachte in de auto op naam van [slachtoffer A] rijdt28. Daarnaast ziet het OT dat [slachtoffer A] in mei, juni en september 2011 door verdachte wordt afgezet bij [Huize]29. Tevens blijkt uit tap- en OVC-gesprekken in de periode van 16 mei tot 13 juni 2011 en 9 tot 13 september 201130 dat verdachte in de auto van [slachtoffer A] rijdt en dat hij haar bij [huize te plaats] ophaalt of iemand anders stuurt31. Hier heeft [moeder slachtoffer A] ook over verklaard32. Bovendien hebben de beheerster van [Huize], [beheerster]33., alsmede een medeprostituee uit [Huize], [prostituee]34, bevestigd dat verdachte [slachtoffer A] altijd bracht en haalde. Werken in de prostitutie blijkt ook uit een controle op de Wallen in Amsterdam 35 en uit seksadvertenties36 vanaf april 2011.

(Oogmerk van) uitbuiting en het aanzetten tot prostitutie

In het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2009 (LJN:BI7079) is vermeld dat bij beantwoording van de vraag of sprake is van uitbuiting onder meer betekenis toekomt aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller word behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Daar komt bij dat voor de vervulling van de delictsomschrijving niet nodig is dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit. Het voorgaande in ogenschouw genomen overweegt de rechtbank dat [slachtoffer A] in een afhankelijke positie terecht is gekomen, doordat zij verliefd was op verdachte, alles moest doen wat verdachte zei, hij haar geld (deels) besteedde en haar schulden bezorgde en hij het vervoer naar haar werk regelde en zij gedurende langere tijd niet over een auto beschikte, doordat verdachte daarin reed. Aldus werd [slachtoffer A] afhankelijk van de verdachte en bevond zij zich eveneens daardoor in een kwetsbare positie. Dit oogmerk van uitbuiting blijkt ook uit de tap37- en OVC-gesprekken38.

Naast de verklaringen van [slachtoffer A] in 201039 heeft zij ook bij de rechter-commissaris op 14 maart 2012 bevestigd dat verdachte gebruik maakte van haar auto als zij aan het werk was, dat zij de benzinekosten en boetes voor de auto betaalde en dat verdachte een telefoon van haar gebruikte, waarvan zij de kosten betaalde. Daarbij verwijst de rechtbank naar een selectie van een aantal sms'jes tussen [slachtoffer A] en verdachte. In sms'jes tussen 19 en 24 mei 2011 staat dat als [slachtoffer A] geen geld geeft, hij 6 dagen moet zitten, of ze dat wil40. Op 22 mei 2011 laat verdachte weten dat geld voor tanken niet nodig is, want er zit genoeg in41. Op 25 mei 2011 sms't verdachte dat [slachtoffer A] voortaan eerder geld moet betalen voor de telefoon van verdachte42. Op 27 mei 2011 mag [slachtoffer A] van haar eigen geld een wit gouden tand kopen van € 140,0043. Op 10 juni 2011 voeren verdachte en [slachtoffer A] een sms wisseling over hoeveel geld ze mee moet nemen naar verdachte44. Daarnaast heeft [moeder slachtoffer A]45 de opmerking van [slachtoffer A]46 bevestigd dat ze, sinds verdachte vast zit, meer te besteden heeft.

Voordeel trekken uit de uitbuiting en bewegen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de prostitutie.

Gelet op hetgeen hiervoor omtrent de uitbuiting van [slachtoffer A] is overwogen, leidt dit tot de conclusie dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer A] (artikel 273f, eerste lid, sub 6 van het Wetboek van Strafrecht) en door het hanteren van dwangmiddelen en misbruik uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en misbruik van haar kwetsbare positie[slachtoffer A] heeft bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengsten van dat prostitutiewerk (artikel 273f, eerste lid, sub 9 van het Wetboek van Strafrecht).

Ter illustratie volgen hieronder een aantal chat- en OVC-gesprekken:

21 mei chat met [getuige A]47:

[e-mailadres 1] aan [e-mailadres 2]

"[naam] je houd van [slachtoffer A] en je laat haar neuke met andere (....)"

[e-mailadres 2] aan [e-mailadres 1] aan

"ik hou van geld"

Chatgesprek dd. 26 mei 2011 met [g[getuige A]48

[e-mailadres 1] aan [e-mailadres 2]

"dus toen je met mij ging werkte zy al voorj

OVC 31 mei 2011

[slachtoffer A] zegt als [verdachte] meer poen moet hebben, hij maar in haar tas moet kijken49.

6 juni 2011: [slachtoffer A] en verdachte spreken over sponsjes.

[slachtoffer A] vraagt hoeveel ze kosten en bedankt een nn persoon. Verdachte vraagt hoeveel ze heeft. 10 of 15 euro zegt [slachtoffer A]: "je hebt ze toch ook per 2" zegt verdachte....(...) "Je kan die ene toch gebruiken die je al gebruikt hebt." "Ja, maar die heb ik al gebruikt", zegt [slachtoffer A]. "Maar je kan ze toch wassen", zegt verdachte. "Maar dat kan je toch niet 100 keer doen", zegt [slachtoffer A]. "Ja, maar in een noodsituatie kan je dat toch wel 100 keer doen", zegt verdachte. "Ja, maar ze krijgen dinsdag altijd", zegt [slachtoffer A]. Even later wordt verdachte boos dat [slachtoffer A] hem gebeld heeft. Hij had gezegd dat ze moest smsen. Verdachte zegt dat ze hem chagerijnig heeft gemaakt. Ze heeft hem 2 keer wakker gebeld. Op gegeven moment zegt verdachte "hier een tientje" en scheldt haar uit voor kankermongool50.

7 juni 2011 om 03.01 uur praat [slachtoffer A] in zichzelf dat hij geen respect voor haar heeft...elke keer weer. [slachtoffer A] zegt dat het ophoudt...ze kan er niet meer tegen51.

8 juni 2011 met broer [naam 2], [naam 3] en een [naam 4], waarbij [naam 2] zegt: "je moet die wijven die achter de ramen werken"(....) "gewoon die voor jou werken", waarop [naam 3] zegt: "En [verdachte], hij heeft het ook wel goed gedaan of niet". Even later zegt [naam 3]: "maar tegenwoordig moet je haar gewoon inschrijven, gewoon legaal52."

16 juni 2011

[slachtoffer A] is boos omdat verdachte ging zeggen waar zijn broertje bij was, "hoeveel vandaag". Later zegt [slachtoffer A], "ik moet zeker weer mijn bek houden." Verdachte zegt, "ja, tuurlijk. Anders sla ik hem wel dicht."

Verdachte zegt dat hij de hoofdpatroon is.

[slachtoffer A] zegt "denk je, jouw broertje is dom. Je neemt hem elke ochtend mee. Je gaat me elke ochtend ophalen."

Verdachte zegt even later"hij gaat tegen jou zeggen nu. Ga ik jou slaan he."

Verdachte zegt "ik ga jou hoek geven."

Verdachte zegt "hee [naam 5]. Zij gaat een paar klappen krijgen zo. Zij gaat sowieso een pak slaag krijgen gek."53

Op grond van voormelde bewijsmiddelen en de bewijsmiddelen zoals opgesomd en besproken, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verdachte van de hieronder opgesomde feitelijke handelingen dient te worden vrijgesproken, nu deze bestanddelen niet bewezen kunnen worden verklaard, dan wel voor het bewezenverklaarde niets toevoegen. De rechtbank overweegt omtrent de eerste 3 gedachtenstreepjes nog het volgende. Hoewel er geen bewijsmiddelen zijn die aan geven dat verdachte op de hoogte is van het feit dat [slachtoffer A] autistisch is, of onder behandeling van een psychiater is, laat dat onverlet dat aan het bestanddeel misbruik van een kwetsbare positie wel betekenis toekomt, maar dat dit niet nader geconcretiseerd hoeft te worden in de tenlastelegging.

- terwijl die [slachtoffer A] autistisch is en/of;

- terwijl die [slachtoffer A] onder behandeling staat van een psychiater en/of;

- terwijl die [slachtoffer A] bij haar ouders woont en/of

- die [slachtoffer A] per sms of via een telefoongesprek gezegd dat ze ergens naar toe moest komen en/of;

- die [slachtoffer A] tegen haar zin en/of wil meegenomen naar een woning in Harderwijk en/of;

- die [slachtoffer A] bedreigd en/of;

- die [slachtoffer A] gedwongen tot seks met hem en/of zijn mededaders en/of;

- die [slachtoffer A] voorgesteld en/of opdracht gegeven en/of bewogen om een woning te betrekken zonder op de inschrijfformulieren te vermelden dat ze er niet alleen gaat wonen.

4. Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde, heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 februari 2010 tot en met 13 september 2011 te Harderwijk en/of te Zeewolde en/of Ermelo en/of Apeldoorn en/of Amersfoort en/of Utrecht en/of Amsterdam,

(lid 3, onder 1°)

een ander, te weten, [slachtoffer A]

(lid 1, onder 1°)

door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van de kwetsbare positie, heeft geworven, vervoerd, en overgebracht, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer A],

en

(lid 1, onder 4°)

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° van dit artikel genoemde middelen, te weten door dreiging met geweld en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van de kwetsbare positie, die [slachtoffer A] heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten dan wel onder de onder 1° van dit artikel genoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte wist dat die [slachtoffer A] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van diensten,

en

(lid 1, onder 6°)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer A],

en

(lid 1, onder 9°)

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° genoemde middelen, te weten door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van de kwetsbare positie die [slachtoffer A] heeft bewogen hem, verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde,

immers is/heeft verdachte één of meermalen

-met die [slachtoffer A] een relatie aangegaan en bij die [slachtoffer A] de indruk gewekt dat zij met verdachte een liefdesrelatie had en

-die [slachtoffer A] (tegen haar zin) heeft opgehaald bij haar woning en

-voor haar huis die [slachtoffer A] via de sms geëist dat ze naar buiten zou komen en

-tegen die [slachtoffer A] gezegd dat hij wist waar haar moeder werkte en/of dat hij haar wel wist te vinden en

-tegen die [slachtoffer A] gezegd dat hij haar vriend ([ex vriend slachtoffer A]) in elkaar zou slaan en

-die [slachtoffer A] mishandeld en

-die [slachtoffer A] bewogen drugs in te nemen en

-die [slachtoffer A] naar een (seks)club en/of prostitutiegebied gebracht en

-gebruik gemaakt van de auto van die [slachtoffer A] terwijl die [slachtoffer A] de benzine en kosten van die auto heeft betaald en

-bepaald waar naar toe gereden werd met de auto en

-het mobiele telefoonnummer van die [slachtoffer A] in gebruik heeft gehad terwijl die [slachtoffer A] de kosten van het bellen betaald heeft en

-een deel van het door [slachtoffer A] verdiende geld ingenomen en (deels) aangewend voor zijn eigen gebruik

door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer A] een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan waaraan zij zich niet heeft kunnen onttrekken en tengevolge waarvan zij geen weerstand aan verdachte heeft kunnen bieden.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Feit 1:

mensenhandel, meermalen gepleegd.

6. Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft primair terzake alle tenlastegelegde feiten gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar. Subsidiair heeft de officier van justitie, indien de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van enige strafverminderende omstandigheid, gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en zes maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Meer subsidiair heeft de officier van justitie, indien de rechtbank van oordeel is dat enkel het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.

Door de raadsman van verdachte is geen strafmaatverweer gevoerd, maar is volstaan met het bepleiten van integrale vrijspraak (indien niet de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt uitgesproken).

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft misbruik gemaakt van de relatie die hij had met [slachtoffer A], die aanvankelijk geïmponeerd was door zijn dreigende en dwingende gedrag en vervolgens hevig verliefd op hem was. Hij heeft vanuit die positie -misbruik makend van zijn overwicht en haar kwetsbare positie- het zo weten te sturen dat [slachtoffer A] zich aanbood als prostituee en vervolgens in een traject van prostitutie verzeild is geraakt, enkel om verdachte financieel soelaas te bieden. [slachtoffer A] stond zodanig onder invloed dat zij moeilijk inzag dat er misbruik van haar werd gemaakt. Verdachte heeft haar onder druk gezet en misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid.

Seksuele uitbuiting is een ernstige vorm van criminaliteit, want deze vormt een hoogst ernstige inbreuk op de persoonlijke vrijheid en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachte heeft, met volledige miskenning van de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, zijn eigen financieel gewin op de voorgrond gesteld. Zijn handelen moet beschouwd worden als een volstrekte minachting en volledig gebrek aan respect voor de medemens.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van mensenhandel en zedendelicten lang last houden van hetgeen hen is overkomen en dat dit, naar de ervaring leert, veelal leidt tot langdurige psychische schade.

Uit het strafblad van verdachte van 29 mei 2012 blijkt dat verdachte vaker met politie en justitie in aanraking is geweest, hetgeen hem er blijkbaar niet van heeft weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.

De rechtbank acht gelet op vorenstaande een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer passend. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken tegen "loverboys" worden opgelegd. Nu de rechtbank de feiten 2, 3 en 4 niet bewezen acht, resulteert dit in een lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles overwegende zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren opleggen, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

8. In beslag genomen voorwerpen

Onder verdachte is een telefoontoestel in beslag genomen, dat nog niet aan hem is teruggegeven.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het telefoontoestel verbeurd wordt verklaard, aangezien de strafbare feiten van 1, 3 en 4 zijn gepleegd met dit toestel.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoon terug moet worden gegeven aan verdachte, aangezien deze telefoon zijn eigendom is.

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoontoestel, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan.

9. Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer B] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde, tot een bedrag van in totaal € 377,40, -te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van een bedrag van € 377,40 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het schadeveroorzakende moment, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft daartoe nog aangevoerd dat deze reiskosten, ondanks dat het gaat om de reiskosten van de moeder van [slachtoffer B] die zijn gemaakt toen [slachtoffer B] in een opvangtehuis zat, wel een direct gevolg zijn van het strafbare feit en dat deze kosten bovendien voldoende zijn onderbouwd. Aangezien [slachtoffer B] minderjarig is, is de officier van justitie van mening dat er een beroep kan worden gedaan op verplaatste schade.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer B] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, nu vrijspraak van dit ten laste gelegde feit is bepleit.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu verdachte wordt vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1:

mensenhandel, meermalen gepleegd;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaar;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een telefoontoestel, SAMSUNG;

* verklaart de benadeelde partij C. [slachtoffer B] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door mrs. Van Valderen, voorzitter, Prisse en Van Apeldoorn, rechters, in tegenwoordigheid van Vriezekolk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 augustus 2012.

Voetnoten:

1 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A], pag. 294

2 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A], pag. 149

3 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A], pag. 180

4 Machtiging rechter-commissaris, pag. 1538

5 Proces-verbaal van bevindingen financieel, pag. 462-463 (map 3)

6 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van de in wettelijke vorm

opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal met

procesnummer PL0620/2010028230-121, Regio Noord- en Oost Gelderland, District Apeldoorn,

Team Recherche Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 8 december 2011 te Apeldoorn

7 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A], pag. 144

8 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A], pag. 174 en 175

9 Proces-verbaal van verhoor van [naam], pag. 379 en 381 en de verklaring die [moeder slachtoffer A]

d.d. 20 februari 2012 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd

10 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A], pag. 148

11 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A], pag. 170-183

12 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A], pag. 142-294

13 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A], pag. 188

14 Proces-verbaal van verhoor van [moeder slachtoffer A], pag. 562 - 577 en de verklaring die zij dd. 20

februari 2012 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd

15 Verklaring van [vader slachtoffer A] afgelegd bij de rechter-commissaris op 20 februari 2012

16 Proces-verbaal van verhoor van [moeder slachtoffer A], pag. 562 - 577 en de verklaring die zij dd. 20

februari 2012 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd

17 Proces-verbaal van bevindingen van [moeder slachtoffer A], pag. 559-561, pag 566-568, pag. 569-571, pag. 572-577 en de verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris dd. 20 juni 2012

18 Proces-verbaal van verhoor van [moeder slachtoffer A], pag. 318-320 en 322

19 OVC-gesprek dd. 4 juni 2011 00.18 uur, pag. 2398-2399, dd. 11 juni 2011 02.28 uur, pag. 2581, dd. 16 juni 2011 22.59 uur, pag. 2418-2427.

20 Proces-verbaal van verhoor van [getuige A], pag. 400

21 Tap sms-nummer, pag. 2054

22 Proces-verbaal van verhoor van [getuige B], pag. 477

23 Proces-verbaal van verhoor van [getuige C], pag. 385

24 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A], pag.

25 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A], pag. 143-168, pag. 169-183, pag. 184-210 en pag. 213-293

26 Proces-verbaal van verhoor van [moeder slachtoffer A], pag. 559-561, pag. 566-568, pag. 572-577 en de verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris dd. 20 juni 2012

27 Verklaring van [vader slachtoffer A], afgelegd bij de rechter-commissaris dd. 20 juni 2012

28 Proces-verbaal bevindingen OT, pag. 913-920 en 934-943

29 Proces-verbaal van bevindingen OT, pag. 922-924, pag. 949-953 en pag. 954-960

30 Proces-dossier tap, pag. 2050-2096 en proces-dossier OVC, pag. 2328-2332

31 Tap sms-nummers 120 en 121, pag. 2053 en sms-nummer 921, pag. 2091 en sms-nummers 1120, 1150, 1159, 1188, pag. 2093-2094 en sms-nummer 893, pag. 2058-2059 en sms-nummers 1341 tot en met 1345, pag. 2095-2096

32 Proces-verbaal van bevindingen [moeder slachtoffer A], pag. 315-316

33 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten, pag. 408 en 409

34 Proces-verbaal van verhoor van [prostituee], pag. 392-396

35 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 601-603, pag. 1547-1552 en pag. 1553-1554

36 Proces-verbaal van bevindingen seksadvertenties Kinky, pag. 1043-1044 en 1100-1112

37 Proces-verbaal tap, pag. 1116 en 1117 en 2043-2236

38 Proces-verbaal van OVC-gesprekken, pag. 982-984 en 2325-2438

39 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A], pag. 143-168, pag. 169-183, pag. 184-210, pag. 213-293 en bij de rechter-commissaris/studio dd. 14 maart 2012

40 Tap-nummers 339, 342, 285, pag. 2164-2165, sms-nummer 507, pag. 2166, sms-nummers 451 ern 536, pag. 2167-2168 en sms-nummers 711/900 en 712/901, pag. 2174

41 Tap sms-nummers 580/599 en 581/700, pag. 2171-2172

42 Tap sms-nummers 799, 800, 801 en 802, pag. 2176-2177

43 Tap sms-nummers 1013, 1014 en 1021, pag. 2180-2181

44 Tap sms-nummers 2115 t/m 2117, 2598, 2139 t/m 2140, pag. 2193-2195

45 Proces-verbaal van verhoor van [moeder slachtoffer A], pag. 549-553 en de verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris dd. 20 februari 2012.

46 Tapgesprekken 165 t/m 167, 187, 245 en 246, pag. 2203-2205

47 Proces-verbaal van bevindingen (INTAP003), pag. 1139-1140 en pv's dat het oom verdacht gaat, pag. 1125-1136 en 1137-1142

48 Proces-verbaal van bevindingen (INTAP002), pag. 1141-1142, en pv's dat het om verdachte gaat, pag. 1125-1136 en 1137-1142

49 OVC-gesprek, pag. 2339

50 OVC-gesprek dd. 6 juni 2011, pag. 2338-2339

51 OVC-gesprek dd. 7 juni 2011, pag. 2339

52 OVC-gesprek dd. 8 juni 2011, pag. 2521-2526

53 OVC-gesprek dd. 16 juni 2011, pag. 2418-2427