Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX4945

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
10/1410 WOW44
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:CA0704, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet verlenen van een bouwvergunning van een kapschuur in Haarlo (gemeente Berkelland). Hoewel de rechtbank het besluit van de gemeente Berkelland vernietigd laat het de rechtsgevolgen in stand: er komt geen kapschuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 10/1410 WOW44

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te Haarlo,

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit, verzonden op 1 november 2007, heeft verweerder geweigerd om eiser een bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van een kapschuur op het perceel [adres] te Haarlo.

Bij besluit, verzonden op 6 juli 2010 (hierna: het bestreden besluit), heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is door de meervoudige kamer behandeld ter zitting van 24 augustus 2011, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. F.B.M. van Aanhold, advocaat te Zutphen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door G.J. Bomer en M.G.J. Lubberink.

Ter zitting is de zaak geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen om hun geschil onderling te beslechten. Bij brief 23 mei 2012 heeft mr. Van Aanhold de rechtbank bericht dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen.

De zaak is vervolgens door de meervoudige kamer verwezen naar een enkelvoudige kamer.

De zaak is behandeld ter zitting van 2 juli 2012, in aanwezigheid van dezelfde personen als die aanwezig waren ter zitting van 24 augustus 2011.

De rechtbank heeft de zaak geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te brengen. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op elkaars stukken te reageren.

Vervolgens heeft de rechtbank met toestemming van partijen beslist dat een nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Op het onderhavige perceel rust op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Borculo, herziening 2004" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Agrarisch kernrandgebied".

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan zijn de gronden met de bestemming "agrarisch kernrandgebied" bestemd voor, voor zover thans van belang, de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

2.2 Eiser heeft gesteld dat hij de kapschuur wenst te gebruiken voor het houden van 15 kalfkoeien. Tussen partijen is in de bezwaarprocedure discussie geweest over de vraag of de kapschuur in dat geval wordt gebruikt ten behoeve van de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Zou dat het geval zijn, dan zou de kapschuur in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan. Ter voorbereiding op het te nemen besluit op bezwaar heeft verweerder, naar aanleiding van het advies op eisers bezwaar van de commissie bezwaarschriften, de Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen (hierna: de SAAB) verzocht om te beoordelen of de kapschuur zal worden gebruikt ten behoeve van het agrarisch bedrijf. De SAAB heeft in zijn advies van 11 juni 2010 geconcludeerd dat hij daarvan niet is overtuigd. Vervolgens heeft verweerder het bezwaar, onder verwijzing naar dat advies, ongegrond verklaard.

2.3 Eiser heeft betoogd dat hij eerst bij het bestreden besluit kennis heeft genomen van het advies van de SAAB en ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren vóór het nemen van het bestreden besluit. De rechtbank begrijpt dit betoog zo, dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Ingevolge artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

Eisers betoog slaagt. Vast staat dat het advies van de SAAB dateert van na de hoorzitting in bezwaar. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het advies van aanmerkelijk belang is geweest voor de ongegrondverklaring van eisers bezwaar, gegeven de verwijzing in het bestreden besluit naar het advies. Het had derhalve op de weg van verweerder gelegen eiser daarover te horen. Nu verweerder dat niet heeft gedaan, heeft hij gehandeld in strijd met artikel 7:9 van de Awb. Het beroep is reeds hierom gegrond en het bestreden besluit komt reeds hierom voor vernietiging in aanmerking.

2.4 De rechtbank ziet evenwel aanleiding te beoordelen of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de brief van 23 mei 2012 van mr. Van Aanhold, zoals nader toegelicht ter zitting, moet worden afgeleid dat het niet (langer) eisers bedoeling is om een agrarisch bedrijf uit te oefenen door het houden van 15 kalfkoeien, maar een zorgboerderij. Daarvan uitgaande is het naar het oordeel van de rechtbank niet (langer) van belang voor eiser om over het advies van de SAAB te worden gehoord. Dat het advies van de SAAB niet zorgvuldig tot stand zou zijn gekomen, zoals eiser heeft betoogd, behoeft dan ook – wat daar verder van zij – geen bespreking. In zoverre bestaat geen grond om af te zien van het in stand laten van de rechtsgevolgen.

2.5 Eiser heeft betoogd dat de kapschuur niettemin in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Hij heeft daartoe een beroep gedaan op de overgangsbepalingen voor bouwwerken in het bestemmingsplan, meer in het bijzonder de calamiteitenregeling, neergelegd in artikel 9.3 van de planvoorschriften. De kapschuur is volgens hem ingestort bij een storm op 18 januari 2007. Om te bewijzen dat dit niet het gevolg is geweest van achterstallig onderhoud of onvoldoende gehechtheid, heeft eiser onder meer overgelegd de akte van schadetaxatie opgesteld na de instorting, foto's en verklaringen van buren en de vorige eigenaar van het perceel, die verklaren – kort gezegd – dat de kapschuur zeer degelijk was.

2.5.1 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de kapschuur is ingestort ten gevolge van achterstallig onderhoud en onvoldoende gehechtheid. Verweerder heeft erop gewezen dat de kapschuur rond 1945 is gebouwd van hout.

2.5.2 De rechtbank is van oordeel dat eiser met de door hem overgelegde stukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de kapschuur niet is ingestort ten gevolge van achterstallig onderhoud of onvoldoende gehechtheid.

2.5.3 De vraag is evenwel of dit eiser kan baten. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraken van 8 maart 2006, zaak nr. 200505523/1, en 21 oktober 2009, zaak nr. 200805448/1 (beide uitspraken gepubliceerd op www.raadvanstate.nl ), is de strekking van de calamiteitenregeling dat een belanghebbende als gevolg van een calamiteit niet in een slechtere, maar ook niet in een betere positie mag komen te verkeren.

Eiser zou in een betere positie komen te verkeren indien hij aan de calamiteitenregeling een recht op een bouwvergunning voor de kapschuur ontleent, terwijl voor die kapschuur nooit een bouwvergunning is verleend. Het ligt derhalve op de weg van eiser, op wie de bewijslast rust bij een beroep op het overgangsrecht, om aan te tonen dat voor de kapschuur, zoals deze is aangevraagd, een bouwvergunning is verleend.

Partijen zijn na de zitting van 2 juli 2012 in de gelegenheid gesteld hun stellingen daaromtrent te onderbouwen.

De rechtbank stelt dan op grond van de nadien overgelegde stukken vast dat in 1937 een bouwvergunning is verleend voor een roggeschuur en dat die roggeschuur met een bouwvergunning, gedateerd 1 juli 1959, is uitgebreid en veranderd tot een graanloods. Deze schuur stond (min of meer) op de plek waar de ingestorte kapschuur stond. Tevens is overgelegd een bouwvergunning van 10 maart 1958 voor een ter plaatse gebouwde kippenschuur.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat met deze twee bouwvergunningen per saldo een bouwvergunning is verleend voor de kapschuur.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder kan worden gevolgd dat niet is aangetoond dat voor de kapschuur een bouwvergunning is verleend. De rechtbank stelt vast dat er kennelijk bouwvergunningen zijn verleend voor twee schuren en niet voor één (kap)schuur. Bovendien is uit de overgelegde bouwtekeningen niet aannemelijk geworden dat de twee schuren tezamen voor wat betreft hun oppervlakte even groot of groter zijn dan de kapschuur waarvoor thans bouwvergunning wordt gevraagd. De roggeschuur / graanschuur, die kennelijk op dezelfde plek heeft gestaan als de huidige kapschuur, had voorts een oppervlakte van minder dan 160 m2, zijnde de (beoogde) oppervlakte van de kapschuur.

2.5.5 De conclusie moet zijn dat voor de kapschuur zoals deze door de storm is ingestort, indertijd geen bouwvergunning is verleend, zodat eiser geen beroep kan doen op de calamiteitenregeling in het bestemmingsplan. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de kapschuur in strijd is met het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

2.6 Eiser heeft terecht betoogd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met – het inmiddels vervallen – artikel 46, derde lid, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, door in strijd met dat artikellid in de besluitvormingsprocedure niet te beoordelen of voor de kapschuur een vrijstelling kan worden verleend op grond van artikel 19 van de – inmiddels vervallen – Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Hierin is evenwel geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen worden gelaten. Verweerder heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat vrijstelling niet aan de orde is. Onder verwijzing naar het gemeentelijk beleid neergelegd in de Ruimtelijke visie buitengebied en de notitie Functies zoeken plaatsen zoeken functies, heeft verweerder gesteld dat een functieverandering naar bedrijvigheid slechts wordt meegewerkt binnen bestaande bebouwing. Het aangevraagde gebruik van de kapschuur als potstal past op zichzelf binnen de geldende bestemming, maar van bestaande bebouwing is volgens verweerder geen sprake, zodat geen grond bestaat om met toepassing van het gemeentelijk beleid vrijstelling te verlenen voor de kapschuur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee de weigering om vrijstelling te verlenen, genoegzaam gemotiveerd. Eisers betoog staat in zoverre niet in de weg aan instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit.

2.7 De rechtbank komt tot het oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand kunnen worden gelaten.

2.8 In de omstandigheid dat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in eisers proceskosten. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van verleende rechtsbijstand 3 punten toegekend (1 punt voor het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen op de zittingen), waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. Voorts wordt ter zake van reis- en verblijfkosten een bedrag van € 37,34 toegekend en ziet de rechtbank aanleiding eisers verletkosten te vergoeden tot een bedrag van (4 uur x € 20,00 =) € 80,00. De rechtbank ziet aanleiding af te wijken van het maximale tarief vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht omdat, hoewel eiser zijn verletkosten tot op zekere hoogte heeft gespecificeerd, hij deze kosten niet van enige onderbouwing met stukken heeft voorzien.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 150,00 aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.428,34, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2012.