Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX4210

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
06-950590-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man vrijgesproken. Onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden. Groep mannen veroordeeld wegens mensenhandel in onder andere Apeldoorn en Deventer. Verdachte en zijn mededaders hebben de vrouwen ingepalmd en gedwongen te werken in de prostitutie, waarbij dwang en geweld door verdachte en diens mededaders werden gebruikt. Onderzoek Pelet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/950590-10

Uitspraak d.d. 26 juni 2012

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte E],

geboren te [plaats, 1987],

wonende te [adres].

Raadsman: mr. R.P. Adema, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juni 2012.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus

2008 tot en met 31 december 2008 te Apeldoorn en/of Deventer en/of Geleen

en/of Linne en/of Amsterdam en/of Nijmegen in elk geval (telkens) in Nederland,

(art. 273 f SR, lid 3 sub 1)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een ander, te weten, [slachtoffer C],

(art. 273f SR, lid 1, onder 1°)

door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door

dreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden, door fraude,

afpersing, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie,

heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met

het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [slachtoffer C],

en/of

(art. 273f Sr, lid 1, onder 4°)

die [slachtoffer C], (telkens) met één of meerdere van de onder 1° van artikel 273f lid 1

Sr genoemde middelen, te weten dwang en/of geweld en/of één of meer (andere)

feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, misleiding,

misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van

een kwetsbare positie

heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van

arbeid en/of diensten

dan wel onder de onder 1° van artikel 273f lid 1 Sr genoemde omstandigheden, te

weten dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door

dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, misleiding, misbruik van uit feitelijke

omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van een kwetsbare positie,

enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij/zij, verdachte en/of zijn

mededaders(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer C] zich

daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten,

en/of

(art. 273f SR, lid 1, onder 6°)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting

van die [slachtoffer C],

en/of

(art. 273f Sr, lid 1, onder 9°)

die [slachtoffer C] (telkens) met één of meerdere van de onder 1 ° van artikel 273f lid 1 Sr

genoemde middelen, te weten dwang en/of geweld en/of één of meer (andere)

feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, misleiding,

misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van

een kwetsbare positie,

heeft bewogen hem, verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele

handelingen met en/of voor een derde,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (één of meermalen)

- die [slachtoffer C] bewogen om haar werkzaamheden als prostituee voort te zetten op

een locatie waar zij volgens verdachte en/of zijn mededader(s) meer geld kon

verdienen en/of

- die [slachtoffer C] voorgehouden dat zij geld moest verdienen ten behoeve van de

investering (door verdachte en/of zijn mededader(s)) in wietplantages en/of

een (zogenaamd) spaarplan waaruit die [slachtoffer C] dan na enige tijd maandelijks

circa 10.000 euro uitgekeerd zou krijgen en/of

- die [slachtoffer C] bedreigd en/of geïntimideerd met de opmerking dat er 'gekke

dingen' zouden gebeuren als zij geen geld voor verdachte en/of zijn

mededader(s) zou verdienen en/of met de opmerking dat zij bij verdacht en/of

zijn mededader(s) een geldschuld had die moest worden terugverdiend en/of

- (mede) bepaald waar die [slachtoffer C] als prostituee moest gaan werken en/of haar

werktijden bepaald en/of

- die [slachtoffer C] vervoerd naar de locatie waar zij haar werkzaamheden als

prostituee moest verrichten en/of

- die [slachtoffer C] verboden om met haar werkzaamheden als prostituee te stoppen en/of

- het gaan en staan van die [slachtoffer C] onder intensieve controle gehouden en/of

- die [slachtoffer C] geboden door te werken als prostituee op momenten dat zij

ongesteld was en/of

- het door die [slachtoffer C] als prostituee verdiende geld ingenomen, althans

geïncasseerd;

art 273f lid 1 ahf/sub 9° Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 6° Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 4° Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak

Aanleiding van het onderzoek

Bij de regiopolitie Noord- en Oost Gelderland kwam vanaf medio 2008 via verschillende bronnen informatie binnen dat in de gemeente Apeldoorn diverse jonge volwassen vrouwen slachtoffers bleken van seksuele uitbuiting. Deze jong volwassenen werden aangezet tot prostitutie dan wel risicovol grensoverschrijdend seksueel gedrag. Op 13 februari 2009 werd een opsporingsonderzoek naar de vermeende mensenhandel gestart.

Beoordeling door de rechtbank

De officier van justitie heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde.

De raadsman heeft ter terechtzitting gemotiveerd vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het aan de verdachte tenlastegelegde feit het navolgende.

Artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (mensenhandel) beoogt uitbuiting van personen te voorkomen en bescherming te bieden tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van individuele personen.

Om tot een bewezenverklaring van het eerste lid van genoemd artikel te kunnen komen, moet er sprake zijn van een gedraging (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen) onder uitoefening van dwang (geweld, dreiging met geweld, fraude, misleiding, etc.) met het oogmerk van uitbuiting van de ander. Voor de vervulling van de delictsomschrijving is het niet nodig dat de verhandelde persoon daadwerkelijk wordt uitgebuit.

In het arrest van 27 oktober 2009 (LJN BI7099), overweegt de Hoge Raad dat de vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting', niet in algemene termen is te beantwoorden, maar sterk is verweven met de omstandigheden van het geval. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de aard en de duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald.

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet voldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de verdachte zich, al dan niet als medepleger, schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht ten opzichte van [slachtoffer C]. Uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan immers niet genoegzaam worden vastgesteld dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om [slachtoffer C] uit te buiten. Voor oogmerk van uitbuiting is voorwaardelijk opzet niet voldoende en is vereist dat het handelen van de verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebracht dat de ander door hem werd of zou kunnen worden uitgebuit.

De rechtbank wijst in dit verband op de omstandigheid dat enkel de getuige [slachtoffer C] in belastende zin over de verdachte heeft verklaard. De overige zich in het dossier bevindende stukken bieden onvoldoende ondersteunend bewijs voor een bij de verdachte aanwezig oogmerk van uitbuiting als bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank kan evenmin vaststellen dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer C]. Zij verwijst daartoe onder meer naar de verklaring van getuige [verdachte E] die bij de politie heeft verklaard dat verdachte er volgens hem niet van had geprofiteerd.1

Nu er onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit zonder redelijke twijfel kan worden afgeleid dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel van [slachtoffer C], dient de verdachte van het hem tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door mrs. Kropman, voorzitter, Prisse en Van der Hooft, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 juni 2012.

Eindnoot

1 Proces-verbaal van verhoor van getuige [verdachte E], p. 2308, als bijlage opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0664/09-205343, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, team regionale recherche, gesloten en ondertekend op 26 november 2010.