Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX4197

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-06-2012
Datum publicatie
10-08-2012
Zaaknummer
06-950592-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Man veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf en het betalen van schadevergoeding. Groep mannen veroordeeld wegens mensenhandel in onder andere Apeldoorn en Deventer. Verdachte en zijn mededaders hebben de vrouwen ingepalmd en gedwongen te werken in de prostitutie, waarbij dwang en geweld door verdachte en diens mededaders werden gebruikt. Onderzoek Pelet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/950592-10

Uitspraak d.d. 25 juni 2012

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte D],

geboren te [plaats, 1986],

wonende te [adres].

Raadsman: mr. N. van Schaik advocaat te Utrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2012.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober

2008 tot en met 1 april 2009 te Apeldoorn en/of Deventer en/of Linne en/of

Geleen en/of Amsterdam, in elk geval (telkens) in Nederland,

(lid 3 sub 1)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een ander, te weten, [slachtoffer A],

(art 273f SR lid 1, onder 1°)

door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door

dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, door fraude, afpersing,

misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend

overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie,

heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met

het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [slachtoffer A],

en/of

(art 273f Sr lid 1, onder 4°)

die [slachtoffer A], (telkens) met één of meerdere van de onder 1° van artikel 273f lid 1

Sr genoemde middelen, te weten dwang en/of geweld en/of één of meer (andere)

feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, misleiding,

misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van

een kwetsbare positie

heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van

arbeid en/of diensten

dan wel onder de onder 1° van artikel 273f lid 1 Sr genoemde omstandigheden, te

weten dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door

dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, misleiding, misbruik van uit feitelijke

omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van een kwetsbare positie,

enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij/zij, verdachte en/of zijn

mededaders(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer A] zich

daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten,

en/of

(art 273f SR lid 1, onder 6°)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting

van die [slachtoffer A],

en/of

(art 273f SR lid 1, onder 9°)

die [slachtoffer A] (telkens) met één of meerdere van de onder 1 ° van artikel 273f lid 1 Sr

genoemde middelen, te weten dwang en/of geweld en/of één of meer (andere)

feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, misleiding,

misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of misbruik van

een kwetsbare positie,

heeft bewogen hem, verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele

handelingen met en/of voor een derde,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (één of meermalen)

- die [slachtoffer A] voorgesteld om in de prostitutie te gaan werken en/of

- die [slachtoffer A] afhankelijk gemaakt van, danwel verslaafd gemaakt aan, drugs

en/of medicijnen en/of en/of die [slachtoffer A] drugs en/of medicijnen gegeven

en/of

- de auto van die [slachtoffer A] vernield, althans onklaar gemaakt en/of geld van

haar bankrekening gehaald en/of

- die [slachtoffer A] vervoerd naar locaties waar zij als prostituee moest werken,

danwel dit vervoer door derden laten verrichten en/of

- de werktijden van die [slachtoffer A] als prostituee bepaald en/of

- die [slachtoffer A] heeft geboden geen aangifte tegen verdachte en/of zijn

mededader(s) te doen en/of

- die [slachtoffer A] gedwongen door te werken als prostituee op momenten dat zij

lichamelijke klachten had en/of

- die [slachtoffer A] op gezette tijden heeft afgesloten van de buitenwereld (door

haar in een woning op te sluiten en/of haar mobiele telefoon af te pakken)

en/of

- die [slachtoffer A] mishandeld en/of

- die [slachtoffer A] voor te keuze gesteld tussen prostitutie of drugssmokkel en/of

- gecontroleerd hoeveel klanten die [slachtoffer A] had gehad en hoeveel geld ze

daarmee had verdiend en/of

- het door [slachtoffer A] met de prostitutie verdiende geld (deels) ingenomen en/of

beheerd, althans geïncasseerd en/of

- die [slachtoffer A] zich laten uitkleden en/of die [slachtoffer A] op en/of in haar

lichaam onderzocht op de aanwezigheid van geld,

- terwijl die [slachtoffer A] toen geen vaste woon- of verblijfplaats had en/of

- die [slachtoffer A] gehuisvest

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) schulden heeft/hebben en/of

geen inkomsten heeft/hebben uit reguliere arbeid,

door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer A] een

(afhankelijkheids)situatie is ontstaan waaraan zij zich niet heeft kunnen

onttrekken en/of tengevolge waarvan zij geen weerstand aan verdachte en zijn

mededaders heeft kunnen bieden;

art 273f lid 1 ahf/sub 9° Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 6° Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 4° Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 3 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 juli 2007

tot en met 21 juli 2008, te Epe en/of te Apeldoorn en/of te Deventer, althans

in Nederland,

(telkens) van een voorwerp, te weten meerdere grote geldbedragen van 1.561

euro en/of 1.047 euro en/of 1.911 euro en/of 5.772 euro en/of 4.600 euro,

althans een (groot) geldbedrag,

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de

verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of

verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten voornoemde

geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten voornoemde

geldbedrag(en), voorhanden had, terwijl hij (telkens) wist, althans

redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat voorwerp - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was uit het misdrijf

en/of

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 juli 2007

tot en met 21 juli 2008, te Epe en/of te Apeldoorn en/of te Deventer, althans

in Nederland,

(telkens) een voorwerp, te weten meerdere grote geldbedragen van 1.561 euro

en/of 1.047 euro en/of 1.911 euro en/of 5.772 euro en/of 4.600 euro, althans

een (groot) geldbedrag,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet,

althans van een voorwerp, te weten voornoemde geldbedrag(en), gebruik heeft

gemaakt, terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten

vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht

art 420quater lid 1 sub b Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Bij de regiopolitie Noord- en Oost Gelderland kwam vanaf medio 2008 via verschillende bronnen informatie binnen dat in de gemeente Apeldoorn diverse jonge volwassen vrouwen slachtoffers bleken van seksuele uitbuiting. Deze jong volwassenen werden aangezet tot prostitutie dan wel risicovol grensoverschrijdend seksueel gedrag. Op 13 februari 2009 werd een opsporingsonderzoek naar de vermeende mensenhandel gestart.

Tijdens het opsporingsonderzoek naar de vermeende mensenhandel is via een zogenoemd LOVJ-2 verzoek aan het Korps Landelijke politiediensten afdeling FIU informatie gevraagd over ongebruikelijke transacties die zijn gemeld en waarbij verdachte betrokken zou zijn.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht een en ander zoals verwoord in haar overgelegde schriftelijk requisitoir.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken bij gebrek aan wettig bewijs als bedoeld in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Er is geen eenduidig steunbewijs op essentiële onderdelen van de aangifte, alsmede gezien het feit dat aangeefster op onderdelen ongeloofwaardig heeft verklaard, kan niet wettig worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken bij gebrek aan wettig én overtuigend bewijs.

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van witwassen. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat de bedragen die verdachte heeft gestuurd naar of ontvangen afkomstig is van mensen met wie hij een familierelatie heeft. Dat geldt ook voor het bedrag dat hij ten tijde van zijn aanhouding bij zich had en welke hij moest overmaken aan zijn moeder in Turkije in verband met de aanleg van een familiegraf. Ook het versturen en ontvangen de overige bedragen moeten in zo'n context worden geplaatst. Het betreft geld met een legale herkomst. Verdachte dient dan ook vrijgesproken te worden van het onder 2 ten laste gelegde.

Beoordeling door de rechtbank

De betrouwbaarheid van de aangifte en verklaringen van [slachtoffer A]

Aangeefster [slachtoffer A] heeft onder meer, zakelijk weergegeven, bij de politie verklaard dat zij medeverdachte [verdachte A] al langer kende maar kort na 22 oktober 2008 op een vrijdag weer had ontmoet.2 [verdachte A] had een heel serieus gesprek met haar gehad over het werken in de prostitutie. Hij zei dat zij hierin heel veel geld kon verdienen.3 Zij was met [verdachte A] naar een woning in Deventer gegaan.4 [verdachte D] was de huurder van die woning.5 Zij ging zaterdagnacht weer terug naar die woning om die schoon te maken omdat zij daar had overgegeven.6 Zij had [verdachte D] ook weer gesproken in Deventer over wat er die eerste nacht met [verdachte A] was gebeurd. Over dat er iets in haar drinken was en dat [verdachte A] met haar over de prostitutie had gesproken. [slachtoffer A] zag bij [slachtoffer B] dezelfde symptomen, het spugen en van de wereld zijn. Op donderdag in die week, was haar rekening geplunderd.7 Zij ontdekte dat haar bankpas weg was.8 Later vond zij haar bankpas weer in de woning in Deventer. Later, tijdens het pinnen ontdekte [slachtoffer A] dat er onvoldoende saldo op haar bankrekening stond om te kunnen pinnen. Daarop had zij contact opgenomen met haar bank.9 Haar pasje heeft zij laten blokkeren.10 In de nacht van donderdag op vrijdag is haar auto door [verdachte A] en [slachtoffer B] in elkaar gereden. Dit had [slachtoffer A] zelf gezien. De volgende ochtend had zij ook een oranje pilletje gezien dat naast haar bed lag in Deventer.11 Zij dacht dat het een xtc-pil was.12 Zij had in totaal een week in de woning in Deventer verbleven.13 Zij had toen al ruzie thuis. Zij was tevens die week verslaafd geraakt aan de pillen die zij kreeg in het huis in Deventer. Dat waren de oranje pillen. 14

[slachtoffer A] heeft verder verklaard dat [verdachte D] degene was die haar naar Amsterdam heeft gebracht, naar de Wallen. Dat was ook in die week gebeurd. [slachtoffer B] werd naar Geleen gestuurd en zij werd naar de Wallen gestuurd.15 [slachtoffer A] vroeg [verdachte D] steeds haar geld terug van haar rekening en de auto. [verdachte D] zei dat zij maar moest gaan werken als hoer om dat terug te verdienen. Hij had van [verdachte A] begrepen dat zij dit werk wel wilde doen. Zij was toen afhankelijk van de pillen.16 [slachtoffer A] heeft verklaard dat zij eerst niet in de prostitutie wilde werken. [verdachte A] wist dat je er veel geld mee kon verdienen en [verdachte A] wilde dit samen met haar doen. [slachtoffer A] moest van [verdachte A] werken in de prostitutie. Zij moest seks hebben met andere mensen en het geld dat zij kon missen aan hem geven. Hij zou dan een slaapplek voor [slachtoffer A] regelen.17 [slachtoffer A] had ook niets meer doordat haar auto in de prak was gereden en haar bankrekening was geplunderd. Het laatste wat zij had, werd haar afgenomen Zij had geen andere keuze dan bij [verdachte A] blijven plakken. Tevens had hij haar toen onder invloed gebracht van pillen, waardoor zij niet meer normaal met haar ouders kon communiceren. Zij was toen overal op ingegaan, wat [verdachte A] haar voorstelde. Als haar auto niet in de prak was gereden en het geld niet was gestolen van de bank, was zij niet afhankelijk van hem gemaakt en had zij dit niet gedaan.18 [slachtoffer A] heeft verder verklaard dat het in het huis van [verdachte D] was gebeurd. Er werd in dat huis allemaal drugs in haar drinken gegooid. Ze, [verdachte A] en [verdachte D], schonken in de keuken drinken voor haar in. Zij had al goed gedronken, maar zij had niet goed gekeken. Zij pakte het drinken aan en er zat veel schuim op, dat zag zij nog.19

[slachtoffer A] ging met een donkere man uit Vaassen naar Amsterdam. [verdachte D] had haar gezegd waar zij hem moest ophalen. [verdachte D] had deze man gebeld. Deze man ging in Amsterdam niet met haar mee naar binnen. Toen zij bij een kantoor kwam om een raam te huren, bleef deze donkere man in de omgeving aan de overkant. De raamverhuurder kreeg hierdoor argwaan en de huur ging niet door.20 Zij heeft [bijnaam verdachte D] (= [verdachte D]) gezegd dat ze niet meer wilde en hij zei toen dat zij haar afspraak niet nakwam.

[slachtoffer B] heeft onder meer, zakelijk weergegeven, bij de politie verklaard dat zij eind september 2008 een relatie kreeg met [verdachte A].21 [slachtoffer A] werd door [verdachte A] en een Marokkaanse jongen uitgebuit.22

Woning [adres] te Deventer

Getuige [getuige G] heeft onder meer, zakelijk weergegeven, bij de politie verklaard dat hij eigenaar is van [adres] te Deventer.23 In de periode van juni 2008 tot 15 december 2008 werd de woning verhuurd aan een Turks gezin. [getuige G] hoorde dat het gezin uit de woning was gegaan en dat een neefje van dit gezin in de woning was getrokken.24

Getuige [getuige H] heeft onder meer, zakelijk weergegeven, bij de politie verklaard dat zij bevriend is met getuige [getuige G].25 Rond 15 oktober 2008 werd [getuige H] tijdens een vakantie gebeld dat er een sleutel weg was. In verband met het zoekraken van de sleutel ontmoet [getuige H] ene [verdachte D] in de woning. Later klaagde de buurvrouw over overlast en zij zei dat [verdachte D] er altijd was. Vanwege de melding van overlast door de buurvrouw was [getuige H] naar de woning aan de [adres] in Deventer gegaan. Binnen was het een zooitje, een smeerbende. Er waren een hoop spullen kapot. Er kwamen twee meisjes de woning binnen. Zij hadden een sleutel van de woning. Zij deelden mee dat zij kwamen schoonmaken. Het waren twee blonde meisjes, van Nederlandse nationaliteit, tussen de achttien en drieëntwintig jaar.26

Uit mutaties van de politie te Deventer is naar voren gekomen dat getuige [getuige G] op 20 november 2008 naar de balie van het politiebureau was gegaan met de melding dat in de woning aan de [adres] te Deventer jongelui woonden die iedere avond en nacht feestten en ruzie maakten en in de buurt veel overlast veroorzaakten.27

Getuige [getuige I] is door de politie bevraagd over het feit dat zij rond 19 november 2008 contact met getuige [getuige G] had opgenomen vanwege overlast in de verhuurde woning van [getuige G]. [getuige I] heeft onder meer, zakelijk weergegeven, bij de politie verklaard dat zij naast de woning aan de [adres] te Deventer woont.28 Zij had met getuige [getuige G] contact opgenomen vanwege overlast van de bewoners op [adres]. Overdag was het rustig, maar in de nacht begon de herrie weer. Een aantal nachten heeft zij gehoord dat er werd gegild en dat meubels omvielen. Zij had ten minste twee jongens en twee meisjes gezien. Er was een meisje met lang blond haar en een met donker haar. De meisjes waren begin twintig. [getuige I] heeft vervolgens verklaard dat de jongelui in totaal ongeveer twee weken in de woning hebben verbleven.29

Autoschade

Getuige [getuige J] heeft onder meer, zakelijk weergegeven, bij de politie verklaard dat hij woonachtig is aan de [adres] in Deventer.30 Hij was met getuige [getuige H] de woning aan de [adres] binnen gegaan. Het was een uitgeleefd zooitje, een bende. Er kwamen twee meisjes binnen, die zeiden dat zij kwamen schoonmaken.31

Getuige [getuige K] heeft onder meer, zakelijk weergegeven, bij de politie verklaard dat hij op een zondagochtend door [slachtoffer A] werd gebeld.32 Hij vertelde dat hij de auto in Deventer moest ophalen, omdat deze niet meer kon rijden. De auto stond in de [adres] in Deventer en had een lekke band. Het betrof een blauwe metallickleurige Ford Fiësta. Bij de reparatie bleek dat de auto niet alleen een lekke band had, maar dat de draagarm rechtsvoor krom was en moest worden vernieuwd.33

Bankpas [slachtoffer A]

Getuige [getuige L] heeft onder meer, zakelijk weergegeven, bij de politie verklaard dat hij wist dat [verdachte A] af en toe de pinpas van [slachtoffer A] pakte en dat hij hiermee geld van haar pinde. [slachtoffer A] wist hier dan niets van. Later kwam zij daar achter via de afschriften die zij kreeg. Hij had dit zelf van [slachtoffer A] gehoord.34 Vervolgens heeft hij nogmaals verklaard dat hij van [verdachte A] wist dat hij contact had met [slachtoffer A] en dat hij geld van haar afpakte door middel van de pinpas van [slachtoffer A], zonder dat [slachtoffer A] daarvan wist. [slachtoffer A] kwam daar pas later achter.35

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 1 september 2010 is naar voren gekomen dat [slachtoffer A] op 17 november 2008 telefonisch contact heeft gezocht met de ING bank met de mededeling dat zij gedrogeerd was geweest en met een jongen geld op moest nemen. Zij verzocht haar bankpas te blokkeren. De schade bedroeg € 535,-.36

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat de bankrekening van [slachtoffer A] was geplunderd.

De rechtbank is van oordeel dat zij, gelet op de bovenvermelde bewijsmiddelen, geen reden heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer A]. De verklaringen van [slachtoffer A] worden op vele onderdelen ondersteund door verklaringen van getuigen en ander in het dossier voorhanden zijnd bewijs. Ook heeft [slachtoffer A] consistent verklaard over het grensoverschrijdende gedrag van verdachte en diens medeverdachte. De hiervoor weergegeven verklaringen van [slachtoffer A] kunnen derhalve ten volle aan het bewijs bijdragen.

Een bewezenverklaring van artikel 273f, eerste lid, sub 1, van het Wetboek van Strafrecht kan volgen als verdachte ten aanzien van [slachtoffer A] een of meer handelingen heeft verricht met het oogmerk van uitbuiting en met gebruikmaking van (één van) de in dat artikel genoemde dwangmiddelen.

Een bewezenverklaring van artikel 273f, eerste lid, sub 4, van het Wetboek van Strafrecht kan volgen als verdachte [slachtoffer A] met gebruikmaking van (één van) de in dat artikel genoemde dwangmiddelen heeft aangezet tot prostitutie.

Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

De dwangmiddelen

[slachtoffer A] verkeerde in een kwetsbare positie, omdat zij problemen had met haar ouders. Voor haar huisvesting was zij afhankelijk van verdachte, die zijn woning ter beschikking had gesteld. In die zin was sprake van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, zoals weergegeven, aangeefsters heeft gedwongen in de prostitutie te gaan werken en heeft een werkplek en vervoer geregeld Verdachte heeft derhalve (een aantal van) de in de wet vermelde dwangmiddelen gebruikt. De rechtbank is bovendien van oordeel dat verdachte, door [slachtoffer A] te werk te stellen op de wijze waarop hij dat deed, misbruik heeft gemaakt van haar zwakke en kwetsbare positie en van zijn feitelijk overwicht op haar. Verdachte heeft [slachtoffer A] immers in haar vrijheid beperkt en haar geïsoleerd van haar familie waardoor zij niet of moeilijk konden ontsnappen aan de situatie. Verdachte was zich ook bewust van de feitelijke omstandigheden van [slachtoffer A] waaruit het misbruik is voortgevloeid. Zo heeft [slachtoffer A] verklaard dat zij verdachte vroeg om haar geld terug te betalen dat van haar bankrekening was gehaald en dat zij de kosten van de auto vergoed wilden hebben en dat verdachte toen antwoordde dat zij maar moest gaan werken als hoer om dat terug te verdienen.

Handelingen

Verdachte heeft blijkens voormelde bewijsmiddelen [slachtoffer A] vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen en haar aangezet tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden.

(Oogmerk van) uitbuiting

In het arrest van de Hoge Raad van 27 oktober 2009 (LJN: BI7079) is vermeld dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van uitbuiting onder meer betekenis toekomt aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Daar komt bij dat voor de vervulling van de delictsomschrijving niet nodig is dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit.

Het voorgaande in ogenschouw genomen overweegt de rechtbank dat aangeefster in een afhankelijk positie terecht is gekomen, doordat de verdachte huisvesting, vervoer en bemiddeling bij werk heeft geregeld. Aldus werd aangeefster [slachtoffer A] afhankelijk van de verdachte. Eveneens bevond zij zich daardoor in een kwetsbare positie.

Voordeel trekken uit de uitbuiting en gedwongen verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van de prostitutie

Gelet op hetgeen hiervoor omtrent de uitbuiting van [slachtoffer A] is overwogen, leidt dit tot de conclusie dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer A] (artikel 273f, eerste lid, sub 6 van het Wetboek van Strafrecht), door het hanteren van dwangmiddelen heeft gedwongen hem te bevoordelen uit de opbrengsten van dat prostitutiewerk (artikel 273f, eerste lid, sub 9 van het Wetboek van Strafrecht).

In vereniging

De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte. Er werd in de week dat [slachtoffer A] in Deventer verbleef door verdachte en medeverdachte [verdachte A] op haar ingepraat om in de prostitutie te gaan werken. Nadat de bankrekening van [slachtoffer A] was geplunderd en haar auto in de prak was gereden, gebruikten verdachte en zijn medeverdachte dit om [slachtoffer A] onder druk te zetten. [slachtoffer A] werd op pad gestuurd om in Amsterdam op de Wallen te gaan werken. Bovendien werd een begeleider voor [slachtoffer A] geregeld om met haar mee te gaan.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde tezamen en in vereniging heeft gepleegd.

Feit 2

Uit informatie van de belastingdienst blijkt dat verdachte inkomsten heeft uit studiefinanciering en loon. Van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO, voorheen IBG) heeft verdachte de volgende betalingen ontvangen:

- over 2007 een bedrag van € 591,49, uitbetaald in maart 2008;

- over 2008 een bedrag van € 6.066,48, maandelijks uitbetaald vanaf maart 2008;

- over 2009 een bedrag van € 533,60, uitbetaald in januari 2009.

Als loon heeft verdachte ontvangen:

- in 2006 een bedrag van € 1.927,--;

- in 2007 een bedrag van € 1.241,--, verdiend in de periode na 1 november 2007;

- in 2009 een bedrag van € 146,--. 37

Door verdachte is op 13 juli 2007 een bedrag van € 1.500,-- overgemaakt aan [naam G]. Op 15 augustus 2007 heeft verdachte een bedrag van € 1.000,-- overgemaakt aan [naam F]. Op 17 augustus 2007 is door verdachte bij de Postbank in Apeldoorn een bedrag van € 1.850,-- overgemaakt naar [naam E]. Op 12 maart 2008 heeft verdachte bij de Postbank in Apeldoorn een bedrag van € 5.772,-- ontvangen van [naam G].38

De overboekingen van 13 juli 200739, 15 augustus 200740 en 17 augustus 200741 betreffen (contante) money transfers waarbij [verdachte D] opdrachtgever was en zich legitimeerde met het legitimatiebewijs met nummer [nummer].

Op 12 maart 2008 was de opdrachtgever van de money transfer [naam G]. De begunstigde was [verdachte D], die zich legitimeerde met het legitimatiebewijs met nummer [nummer].42

De kosten van de voornoemde money transfers bedroegen € 61,-- voor de transfer van 13 juli 2007, € 47,50 voor de transfer van 15 augustus 2007 en € 61,-- voor de transfer van 17 augustus 2007.43

Uit de GBA-gegevens van [verdachte D] blijkt dat door de gemeente Epe op 26 juni 2007 een Nederlandse Identiteitskaart is afgegeven aan [verdachte D], met serienummer [nummer].44 Niet is gebleken dat er sprake is van vermissing of misbruik van deze kaart.45

Verdachte is op 21 juli 2008 aangehouden in Apeldoorn. Tijdens zijn fouillering had verdachte een bedrag van € 4.600,-- bij zich.46

Over de € 4.600,-- heeft verdachte verklaard dat hij dit geld van zijn moeder moest overmaken naar Turkije.47

Door [naam H], moeder van verdachte, is verklaard dat zij niet op de hoogte was van de € 4.600,-- die verdachte tijdens zijn aanhouding bij zich had.48

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorstaande wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde. De eerste drie money transfers (13 juli 2007, 15 augustus 2007 en 17 augustus 2007) vonden plaats terwijl verdachte geen inkomsten genereerde blijkens de gegevens van de belastingdienst. Over deze money transfers en de transfer van 12 maart 2008 geeft verdachte, ondanks dat gelet op de discrepantie tussen zijn inkomsten en uitgaven dit wel in de rede had gelegen, geen (afdoende) verklaring.

Door verdachte is in het geheel geen afdoende verklaring afgelegd over de herkomst van de geldbedragen die verdachte voorhanden heeft gehad, dan wel zijn overgemaakt of ontvangen. De stelling dat deze bedragen afkomstig zijn van familieleden is onvoldoende onderbouwd. De verklaring die verdachte over het contante bedrag van € 4.600,-- heeft afgelegd wordt verder weersproken door zijn moeder. Ook uit onderzoek blijkt niet dat er sprake is van een legale herkomst van het geld. Daarbij komt tevens dat er een grote discrepantie bestaat tussen de betreffende geldbedragen en verdachtes inkomsten zoals blijkt uit gegevens van de belastingdienst. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat, nu er geen legale herkomst van het geld aannemelijk is geworden, het niet anders kan dan dat dit geld uit misdrijf afkomstig is. Gelet op alle omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van voorbedoelde geldbedragen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 1 april 2009 te Apeldoorn en/of Deventer en/of Amsterdam,

(lid 3 sub 1)

tezamen en in vereniging met een ander,

een ander, te weten, [slachtoffer A],

(art 273f Sr lid 1, onder 1°)

door dwang en geweld en één of meer (andere) feitelijkheden en misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van de kwetsbare positie,

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van (seksuele) uitbuiting van die [slachtoffer A],

en

(art 273f Sr lid 1, onder 4°)

die [slachtoffer A], (telkens) met meerdere van de onder 1° van artikel 273f lid 1

Sr genoemde middelen, te weten dwang en geweld en één of meer (andere)

feitelijkheden, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten,

en

(art 273f Sr lid 1, onder 6°)

telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (seksuele) uitbuiting van die [slachtoffer A],

en

(art 273f Sr lid 1, onder 9°)

die [slachtoffer A] telkens met één of meerdere van de onder 1° van artikel 273f lid 1 Sr

genoemde middelen, te weten dwang en geweld en één of meer (andere)

feitelijkheden, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie,

heeft bewogen hem, verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele

handelingen met of voor een derde,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders,

- die [slachtoffer A] voorgesteld om in de prostitutie te gaan werken en

- die [slachtoffer A] afhankelijk gemaakt van, danwel verslaafd gemaakt aan, drugs

en/of medicijnen en/of die [slachtoffer A] drugs en/of medicijnen gegeven en

- de auto van die [slachtoffer A] vernield, althans onklaar gemaakt en/of geld van

haar bankrekening gehaald en

- die [slachtoffer A] vervoerd naar locaties waar zij als prostituee moest werken,

danwel dit vervoer door derden laten verrichten en

- die [slachtoffer A] op gezette tijden heeft afgesloten van de buitenwereld (door haar in een woning

op te sluiten of haar mobiele telefoon af te pakken) en

- terwijl die [slachtoffer A] toen geen vaste woon- of verblijfplaats had en die [slachtoffer A] gehuisvest

terwijl verdachte en/of zijn mededaders schulden heeft/hebben en/of geen inkomsten heeft/hebben uit reguliere arbeid,

door welke feiten en omstandigheden voor die [slachtoffer A] een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan waaraan zij zich niet heeft kunnen onttrekken en tengevolge waarvan zij geen weerstand aan verdachte en zijn mededaders heeft kunnen bieden;

2.

hij in de periode van 13 juli 2007 tot en met 21 juli 2008, te Apeldoorn,

telkens van een voorwerp, te weten geldbedragen van 1.561 euro en 1.047 euro en 1.911 euro en 5.772 euro en 4.600 euro,

de werkelijke aard en de herkomst, heeft verborgen, terwijl hij telkens wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf

en

hij in de periode van 13 juli 2007 tot en met 21 juli 2008, te Apeldoorn,

telkens een voorwerp, te weten geldbedragen van 1.561 euro en 1.047 euro en 1.911 euro en 5.772 euro en 4.600 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij (telkens) wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

feit 1: medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd;

feit 2: witwassen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. De officier van justitie heeft tevens gevorderd een geldboete van € 5.000,-. De officier van justitie heeft hierbij rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte.

De raadsman heeft bepleit een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. De raadsman heeft aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de zeer korte pleegperiode ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het relatief kleine bedragen betreft die zouden zijn witgewassen. Tevens heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel van een jonge vrouw, gedurende een week in de ten laste gelegde periode van twee maanden. De vrouw verkeerde in een kwetsbare positie. Zij had thuis problemen en moest de ouderlijke woning verlaten. Verdachte en zijn mededader hebben de vrouw ingepalmd en gedwongen te werken in de prostitutie, waarbij dwang door verdachte en diens mededader werden gebruikt. De vrouw werd tijdens haar werkzaamheden als prostituee gecontroleerd en in de gaten gehouden. Zij werd gehaald en gebracht naar de clubs waar zij werkte. De opbrengst van de werkzaamheden moest de vrouw afstaan.

Juist omdat het hier om prostitutiewerkzaamheden ging, heeft verdachte door aldus te handelen een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de vrouw. Dat zij aanvankelijk vrijwillig in de prostitutie wilde gaan werken, doet daaraan niet af. Immers, de omstandigheden waaronder zij in de prostitutie heeft gewerkt zijn niet de omstandigheden waarin een mondige prostituee werkzaam dient te zijn. Verdachte heeft zich geen enkele rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen die de vrouw zou ondervinden als gevolg van zijn handelen. Hij heeft zich louter laten leiden door zijn eigen financieel gewin. De rechtbank rekent hem dit ernstig aan. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten daarvan veelal langdurige en ernstige psychische gevolgen ondervinden. Daarvan is ook hier sprake, zoals blijkt uit het schade-onderbouwingsformulier van [slachtoffer A].

Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan op eigen voordeel gerichte witwaspraktijken. Hij heeft geldbedragen ontvangen waarvan hij de legale herkomst niet kan verklaren. Het kan niet anders dan dat het geld uit misdrijf afkomstig is. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Opbrengsten van misdrijven worden hierdoor bovendien aan het zicht van justitie onttrokken, waardoor witwassen ook het plegen van misdrijven aantrekkelijk kan maken

Verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk slechts laten leiden door financieel gewin en geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de samenleving.

De rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank houdt bij het opleggen van na te melden straf op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening met de strafbeschikkingen van die verdachte op 11 juni 2011, 13 juli 2011 en 19 maart 2012 zijn aangeboden door het Openbaar Ministerie.

Alles overwegende zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden opleggen met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voor het opleggen van een geldboete zoals door de officier van justitie voorgesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding. Een geldboete verdraagt zich immers niet met de ernst van de feiten. De rechtbank acht in dit soort zaken oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende sanctie.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer A] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 13.724,88 (€ 5.000,- aan immateriële schade en € 8.724,88 aan materiële schade) gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van [slachtoffer A] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, met dien verstande dat de vergoeding voor de gederfde inkomsten dient te worden gematigd tot een bedrag van € 4.000,-.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer A] dient te worden afgewezen nu vrijspraak van het tenlastegelegde is bepleit.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, voldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. De ervaring leert dat een slachtoffer door het handelen zoals ten laste is gelegd immateriële schade lijdt. Zulks blijkt ook uit de aangifte. Uit de door mr. Langereis namens de benadeelde partij gegeven toelichting op haar vordering, is naar voren gekomen welke psychische gevolgen de gedragingen van verdachte op haar hebben gehad. Dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden, staat voor de rechtbank derhalve vast. De rechtbank zal de verzochte immateriële schade van € 5.000,- toewijzen. Daarbij heeft de rechtbank gelet op min of meer soortgelijke gevallen en de mate van het onrechtmatig handelen van verdachte.

Voor wat betreft de gevorderde materiële schade acht de rechtbank de posten bankrekening (€ 650,-), nieuwe pas en pincode (€ 7,50), telefoonkosten (€ 100,-) en kosten opvragen medische info huisarts (€ 44.67) en psychiater (€ 63,59) toewijsbaar. Ten aanzien van de reiskosten acht de rechtbank een bedrag van € 150,- redelijk en billijk.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het deel van haar vordering betreffende de gederfde inkomsten nu de verdere behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor kleding overweegt de rechtbank dat dit niet, althans onvoldoende, is onderbouwd, zodat de benadeelde partij ook in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De verzochte vergoeding voor herstelkosten auto zal evenmin worden toegewezen nu de rechtbank niet kan vaststellen of de benadeelde partij de schade zelf heeft geleden. Ook in dit deel van haar vordering zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard De benadeelde partij kan derhalve dit deel van haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Recapitulerend:

De vordering wordt toegewezen voor een bedrag van € 6.015,76 (€ 5.000,- + € 650,- + € 7,50 + € 100,- + € 44,67 + € 63,59 + € 150,-). De verdachte is voor die schade naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de verdere behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank zal deze vordering hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat indien en voor zover de mededaders hebben betaald, verdachte zal zijn bevrijd.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 57, 63, 273f en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1: medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd;

Feit 2: witwassen, meermalen gepleegd;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer A], van een bedrag van € 6.015,76, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A], een bedrag te betalen van € 6.015,76, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 65 (vijfenzestig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

* verklaart de benadeelde partij [slachtoffer A] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Van der Hooft en Kropman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 25 juni 2012.

Mr. Kropman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0664/09-205343, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, team regionale recherche, gesloten en ondertekend op 26 november 2010.

2 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 610.

3 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 613.

4 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 611.

5 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster T. Ro0ssien, p. 660.

6 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 612.

7 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 614.

8 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 617.

9 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 618.

10 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 676.

11 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 614.

12 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 615.

13 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 619.

14 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 620.

15 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 615.

16 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 621.

17 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 644.

18 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 645.

19 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A] bij de rechter-commissaris van 8 februari 2011, p. 2.

20 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer A], p. 621.

21 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer B], p. 545.

22 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer B], p. 567.

23 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige G], p. 1022.

24 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige G], p. 1023.

25 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige H], p. 1026.

26 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige H], p. 1027.

27 Mutatie nummer 08-137357 BPS politie Deventer, p. 1047.

28 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige I], p. 1043.

29 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige I], p. 1044.

30 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige J], p. 1051.

31 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige J], p. 1052.

32 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige K], p. 1058.

33 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige J], p. 1059.

34 Proces-verbaal van getuige [getuige L], p. 1079.

35 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige L], p. 1081.

36 Proces-verbaal van bevindingen van 1 september 2010, p. 1363.

37 Proces-verbaal, p. 1910 en 1911

38 Doormelding verdachte transacties, dossiernummer 274199, p. 1872

39 Proces-verbaal inzake verdachte transacties, p. 1916 en 1917

40 Proces-verbaal inzake verdachte transacties, p. 1918 en 1919

41 Proces-verbaal inzake verdachte transacties, p. 1920 en 1921

42 Proces-verbaal inzake verdachte transacties, p. 1922 en 1923

43 Proces-verbaal witwassen verdachte, p. 1914 en 1915

44 Proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 1931

45 Proces-verbaal witwassen verdachte, dossierpagina 1914

46 Melding met rapportage (uitdraai BVS), p. 1924

47 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 2410 en 2411, zie ook p. 1914 en 1924.

48 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige N], p. 1926