Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX4017

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
130888 KGKR 12/314
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing wrakingsverzoek. Dat de gewraakte rechter heeft aangegeven in de eerstvolgende te nemen schriftelijke beslissing de voorvragen te zullen behandelden, impliceert niet dat hij ter zitting zijn oordeel over deze voorvragen reeds had gevormd. Deze procesbeslissing levert geen aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter partijdig is, dan wel dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: 130888 KGKR 12/314

Beslissing van 12 juni 2012 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker/gemachtigde],

wonende te Nieuw Scheemda,

als gemachtigde van [verzoeker],

wonende te Dieren, gemeente Rheden

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. J.G.J. Roelvink,

rechter in deze rechtbank,

verweerder.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:

- Het proces-verbaal van de op 5 juni 2012 gehouden terechtzitting in de procedure met zaaknummer 130399 JE RK 12-483, betreffende het door mw. [verzoeker] ingediende verzoekschrift strekkende tot vervallenverklaring van de door het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering (hierna: LJ&R) afgegeven schriftelijke aanwijzing d.d. 27 april 2012 inzake de omgang van de kinderen van mw. [verzoeker] met hun vader dhr. [naam vader], waaruit blijkt dat verzoeker op die zitting verzocht heeft mr. Roelvink te wraken;

- de schriftelijke reactie van mr. J.G.J. Roelvink d.d. 7 juni 2012, strekkende tot het afwijzen van het verzoek tot wraking;

- de pleitnota van verzoeker d.d. 7 juni 2012, nu hij verhinderd is op de wrakingszitting te verschijnen;

- het proces-verbaal van de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van

8 juni 2012.

2. Het wrakingsverzoek

2.1. Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek, voor zover relevant, het volgende ten grondslag gelegd. Ter terechtzitting d.d. 5 juni 2012 heeft verzoeker aan verweerder verzocht een gemotiveerde beslissing te geven op de door hem gestelde voorvragen. Verweerder heeft hierop aangegeven dit ter zitting niet te zullen doen, maar dat de beoordeling van de voorvragen in de beschikking als eerste aan de orde zullen komen. Door niet de motivatie te willen geven op de toetsing die wel in de beschikking zou worden gezet, heeft verweerder de indruk gewekt dat hij kennelijk al een beslissing had genomen op de voorvragen. Hierdoor is gegronde vrees voor partijdigheid opgewekt.

2.2. Verder heeft verzoeker nog aangevoerd in zijn toelichting op het wrakingsverzoek dat, nadat hij verweerder had gewraakt en de zittingzaal had verlaten, de overige partijen in de zaal zijn achtergebleven. Verweerder heeft de anderen niet verzocht de zaal te verlaten. Pas na verstrijken van enige tijd en nadat de bode de deur van de zaal wilde openen, kwamen de andere partijen de zaal uit.

2.3. Tenslotte is volgens verzoeker het uitgewerkte proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 5 juni 2012 niet compleet.

3. Standpunt van mr. J.G.J. Roelvink

Mr. J.G.J. Roelvink heeft schriftelijk het verzoek tot wraking gemotiveerd weersproken. Op hetgeen hij heeft aangevoerd zal hierna, indien van belang, nader worden teruggekomen

4. Beoordeling door de rechtbank

4.1. Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Onderzocht moet worden of de door verzoeker aangevoerde gronden kunnen worden gekwalificeerd als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid.

4.4. Verzoeker heeft in zijn voorvragen de ontvankelijkheid en bevoegdheid van LJ&R omtrent het genomen besluit inzake de schriftelijke aanwijzing aan de orde gesteld. Ter zitting heeft verzoeker aan verweerder verzocht hierop eerst een beslissing te geven, alvorens over te gaan tot de inhoudelijke behandeling van de zaak. Verweerder heeft vervolgens aangegeven niet ter zitting hierover een beslissing te geven.

Naar het oordeel van de rechtbank is het aan de behandelend rechter om de regie ter zitting te bepalen. De rechter bepaalt of en in welke volgorde de stellingen en standpunten van partijen worden behandeld, dit alles met het oog op de proceseconomie. Een dergelijke procesbeslissing kan behoudens bijkomende feiten en/of omstandigheden niet zonder meer een omstandigheid opleveren zoals onder r.o. 4.2 is bedoeld.

De genomen procesbeslissing is niet onbegrijpelijk, de goede procesorde vereist niet dat behandeling pas dan plaats kan vinden, als op gestelde voorvragen een (mondelinge) beslissing is gegeven. Dat verweerder heeft aangegeven in de eerstvolgende te nemen schriftelijke beslissing de voorvragen te zullen behandelden, impliceert in het licht van het voorgaande dan ook niet dat hij ter zitting zijn oordeel over deze voorvragen reeds had gevormd. Nu de procesbeslissing niet onbegrijpelijk is, levert deze geen aanwijzing op voor het oordeel dat verweerder partijdig is, dan wel dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Voor zover verzoeker de ontvankelijkheid dan wel bevoegdheid van verweerder in zijn voorvragen aan de orde willen stellen, geldt bovenstaande onverkort.

4.5. Dat verweerder de anderen niet heeft verzocht de zaal te verlaten, is eerst bij de toelichting op het wrakingsverzoek naar voren gebracht. Hoewel deze grondslag derhalve laat is voorgedragen, en mr. Roelvink hier niet op heeft gereageerd, zal de rechtbank deze grond inhoudelijk beoordelen.

Naar eigen zeggen heeft verzoeker de zaal verlaten in de wetenschap dat de andere partijen nog in de zaal waren. In plaats van gelijktijdig met hen te vertrekken, heeft verzoeker op de gang gewacht tot de anderen naar buiten kwamen. Niet is gebleken dat verzoeker is belet om, zodra hij merkte dat de anderen nog in de zaal waren, weer in de zaal terug te keren. Waar men zich nog kan voorstellen dat een met de gewoonten in de gerechtsgebouwen niet vertrouwde leek daarvoor te beschroomd is, geldt dat niet voor een repeat player als verzoeker. Voorgaande leidt dan ook tot het oordeel dat de grief geen omstandigheid oplevert als hiervoor beschreven in r.o. 4.2.

4.6. Inzake de grief aangaande het proces-verbaal wordt vooropgesteld dat het opmaken daarvan valt onder de verantwoordelijkheid van de griffier. Een proces-verbaal betreft een zakelijke weergave en behoeft geen woordelijke verslaglegging te bevatten van hetgeen ter zitting is voorgevallen. Nu het proces-verbaal door de rechter enkel ter bekrachtiging daarvan getekend wordt, levert de beweerdelijke onvolledigheid van het proces-verbaal geen aanwijzing op voor het oordeel dat de rechter partijdig is, dan wel dat de gestelde dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.7. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat er geen sprake is geweest van uitzonderlijke omstandigheden zoals onder 4.2 bedoeld. Het verzoek tot wraking van

mr. J.G.J. Roelvink zal dan ook worden afgewezen.

4.8. Op de aangevoerde gronden is door deze rechtbank in vergelijkbare zaken reeds eerder beslist, onder meer in 91944 KGRK 08-157 en 91880 KG RK 08-151. In die zaken trad de heer Zijlstra als gemachtigde op. Hem kon derhalve bekend zijn dat een wrakingsverzoek op de door hem aangevoerde gronden op dezelfde wijze zou worden afgedaan, indien hij geen nadere feiten of omstandigheden zou stellen op grond waarvan van de eerder ingezette lijn zou moeten worden afgeweken. Nu die nadere feiten of omstandigheden niet zijn gesteld, ziet de wrakingskamer grond voor het oordeel dat in dit geval misbruik is gemaakt van het wrakingsmiddel. Derhalve zal een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet in behandeling worden genomen (artikel 39 lid 4 WvBRv).

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. wijst het verzoek tot wraking van mr. J.G.J. Roelvink af;

5.2. bepaalt dat de procedure, bij de rechtbank bekend onder kenmerk: 130399 JE RK

12-483, zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het onderhavige wrakingsverzoek werd ingediend;

5.3 bepaalt dat een nieuw wrakingsvrzoek in de zaak 130399 JE RK 12-483 niet in behandeling zal worden genomen.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.B. de Groot, voorzitter, mrs. S.A.M. Vrendenbarg en W.A.M. Eijkelestam, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2012 in aanwezigheid van mr. M.S. Bos, griffier.