Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX3827

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
06/925401-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wegens belastingfraude met autobedrijven in 2006 en 2007 in Apeldoorn veroordeeld tot een voorwaardelijke celstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf van 240 uur. Rechtbank komt tot een lagere straf dan geëist. Verdachte speelde ten opzichte van medeverdachte een ondergeschikte rol. Zie uitspraak LJN BR0301 voor medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-2098
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/925401-08

Uitspraak d.d. 24 juli 2012

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1969],

wonende te [adres],

zonder feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland.

Raadsman mr. Vlug, advocaat te Deventer.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 november 2009, 21 juni 2011 en 10 juli 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

a)

[bedrijf A] B.V. in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 30

september 2006, in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of met een of meer

natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, als ondernemer in de zin van de

Wet op de Omzetbelasting 1968, (telkens) opzettelijk een bij de Belastingwet

voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het jaar 2005 en/of de

maand(en) januari 2006 en/of februari 2006 en/of maart 2006 en/of april 2006

en/of mei 2006 en/of juni 2006 en/of juli 2006 en/of augustus 2006, niet of

niet binnen de door de Inspecteur der belastingen/de Belastingdienst te

Apeldoorn gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit (telkens) ertoe

strekte dat te weinig belasting wordt geheven,

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer

ander(en), tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft

gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven

verboden gedraging(en);

b)

[bedrijf B] B.V. in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 31 juli

2006, in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of met een of meer

natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, als ondernemer in de zin van de

Wet op de Omzetbelasting 1968, (telkens) opzettelijk een bij de Belastingwet

voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het jaar 2005 en/of de

maand(en) januari 2006 en/of februari 2006 en/of maart 2006 en/of april 2006

en/of mei 2006 en/of juni 2006, niet of niet binnen de door de Inspecteur der

belastingen/de Belastingdienst te Apeldoorn gestelde termijn heeft gedaan,

terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven,

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer

ander(en), tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft

gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven

verboden gedraging(en);

c)

[bedrijf C] B.V. in of omstreeks de periode van 01 september 2006 tot en met 30

april 2007, in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of met een of meer

natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, als ondernemer in de zin van de

Wet op de Omzetbelasting 1968, (telkens) opzettelijk een bij de Belastingwet

voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,

te weten een aangifte voor de omzetbelasting over de maand(en) augustus 2006

en/of september 2006 en/of oktober 2006 en/of november 2006 en/of december

2006 en/of januari 2007 en/of februari 2007 en/of maart 2007, niet of niet

binnen de door de Inspecteur der belastingen/de Belastingdienst te Apeldoorn

gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te

weinig belasting wordt geheven,

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer

ander(en), tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven,

dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden

gedraging(en);

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 69 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 68 lid 2 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding onderzoek

Naar aanleiding van een aantal bij de belastingdienst ingekomen signalen is een onderzoek ingesteld bij [bedrijf B] BV en [bedrijf A] BV, nadat onder meer informatie beschikbaar was gekomen dat uit EU landen auto's waren geleverd aan deze BV's in de periode 1e kwartaal 2005 tot en met 1e kwartaal 2006, terwijl door deze BV's over die periode geen aangiften Omzetbelasting waren ingediend bij de belastingdienst en geen opgaven waren gedaan met betrekking tot de binnen de Europese Unie gedane verwervingen van deze auto's2.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, gelet op de verklaringen van verdachte. Door de raadsman is wel aangevoerd dat de ten laste gelegde periode beperkt dient te worden, aangezien de transacties/facturen waarop de feiten blijkens de benadelingsberekening zijn gebaseerd voor een belangrijk deel buiten de ten laste gelegde periode vallen. Bovendien zijn enkele facturen - blijkens het daarop voorkomende handschrift - niet door verdachte vervaardigd. Deze transacties dienen niet voor zijn rekening te komen. Dit alles maakt dat het benadelingsbedrag niet op 375.000 euro, maar op ongeveer 150.000 euro uitkomt.

Beoordeling door de rechtbank

[bedrijf A] BV

Door de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, is een brief gestuurd aan [bedrijf A] BV, inhoudende dat de aangifte omzetbelasting 2005 in het persoonlijk domein van [bedrijf A] BV was klaargezet. De belastingdienst heeft van [bedrijf A] BV geen aangifte omzetbelasting 2005 ontvangen.3 Voorts is het fiscale nadeel over het jaar 2005 voor de omzetbelasting berekend.4

Enig en zelfstandig bevoegd bestuurder van [bedrijf A] BV zijn in de relevante periodes geweest:

- van 18 augustus 2005 tot 23 maart 2006 via [bedrijf D] BV: [medeverdachte];

- van 23 maart 2006 tot 24 mei 2006 via [bedrijf B] BV: [verdachte];

- van 24 mei 2006 tot 1 november 2006 via [bedrijf B] BV en [bedrijf D] BV: [verdachte] en [medeverdachte];

- van 1 november 2006 tot 22 mei 2007 via [bedrijf B] BV: [verdachte];

- vanaf 22 mei 2007 via [bedrijf B] BV en [bedrijf D] BV: [medeverdachte]. 5 6 7

Door verdachte is verklaard dat hij in september 2004 [bedrijf A] BV heeft gekocht.8 Met [bedrijf A] BV heeft verdachte in auto's gehandeld. De auto's werden in Duitsland gekocht en verkocht in Nederland. Bijna alle auto's werden door verdachte aan Autobedrijf [naam A] in Apeldoorn verkocht. Verdachte deed de handel met [naam A] zelf. Verdachte werd door [naam A] contant betaald9 Door Auto [bedrijf A] BV zijn in de periode januari 2005 tot en met juni 2005 meerdere (personen)auto's gefactureerd aan [naam A] BV en Expl. Mij [naam A]. Op al deze facturen staat een BTW-bedrag vermeld.10

Aan verdachte is een overzicht met aan Autobedrijf [naam A] BV en Expl. Mij. [naam A] gefactureerde auto's getoond, alsmede alle op dit overzicht vermelde facturen. Door verdachte is over deze aan hem getoonde facturen verklaard dat deze door hem zijn opgemaakt.11

Door verdachte is voorts verklaard dat hij in juni 2005 [bedrijf A] BV aan [medeverdachte] heeft verkocht. Verdachte heeft hiervoor [bedrijf B] BV gekregen.12 Over 2005 heeft verdachte geen belastingaangiften gedaan. Bij de verkoop van [bedrijf A] BV heeft verdachte aan [medeverdachte] verteld dat er voor [bedrijf A] nog geen BTW-aangifte was gedaan. [medeverdachte] vertelde dat hij dat allemaal zou regelen. Bij de overdracht van [bedrijf A] BV heeft verdachte de hele boekhouding van de vennootschap overgedragen. Deze boekhouding bestond uit alle in- en verkoopfacturen en alle onkostenbonnetjes over de periode dat verdachte directeur was van [bedrijf A] BV.13

Met betrekking tot [bedrijf A] BV geldt, dat de jaaraangifte over het jaar 2005 uiterlijk op 31 maart 2006 had moeten worden ingediend. Tot 23 maart 2006 was [medeverdachte] via zijn besloten vennootschap [bedrijf D] BV (middellijk) bestuurder van [bedrijf A] BV. Met ingang van 23 maart 2006 tot 24 mei 2006 was via [bedrijf B] BV verdachte bestuurder. Vanaf 24 mei 2006 tot 1 november 2006 was [medeverdachte] via [bedrijf D] BV weer (middellijk) bestuurder. Mede ten laste is gelegd het niet doen van de aangifte omzetbelasting over het jaar 2005. Het betreft hier een voortdurend delict. Dit betekent dat in de ten laste gelegde periode 1 januari 2006 tot en met 30 september 2006 zowel verdachte als [medeverdachte] op hun beurt na elkaar als (enige) (middellijk) bestuurder feitelijk leiding hebben gegeven aan (het voortduren van) het nalaten aangifte te doen.

Voorzover de tenlastelegging ziet op het niet doen van de aangifte omzetbelasting over in 2006 gelegen maanden overweegt de rechtbank het volgende. Ten aanzien van het niet doen van de aangifte omzetbelasting bevindt zich in het dossier enkel een ambtsedige verklaring waarin staat dat de belastingdienst geen aangifte omzetbelasting 2005 heeft ontvangen van [bedrijf A] BV. Over de ten laste gelegde maanden in 2006 ontbreekt een dergelijke ambtsedige verklaring, terwijl overigens op grond van de voorhanden zijnde stukken niet kan worden vastgesteld dat en in welke omvang binnen [bedrijf A] BV in 2006 activiteiten zijn ontplooid, in welk kader aangifte(n) omzetbelasting diende(n) te worden gedaan. De rechtbank zal verdachte in zoverre dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde.

[bedrijf B] BV

Door de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, zijn brieven gestuurd aan [bedrijf B] BV, inhoudende dat de aangifte omzetbelasting voor respectievelijk het jaar 2005, januari 2006, februari 2006, maart 2006, april 2006, mei 2006 en juni 2006 in het persoonlijk domein van [bedrijf B] BV waren klaargezet. De belastingdienst heeft van [bedrijf B] BV geen aangiftes omzetbelasting voor de genoemde periodes ontvangen.14 Voorts is het fiscale nadeel over het fiscale jaar 2005 en de fiscale maanden januari tot en met juni 2006 berekend.15

Enig en zelfstandig bevoegd bestuurder van [bedrijf B] BV zijn in de relevante periodes geweest:

- van 28 juni 2005 tot 24 mei 2006 Via [bedrijf B] BV: [verdachte];

- van 24 mei 2006 tot 1 november 2006 via [bedrijf D] BV: [medeverdachte];

- van 1 november 2006 tot 22 mei 2007: [verdachte];

- vanaf 22 mei 2007 via [bedrijf D] BV: [medeverdachte]. 16 17

Door verdachte is verklaard dat, toen [medeverdachte] hem vertelde dat hij [bedrijf A] BV van hem ([verdachte]) wilde kopen, hij een andere besloten vennootschap voor verdachte had, waarmee hij de activiteiten van de in- en export van auto's kon voortzetten. Dit betrof [bedrijf B]. Met [medeverdachte] is hij daarvoor naar de Kamer van Koophandel geweest. Op voorstel van [medeverdachte] is het bedrijfsadres van [bedrijf B] op de [adres] blijven staan. [medeverdachte] zou de post voor [verdachte] afhandelen.18 In de tijd dat hij ([verdachte]) directeur was van [bedrijf B] BV werd hij gebeld door allerlei schuldeisers en hij heeft vervolgens [medeverdachte] verzocht [bedrijf B] BV terug te nemen. Dat is de reden dat verdachte in mei 2006 met [bedrijf B] BV is gestopt en hij verder is gegaan voor de autohandel met [bedrijf C].19

Verdachte heeft verder verklaard, dat hij vanaf eind juni 2005 de activiteiten van [bedrijf A] BV met [bedrijf B] heeft voortgezet en auto's in Duitsland kocht, die hij hoofdzakelijk verkocht aan [naam A] in Apeldoorn.20

Door [bedrijf B] BV zijn in de periode juli 2005 tot en met juni 2006 meerdere, in 2006 maandelijks tenminste één - (personen)auto's gefactureerd aan [naam A] BV en Expl. Mij [naam A]. Op al deze facturen staat een BTW-bedrag vermeld.21

Aan verdachte is een overzicht met aan Autobedrijf [naam A] BV en Expl. Mij. [naam A] gefactureerde auto's getoond, alsmede alle op dit overzicht vermelde facturen. Verdachte heeft over deze aan hem getoonde facturen verklaard dat deze door hem zijn opgemaakt.22

Met betrekking tot [bedrijf B] geldt, dat het over het jaar 2005 gaat om een jaaraangifte omzetbelasting en voor wat het jaar 2006 betreft om maandaangiften over de periode januari tot en met juni 2006. Begin 2006 was verdachte bestuurder van [bedrijf B] BV, met ingang van 24 mei 2006 tot 1 november 2006 was in plaats van verdachte [medeverdachte] via [bedrijf D] BV (middellijk) bestuurder van [bedrijf B] BV.

Ten laste is gelegd het niet doen van aangifte omzetbelasting over het jaar 2005 en aangiften over de maanden januari tot en met juni 2006. Het betreft hier een delict dat doorloopt in het daaropvolgende belastingjaar. In de periode als in de tenlastelegging genoemd, 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2006, heeft [medeverdachte] als enige (opvolgend) bestuurder (van verdachte) feitelijk leiding gegeven aan (het voortduren van) het nalaten aangifte te doen. Voor wat de aangiften over de maanden mei en juni 2006 betreft is gebleken op grond van voornoemde bewijsmiddelen dat [medeverdachte] bestuurder was, terwijl door verdachte nog handelsactiviteiten werden verricht.

[bedrijf C] BV

Door de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, zijn brieven gestuurd aan [bedrijf C] BV, inhoudende dat de aangifte omzetbelasting voor respectievelijk augustus 2006, september 2006, oktober 2006, november 2006, december 2006, januari 2007, februari 2007 en maart 2007 in het persoonlijk domein van [bedrijf C] B.V. waren klaargezet23.

Enig en zelfstandig bevoegd bestuurder van [bedrijf C] BV is in de relevante periode geweest:

- van 19 juli 2006 tot 22 mei 2007: [verdachte]24.

Door de Belastingdienst25 is verklaard dat vanaf juli 2006 tot met december 2006 de aangiften omzetbelasting te laat zijn ingediend.

Met betrekking tot de aangifte over de maand januari 2007 is vast komen te staan dat deze niet is ingediend. Met betrekking tot de maanden februari en maart 2007 is niet komen vast te staan dat in deze periode binnen [bedrijf C] BV handelingen zijn verricht welke aan omzetbelasting waren onderworpen.

Verdachte heeft verklaard26 dat hij [bedrijf C] BV in 2006 heeft gekocht en dat hij vanaf de aankoop van deze BV de activiteiten van [bedrijf B] BV met [bedrijf C] BV heeft voortgezet. Ook met [bedrijf C] BV heeft hij auto's in Duitsland gekocht en deze weer verkocht aan [naam A] in Apeldoorn.

Zie in dit verband ook de verklaring van verdachte onder voetnoot 19.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

a)

[bedrijf A] B.V. in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 september 2006, in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het jaar 2005 niet heeft gedaan, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedraging;

b)

[bedrijf B] B.V. in de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 juli 2006, in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het jaar 2005 en de maanden januari 2006, februari 2006, maart 2006, april 2006, mei 2006 en juni 2006 niet heeft gedaan, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedragingen;

c)

[bedrijf C] B.V. in de periode van 1 september 2006 tot en met 30 april 2007, in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, als ondernemer in de zin van de Wet op de Omzetbelasting 1968, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de omzetbelasting over de maanden augustus 2006 en september 2006 en oktober 2006 en november 2006 en december

2006 en januari 2007 niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen/de Belastingdienst te Apeldoorn gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven, zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedragingen.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

a) feitelijk leidinggeven aan medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

b) feitelijk leidinggeven aan medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

c) feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot - overeenkomstig het minimum van de Oriëntatiepunten Straftoemeting Fraudezaken met een nadeel van circa 375.000 euro - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

De officier van justitie heeft bij zijn strafeis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

De raadsman heeft gesteld dat voor de strafmaat van belang is dat verdachte een ondergeschikte rol heeft gespeeld ten opzichte van de medeverdachte [medeverdachte], artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, het zeer lang heeft geduurd voordat de strafzaak behandeld kon worden en de feiten tenminste vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden en tenslotte moet worden uitgegaan van een benadelingsbedrag van 150.000 euro en niet van 375.000 euro. Volstaan kan derhalve worden met een werkstraf, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Met betrekking tot de omvang van de benadeling overweegt de rechtbank- daargelaten wie de betwiste facturen heeft vervaardigd- dat verdachte als bestuurder van de betrokken bv verantwoordelijk moet worden gehouden voor alle activiteiten van die BV.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude.

Door het niet doen van aangifte is de fiscus niet in staat geweest juiste belastingverplichtingen vast te stellen en aanslagen op te leggen. Dit doet afbreuk aan de belastingmoraal en brengt de overheid en daarmee de gehele samenleving nadeel toe.

Ten voordele van verdachte weegt dat hij gelet op zijn strafblad niet eerder voor dit soort delicten met justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht in deze van toepassing in verband met een veroordeling van verdachte bij arrest van het gerechtshof Arnhem van 24 november 2009.

De gepleegde feiten zijn van oudere datum. Verdachte is in het kader van het onderzoek door de FIOD-ECD gehoord op 21 mei 2008 en 11 juni 2008. Het proces-verbaal van de FIOD-ECD was gereed op 4 december 2008.

De inleidende dagvaarding voor de terechtzitting op 3 november 2009 is betekend op 17 september 2009. Naar aanleiding van onderzoekswensen van de verdediging heeft er op die zitting geen inhoudelijke behandeling plaatsgevonden en is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van negen getuigen. Op 18 mei 2010 zijn twee getuigen gehoord en op 19 mei 2010 is er nog een getuige gehoord. Bij brief van 25 juni 2010 heeft de rechter-commissaris bericht, samengevat, dat vanwege verwikkelingen in de zaak van [verdachte] besloten is geen nadere verhoren te plannen en dus ook het rechtshulpverzoek niet door te zetten. Op 21 juni 2011 is de zaak wederom aangehouden, teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen een nieuwe raadsman/raadsvrouw te benaderen. De inhoudelijke behandeling heeft thans plaatsgevonden op 10 juli 2012 en de uitspraak is heden, 24 juli 2012. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn - uitgangspunt 24 maanden - in beginsel met 10 maanden is overschreden, maar dat die vertraging in de afdoening van de zaak kan worden toegeschreven aan de houding van verdachte en de onderzoeksverzoeken die zijdens de verdediging zijn gedaan.

Verdachte heeft ten opzichte van de mededader [medeverdachte] een ondergeschikte rol gespeeld bij een beperkt aantal strafbare feiten, immers [medeverdachte] is veroordeeld ten aanzien van belastingfraude met betrekking tot [bedrijf A] BV en [bedrijf B] BV, feitelijk leiding geven aan bedriegelijke bankbreuk ten aanzien van een vijftal BV's, feitelijk leiding geven aan oplichting en het medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande een lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd gerechtvaardigd. De rechtbank zal een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van na te melden duur opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 24c, 47, 51, 57, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68, 69 en 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

a) feitelijk leidinggeven aan medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

b) feitelijk leidinggeven aan medeplegen van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

c) feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd

en verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden;

* bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van vier maanden.

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Van Valderen en Follender Grossfeld, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 juli 2012.

Mr. Follender Grossfeld is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar bijlagennummers, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, dossiernummer 40952, FIOD-ECD, kantoor Arnhem, gesloten en ondertekend op 4 december 2008.

2 Stamproces-verbaal pag. 8 en 9

3 Ambtsedige verklaring, bijlage AH-065

4 Ambtsedige verklaring, bijlage AH-061

5 Handelsregisterhistorie, Kamer van Koophandel, schriftelijk bescheid, D-0-006

6 Handelsregisterhistorie, Kamer van Koophandel, schriftelijk bescheid, D-0-005

7 Uittreksel Kamer van Koophandel, schriftelijk bescheid, bijlage D-0-001

8 Proces-verbaal van verhoor, bijlage V-02-01, pagina 2

9 Proces-verbaal van verhoor, bijlage V-02-01, pagina 3

10 Factuur d.d. 8 januari 2005, bijlage D-1-102/01, factuur d.d. 17 januari 2005, bijlage D-1-102/02, factuur d.d. 21 januari 2005, bijlage D-1-102/03, factuur d.d. 14 februari 2005, bijlage D-1-102/04, factuur d.d. 18 maart 2005, bijlage D-1-102/05, factuur d.d. 8 april 2005, bijlage D-1-102/06, factuur d.d. 19 april 2005, bijlage D-1-102/07, factuur d.d. 26 mei 2005, bijlage D-1-102/09, factuur d.d. 30 mei 2005, bijlage D-1-102/10, factuur d.d. 13 juni 2005, bijlage D-1-102/11 en factuur d.d. 20 juni 2005, bijlage D-1-102/12.

11 Proces-verbaal van verhoor, bijlage V-02-02, pagina 3 en de daarbij horende bijlage, genummerd 1.

12 Proces-verbaal van verhoor, bijlage V-02-01, pagina 4

13 Proces-verbaal van verhoor, bijlage V-02-01, pagina 4

14 Ambtsedige verklaring, bijlage AH-066

15 Ambtsedige verklaring, bijlage AH-062

16 Handelsregisterhistorie, Kamer van Koophandel, schriftelijk bescheid, D-0-005

17 Uittreksel Kamer van Koophandel, schriftelijk bescheid, bijlage D-0-001

18 Proces-verbaal van verhoor, bijlage V-02-01, pagina 4

19 Proces-verbaal van verhoor, bijlage V-02-01, pagina 5

20 Proces-verbaal van verhoor, bijlage V-02-01, pagina 5

21 Factuur d.d. 15 juli 2005, bijlage D-1-201/01, factuur d.d. 18 juli 2005, bijlage D-1-201/02, factuur d.d. 20 juli 2005, bijlage D-1-201/03, factuur d.d. 30 augustus 2005, bijlage D-1-201/04, factuur d.d. 13 september 2005, bijlage D-1-201/05, factuur d.d. 17 september 2005, bijlage D-1-201/06, factuur d.d. 17 oktober 2005, bijlage D-1-201/07, factuur d.d. 21 oktober 2005, bijlage D-1-201/09, factuur d.d. 31 oktober 2005, bijlage D-1-201/11, factuur d.d. 31 januari 2006, bijlage D-1-202/02, factuur d.d. 10 februari 2006, bijlage D-1-203/02, factuur d.d. 17 februari 2006, bijlage D-1-203/03, factuur d.d. 31 maart 2006, bijlage D-1-204/02, factuur d.d. 17 april 2006, bijlage D-1-205/01, factuur d.d. 3 mei 2006, bijlage D-1-206/01, factuur d.d. 10 mei 2006, bijlage D-1-206/02, factuur d.d. 12 juni 2006, bijlage D-1-207/01.

22 Proces-verbaal van verhoor, bijlage V-02-02, pagina 3 en de daarbij horende bijlage, genummerd 1.

23 Ambtsedige verklaring, bijlage AH-067

24 Uittreksel Kamer van Koophandel, schriftelijk bescheid, D-0-007 en D-0-007/1 en Stamproces-verbaal relaas verbalisant, pagina 7

25 Ambtsedige verklaring (in aanvulling op het dossier bij brief van 9 juni 2011) van [naam], fraudecoördinator bij de Belastingdienst Apeldoorn

26 Proces-verbaal van verhoor bijlage V-02-01, pagina 5