Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX3553

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
03-08-2012
Zaaknummer
481969 HA VERZ 12-28
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0710
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Kanton – Locatie Zutphen

Zaaknummer: 481969 HA VERZ 12-28

afschriften aan: mr. L.J.T. Ouwersloot-Koster

grosse aan: mr. A.L. Looijenga

verzonden d.d.:

beschikking van de kantonrechter d.d. 26 juni 2012

in de zaak van:

de besloten vennootschap Boomkwekerij [naam bedrijf] B.V.,

gevestigd te [adres],

verzoekster,

gemachtigde: mr. L.J.T. Ouwersloot-Koster,

tegen:

[verweerster],

wonende te Zutphen,

verweerster,

gemachtigde: mr. A.L. Looijenga.

1. Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de faxbrieven van mr. Ouwersloot met bijlagen van 25 mei en 15 juni 2012;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling ter zitting van 18 juni 2012, waarbij door mr. Ouwersloot pleitnotities zijn overgelegd.

2. De vaststaande feiten

2.1 Verzoekster exploiteert een onderneming die zich heeft gespecialiseerd in het kweken en verkopen van een groot assortiment heesters, coniferen en rozen zowel plantgoed in pot als leverbaar in container. De afzet is vooral gericht op de verkoop aan collega-kwekers in binnen- en buitenland. De organisatie bestond, tot de sluiting van de stekafdeling, uit drie afdelingen: de stekafdeling, de boomkwekerij en het kantoor. De stekafdeling met 8 werknemers is inmiddels gesloten.

2.2 Verweerster, geboren op [1960] (thans 52 jaar) is met ingang van 2 juni 1998 in dienst getreden van verzoekster en thans voor onbepaalde tijd werkzaam in de functie van steksteekster/oppotter. Het salaris bedraagt momenteel € 1.667,86 bruto per maand exclusief 8,25% vakantiegeld en € 234,00 bruto persoonlijke toeslag. Verweerster heeft zich met ingang van 14 oktober 2011 ziekgemeld en is nog steeds arbeidsongeschikt.

2.3 Verzoekster heeft bij brief van 10 oktober 2011 aan UWV voor alle acht medewerkers van de stekafdeling, waaronder verweerster wegens bedrijfseconomische noodzaak ontslagvergunning verzocht en verkregen bij brief van 29 november 2011. Verzoekster heeft daarop de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 31 januari 2012. Vanwege strijd met de toepasselijke CAO Open teelten, bleek deze opzegging nietig te zijn.

3. Het verzoek

3.1 Verzoekster verzoekt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk te ontbinden, met compensatie van de proceskosten.

3.2 Verzoekster legt aan haar verzoek, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, onder meer de volgende stellingen ten grondslag. Door de nijpende financiële situatie diende de stekafdeling, waarop verlies werd geleden, te worden gesloten. Daarmee is de functie van verweerster komen te vervallen. Er zijn geen passende functies in het bedrijf beschikbaar. Veroordeling tot betaling van de verzochte vergoeding zal leiden tot het faillissement van verzoekster.

4. Het verweer

4.1 Verweerster heeft verzocht:

primair: het verzoek af te wijzen;

subsidiair: bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan verweerster een vergoeding toe te kennen van € 36.028,36 bruto ten laste van verzoekster ter compensatie van respectievelijk als aanvulling op (lager) elders te verdienen inkomsten dan wel een van de sociale uitkeringen, uit te betalen uiterlijk 2 weken na de ontbindingsdatum op een door verweerster aan te geven wijze, waarbij de kantonrechter rekening houdt met de voor verweerster geldende fictieve opzegtermijn, dan wel de vergoeding te vermeerderen met een bedrag ter hoogte van het salaris c.a. over de fictieve opzegtermijn.

4.2 Verweerster heeft tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, onder meer de volgende verweren aangevoerd. Zij heeft een beroep gedaan op de reflexwerking van het opzegverbod wegens ziekte. Daarnaast heeft zij betwist dat de bedrijfseconomische noodzaak voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met verweerster, na de reeds genomen maatregelen, ook thans nog zou bestaan, zodat beëindiging van deze arbeidsovereenkomst niet meer noodzakelijk is. Voorts heeft verweerster aangevoerd dat verzoekster zich onvoldoende heeft ingespannen om voor verweerster een andere passende functie in de onderneming te vinden.

5. De beoordeling

5.1 In de eerste plaats is aan de orde de vraag of er voldoende gronden zijn die met zich brengen dat de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.

5.2 Zowel in de procedure voor het UWV als nu in deze ontbinding procedure heeft verzoekster voldoende (nader) onderbouwd dat de financieel-economische situatie van de onderneming van verzoekster zo nijpend is dat ingrijpende bezuinigingsmaatregelen noodzakelijk waren en nog steeds zijn. Door het noodgedwongen sluiten van de afdeling waar verweerster naast 7 andere werknemers werkzaam was is haar arbeidsplaats komen te vervallen. Verzoekster heeft voldoende aangetoond dat, met name ook gelet op de slechte bedrijfseconomische vooruitzichten (na re-integratie) een herplaatsing van verweerster op een (eventueel nieuw te creëren) werkplek niet tot de reële mogelijkheden behoort.

5.3 Gelet op het voorgaande staat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in geen enkele relatie tot de oorzaak van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zodat ook het beroep op de reflexwerking van het op zich verbod wegens ziekte niet kan slagen.

5.4 Het voorgaande brengt mee dat in dit geval sprake is van veranderingen in de omstandigheden welke van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Het verzoek tot ontbinding zal daarom worden toegewezen, en wel per 1 juli 2012.

5.5 In beginsel komt de ontbinding wegens bedrijfseconomische noodzaak voor risico van de werkgever. Uit de overgelegde stukken en gegevens is echter naar het oordeel van de kantonrechter voldoende komen vast te staan dat slechts een minimale vergoeding tot de mogelijkheden kan behoren zonder het voortbestaan van de onderneming (verder) in gevaar te brengen. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding dient mede te worden gelet op de leeftijd van de werknemer, de duur van het dienstverband, het salaris inclusief vakantietoeslag en overige emolumenten De kantonrechter zal de vergoeding naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 7.200,00 bruto (ongeveer C=0,20), waarbij zal worden bepaald dat verzoekster deze in 18 achtereenvolgende maandelijkse termijnen van elk € 400,00 bruto aan verweerster dient te betalen.

5.6 De door partijen aangevoerde argumenten die in het voorgaande niet aan de orde zijn gekomen, behoeven geen bespreking, nu deze, in het licht van hetgeen is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

5.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat, behoudens intrekking van het verzoek, de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 juli 2012, waarbij een vergoeding zal worden toegekend ten bedrage van € 7.200,00 bruto, te betalen in termijnen als hierna is vermeld. Nu partijen over en weer op verscheidene punten in het gelijk zijn gesteld zal worden bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, behoudens indien het verzoek wordt ingetrokken. Bij intrekking zijn er termen aanwezig verzoekster te veroordelen in de proceskosten.

Hetgeen meer of anders is verzocht zal worden afgewezen.

De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt, tenzij het verzoek uiterlijk op vrijdag 29 juni 2012 wordt ingetrokken, de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juli 2012 ;

kent aan verweerster ten laste van verzoekster een vergoeding toe van € 7.200,00 bruto ter compensatie van respectievelijk als aanvulling op (lager) elders te verdienen inkomsten dan wel een van de sociale uitkeringen;

bepaalt dat de hiervoor genoemde vergoeding door verzoekster aan verweerster betaald dient te worden in achttien achtereenvolgende maandelijkse termijnen van elk € 400,00. De eerste termijn dient betaald te zijn uiterlijk op 31 juli 2012 en de daarop volgende termijnen telkens uiterlijk op de laatste dag van de maand;

en voorts:

indien het verzoek niet door verzoekster wordt ingetrokken:

- bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

indien het verzoek door verzoekster wordt ingetrokken:

- veroordeelt verzoekster in de proceskosten, tot aan deze beschikking aan de zijde van verweerster vastgesteld op € 400,00 voor salaris gemachtigde;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C.J. Heessels, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2012 in aanwezigheid van de griffier.