Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX3037

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
06-02-2012
Datum publicatie
30-07-2012
Zaaknummer
127584 KG RK 12/21
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek. Verzoek tot wraking afgewezen. De wrakingskamer is van oordeel dat het enkel vervullen van de functie van arbiter bij de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven zonder bijkomende feiten of omstandigheden niet kan leiden tot het oordeel dat de rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd zou zijn. Temeer nu een arbiter uit hoofde van zijn of haar functie wordt geacht onpartijdig te zijn. Door verzoeker is niet gesteld dat het vervullen van de functie van arbiter met zich mee zou brengen dat mr. Gratama partijdig is, dan wel dat de vrees hiertoe objectief gerechtvaardigd zou zijn. Evenmin zijn bijkomende feiten of omstandigheden gesteld die zouden kunnen leiden tot dit oordeel. Het verzoek is in zoverre dan ook onvoldoende onderbouwd en dient dan ook te worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: 127584 KG RK 12/21

Beslissing van 6 februari 2012 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid:

Wieringa & Ten Cate BV,

gevestigd te Winterswijk,

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.J. Douwes, advocaat te Apeldoorn,

strekkende tot wraking van:

mr. A.S. Gratama,

rechter-plaatsvervanger in deze rechtbank.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:

- het schriftelijk gedane verzoek van Wieringa & Ten Cate BV van 10 januari 2012, strekkende tot wraking van mr. Gratama;

- het schriftelijke verweerschrift van mr. Gratama van 24 januari 2012;

- de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van 30 januari 2012.

2. Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft aan haar verzoek tot wraking, voor zover relevant, het volgende ten grondslag gelegd.

2.1. Mr. Gratama had en heeft diverse nevenfuncties waarbij zijn contacten had kunnen hebben met woningcorporaties, waaronder Woonstichting De Woonplaats, zijnde de eisende partij in de procedure bekend onder zaaknummer 441089 CV 11/507. Sinds 1 januari 2012 treedt mr. Gratama ook op als arbiter bij de Raad van Arbitrage voor Bouwbedrijven.

2.2. De bedoelde nevenfuncties verklaren volgens verzoeker ook de bijzonder negatieve bejegening van mr. Gratama ten opzichte van verzoeker tijdens de comparitiezitting van 26 september 2011. Verzoeker heeft ter onderbouwing van dit standpunt een viertal voorvallen tijdens de zitting omschreven, waaruit deze negatieve bejegening zou blijken.

2.3. Het onder 2.1. gestelde, op zichzelf beschouwd en in onderling verband beschouwd met het onder 2.2. gestelde, heeft er bij verzoeker toe geleid dat de indruk is ontstaan dat mr. Gratama vooringenomen is, althans dat er sprake is van de schijn van partijdigheid.

3. Standpunt van mr. Gratama

Mr. Gratama heeft schriftelijk het verzoek tot wraking gemotiveerd weersproken. Op hetgeen zij heeft aangevoerd zal hierna, indien van belang, worden teruggekomen

4. Ontvankelijkheid

4.1. De wrakingskamer ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verzoeker in zijn verzoek tot wraking kan worden ontvangen.

4.2. Ingevolge artikel 37, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden - die aan het verzoek ten grondslag worden gelegd - aan de verzoeker bekend zijn geworden.

4.3. De wrakingskamer is van oordeel dat de gronden zoals door verzoeker aangevoerd, voor zover deze betrekking hebben op de nevenfuncties van voor 1 januari 2012 en de bejegening tijdens de comparitiezitting van 26 september 2011, feiten en omstandigheden betreffen waar verzoeker op 26 september 2011 bekend mee is geworden, dan wel bekend mee had kunnen zijn. Hiertoe overweegt de wrakingskamer het volgende.

4.3.1. Verzoeker had op het moment dat zij bekend werd met de naam van de behandeld rechter de nevenfuncties van de rechter kunnen opzoeken in het openbare register op rechtspraak.nl. Tijdens de comparitiezitting van 26 september 2011 was mr. Gratama de behandelend rechter. Indien verzoeker niet reeds eerder op de hoogte was van de naam van de behandelend rechter, was zij op zijn laatst dus tijdens de comparitiezitting hiermee bekend. Direct na de zitting had verzoeker dan ook het openbaar register kunnen raadplegen en zodoende vanaf dat moment bekend kunnen zijn met de nevenfuncties van mr. Gratama. Dat verzoeker pas in een later stadium daadwerkelijk het register heeft geraadpleegd doet hier niet aan af.

4.3.2. Voor zover de aangevoerde gronden betrekking hebben op de bejegening door mr. Gratama tijdens de comparitiezitting van 26 september 2011 betreffen dit gronden waar verzoeker op dezelfde datum mee bekend is geworden. De bestuurders van verzoeker waren immers zelf aanwezig tijdens deze comparitiezitting, evenals de gemachtigde van verzoeker mr. Douwes.

4.5. Gelet op het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker de hiervoor bedoelde gronden voor zijn verzoek tot wraking niet heeft aangedragen zodra deze feiten en omstandigheden hem bekend waren geworden. Nu verzoeker de gronden voor zijn verzoek tot wraking, voor zover betreffende de gronden die haar op 26 september 2011 bekend waren en/of hadden kunnen zijn, niet heeft aangedragen zodra deze feiten en omstandigheden haar bekend waren geworden, zal de wrakingskamer haar in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek tot wraking.

4.6. Voor zover de nevenfunctie van arbiter voor de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven aan het verzoek tot wraking ten grondslag is, is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker wel ontvankelijk is. Deze grond is, nu mr. Gratama deze nevenfunctie pas vervult met ingang van 1 januari 2012, wel tijdig aangevoerd. Verzoeker is in zoverre dan ook ontvankelijk in haar verzoek tot wraking.

5. Beoordeling door de rechtbank

5.1. Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3. Het verzoek tot wraking - voor zover het verzoek ontvankelijk is - komt neer op de klacht dat de rechter werkzaam is als arbiter bij de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven. Onderzocht moet worden of deze grond gekwalificeerd kan worden als een uitzonderlijke omstandigheid zoals onder 5.2. bedoeld.

5.4. De wrakingskamer is van oordeel dat het enkel vervullen van de functie van arbiter bij de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven zonder bijkomende feiten of omstandigheden niet kan leiden tot het oordeel dat de rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd zou zijn. Temeer nu een arbiter uit hoofde van zijn of haar functie wordt geacht onpartijdig te zijn. Door verzoeker is niet gesteld dat het vervullen van de functie van arbiter met zich mee zou brengen dat mr. Gratama partijdig is, dan wel dat de vrees hiertoe objectief gerechtvaardigd zou zijn. Evenmin zijn bijkomende feiten of omstandigheden gesteld die zouden kunnen leiden tot dit oordeel. Het verzoek is in zoverre dan ook onvoldoende onderbouwd en dient dan ook te worden afgewezen.

5.5. Al de hiervoor besproken door verzoeker aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, zowel op zichzelf beschouwd als in onderlinge samenhang bezien, kunnen niet leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek, zodat het zal worden afgewezen.

6. Beslissing

De rechtbank:

6.1. verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking voor zover de gronden zien op feiten die verzoeker bekend waren na;

6.2. wijst voor het overige het verzoek tot wraking van mr. Gratama af;

6.3. bepaalt dat de procedure, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer 441089 CV 11/507, zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het onderhavige wrakingsverzoek werd ingediend.

Deze beslissing is gegeven door mr. K.H.A. Heenk, voorzitter, mrs. L.J.P. Lambooij en M.C. van der Mei, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2012 in aanwezigheid van mr. F.A. Demmers, griffier.