Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX2401

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
24-07-2012
Zaaknummer
06/865052-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is tot een werkstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector strafrecht

Meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

Parketnummer: 06/865052-12

Uitspraak d.d.: 24 juli 2012

Tegenspraak/dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsvrouwe: mr. M. Meijer, advocaat te Apeldoorn

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzitting van 10 juli 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 juni 2010 te Vaassen, gemeente Epe, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft

gesticht in een schuur bij de woning [adres] aldaar, immers

heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar

opzettelijk benzine, althans een brandbare vloeistof, in die schuur

gesprenkeld en/of gegooid en/of (vervolgens) met een aansteker en/of een

brandende peuk aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met met die benzine, althans brandbare vloeistof, althans met (een)

brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die schuur geheel of gedeeltelijk

is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen

gevaar voor die schuur en/of een of meer naast die schuur staande

schuur/schuren en/of de woning [adres], in elk geval gemeen gevaar

voor goederen, te duchten was (incident 1, vanaf blz. 119);

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Ter zitting heeft hij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht voor haar bewijsoordelen de volgende bewijsmiddelen redengevend:

Feit 11

Aangever [slachtoffer]2 heeft verklaard, zakelijk weergegeven, dat op 13 juni 2010 omstreeks 20.10 uur zijn schuur achter zijn woonhuis aan de [adres] te Vaassen binnen de gemeente Epe in brand stond. Door de brand werd ook het kleinere schuurtje beschadigd.

Verdachte3 heeft verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] op 13 juni 2010 een schuur in brand heeft gestoken in de buurt van de woning van medeverdachte [medeverdachte]. Zij hadden beiden een jerrycan met benzine rondgestrooid en hadden beiden de bedoeling om de schuur in brand te steken. Verdachte heeft deze verklaring ter zitting bevestigd.

Medeverdachte [medeverdachte]4 heeft verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij op 13 juni 2010, samen met verdachte een schuur in is gegaan bij een alleenstaande woning aan de Woestijnweg en dat zij samen hebben rondgekeken in die schuur en gereedschap hebben opgepakt. Hij zag dat verdachte een jerrycan met benzine pakte, de dop losdraaide en deze jerrycan achter in de schuur gooide, waardoor de benzine eruit liep. Vervolgens zag hij dat verdachte nog een andere jerrycan met benzine pakte en de inhoud hiervan in het rond gooide, met een spoor naar de deur. Verdachte heeft vervolgens de benzine met een aansteker aangestoken, waarop de schuur plotseling in brand stond. Vervolgens zijn zij samen weggerend.

Getuige [getuige]5 heeft verklaard, zakelijk weergegeven, dat hij van verdachte heeft gehoord dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte] een schuur in brand had gestoken, door samen benzine in de schuur rond te sprenkelen en deze benzine aan te steken met een aansteker waardoor een grote steekvlam en ontploffing ontstond. Hierna zijn zij beiden weggerend.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 13 juni 2010 te Vaassen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht in een schuur bij de woning [adres] aldaar, immers hebben verdachte en/of zijn mededader toen aldaar opzettelijk benzine, in die schuur gesprenkeld en vervolgens met een aansteker aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met die benzine, ten gevolge waarvan die schuur geheel is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die schuur en naast die schuur staande schuur, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur, subsidiair 40 dagen jeugddetentie.

De raadsvrouw heeft bij pleidooi gesteld dat verdachte berouw heeft van zijn daden en dat hij een werkstraf goed kan accepteren. Zij heeft enige matiging bepleit van de door de officier van justitie gevorderde werkstraf in verband met school en werk.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte. Door brand te stichten in een schuur die dicht bij andere bebouwing en woningen staat, heeft verdachte bijzonder onverantwoord gehandeld en grote schade veroorzaakt.

Ten voordele van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte spijt heeft getoond van zijn daad en dat hij een positieve houding laat zien ten aanzien van zijn verantwoordelijkheden, zoals het beëindigen zijn verslaving, het behalen van een schooldiploma en het vinden van werk. Bovendien heeft hij getracht met de benadeelde in contact te komen, hetgeen overigens tot op heden niet is gelukt.

De rechtbank heeft voorts meegewogen het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 24 april 2012 om verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Ten aanzien van het recidivegevaar is de Raad van mening dat dit als laag moet worden ingeschat.

Alles in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van 80 uur subsidiair 40 dagen jeugddetentie een passende straf is voor verdachte.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] te Vaassen heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 66.853,16 gevoegd in het strafproces van verdachte.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vordering hoofdelijk dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 12.500,- als voorschot en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

De raadsvrouw van verdachte heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, nu de vordering een onevenredige belasting vormt voor het strafproces. De vordering is bovendien niet goed onderbouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering, nu de omvang van de schade op grond van de overgelegde stukken door de rechtbank niet is te waarderen en de verdere behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 47, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een taakstraf te weten een werkstraf voor de duur van 80 uur, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;

* Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering;

Aldus gewezen door mrs. Troost, voorzitter, tevens kinderrechter en Weijers- van der Marck en Moolenburgh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. van Erp-Noordenbos, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 juli 2012.

1Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van de in de wettelijke vorm

opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nr. PL06182012028957 Regio Noord- en Oost Gelderland, district Noordwest Veluwe, Team Heerde-Hattem, gesloten en ondertekend op 18 april 2012 te Epe.

2 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer], pag. 120

3 Proces-verbaal verdachte, pag. 150-151

4 Proces-verbaal verklaring medeverdachte [medeverdachte], pag. 147

5 Proces-verbaal verklaring getuige [getuige], pag. 139 en 140 (1e alinea)