Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX1956

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
130987 - KG ZA 12-168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verbod aan Vordense Auto en Motor Club 'De Graafschaprijders' om van het pad naar een crossbaan gebruik te maken. Gebruik van toegangspad naar crossterrein is rechtsgeldig opgezegd aan crossvereniging, geen misbruik van recht. Gebruik van de erfdienstbaarheid niet op de minst bezwarende wijze.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 130987 / KG ZA 12-168

Vonnis in kort geding van 17 juli 2012

in de zaak van

1. [eiser A],

wonende te Vorden,

eiser,

2. de vereniging

VORDENSE AUTO- EN MOTORCLUB DE GRAAFSCHAPRIJDERS,

gevestigd te Vorden,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J. van Groningen te Middelharnis,

tegen

1. [gedaagde A],

2. [gedaagde B],

beiden wonende te Vorden,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. M.R. Groenendijk te Enschede.

Partijen zullen hierna [eiser A] en De Graafschaprijders respectievelijk [gedaagde A] en [gedaagde B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser A] en De Graafschaprijders

- de pleitnota’s van [gedaagde A] en [gedaagde B].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser A] is eigenaar van het perceel Deldensebroekweg, kadastraal bekend gemeente Vorden, [kadastrale gegevens eiser A]. Dit perceel heeft de bestemming bedrijvigheid (agrarisch) terrein (natuur). [eiser A] woont aan de [adres].

2.2. [gedaagde A] en [gedaagde B] zijn eigenaar van de percelen kadastraal bekend gemeente Vorden, [kadastrale gegevens gedaagden A en B]. Zij wonen met hun kinderen in een op het perceel met [kadastrale gegevens gedaagden A en B] staande woning, plaatselijk bekend als [adres] te Vorden. De bestemming van dit perceel is wonen, erf, tuin. Het perceel met [kadastrale gegevens gedaagden A en B] is een bosperceel met de bestemming natuur.

2.3. Het perceel met woonhuis van [gedaagde A] en [gedaagde B] is bereikbaar via een pad (hierna het pad) dat langs de woning en boerderij van [eiser A] loopt, vervolgens over het perceel [kadastrale gegevens g[kadastrale gegevens gedaagden A en B] en tenslotte uitkomt bij het perceel met kadastraal [kadastrale gegevens eiser A]. Het (bestrate) gedeelte van het pad dat vanaf de Deldenbroekseweg langs de woning en boerderij van [eiser A] loopt, is gezamenlijk eigendom van [eiser A], [gedaagde A] en [gedaagde B]. Vanaf de erfgrens met het perceel dat (uitsluitend) aan [gedaagde A] en [gedaagde B] toebehoort is het pad tot aan perceel [kadastrale gegevens eiser A] een onverhard karrespoor.

2.4. De Graafschaprijders is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. Zij is in 1950 opgericht en heeft tot doel de motor-, auto- en fietscrosssport te bevorderen, de belangen van de motor-, auto- en fietscrosssport in het algemeen en die van haar leden te behartigen en onder de leden een vriendschapsband te vormen en te houden.

2.5. De Graafschaprijders maakt sinds de jaren ‘60 gebruik van een oefenterrein, gelegen op een deel van perceel [kadastrale gegevens eiser A]. Tot 2009 was het oefenterrein mede gelegen op de aan de heer [naam A] toebehorende grond. Nadat [naam A] zijn grond niet langer beschikbaar wenste te stellen, is het oefenterrein deels verlegd en bevindt het zich thans geheel op de aan [eiser A] in eigendom zijnde grond. Het oefencircuit volgt voornamelijk het in het verlengde van [kadastrale gegevens gedaagden A en B] liggende bosgedeelte. Omstreeks 2010 is het crosscircuit uitgebreid in de richting van het naastgelegen weiland.

Van het oefenterrein wordt gebruik gemaakt in de periode tussen april en oktober op de zaterdagmiddagen tot 16.30 uur.

2.6. Om te komen van en te gaan naar het oefenterrein maakten en maken de leden van De Graafschaprijders gebruik van het pad.

2.7. Bij brief van 14 augustus 2009 heeft de gemeente Bronckhorst aan De Graafschaprijders geschreven:

"(…) U heeft al decennialang een crossbaan aan de Deldensebroekweg in het buitengebied van Vorden. De baan is gelegen op gronden van een tweetal grondeigenaren. Het grondgebruik is nooit formeel geregeld. (…)

De crossbaan is nimmer positief bestemd (geweest). In het kader van het bestemmingsplan “Buitengebied 2005 Hengelo/Vorden” is een poging daartoe gedaan. Gedeputeerde Staten van Gelderland hebben echter goedkeuring onthouden aan de bestemming “sport en recreatie” omdat niet voldoende gemotiveerd was waarom verplaatsing naar elders niet mogelijk was. In het kader van de correctieve herziening van het bestemmingsplan is de bosbestemming gehandhaafd en is geoordeeld dat de bestaande activiteiten onder het overgangsrecht vallen.

Teneinde de voorgestelde aanpassing van de cross baan te realiseren is een bestemmingsplan herziening noodzakelijk. Ervan uitgaande dat er geen intensiever gebruik gaat ontstaan, oordelen wij uw verzoek niet onredelijk. (…)"

2.8. Bij brief van 29 maart 2011 hebben [gedaagde A] en [gedaagde B] aan De Graafschaprijders geschreven:

"(…) Uit informatie van de gemeente hebben wij begrepen dat u plannen voorbereidt om het crossgebruik van het bosje nabij de Deldensebroekweg te legaliseren. Dit heeft ons er toe gebracht u het gebruik van het pad richting het bosje 1 januari 2012 te ontzeggen.

Het gebruik van dit bosje door de cross geeft de laatste jaren meer en meer overlast (geluid, stof en stank) en de intensivering van de cross - die een onvermijdelijk gevolg zal zijn van de legalisatie - zal een veel te zware belasting betekenen voor de aanwezige natuur (plant en dier). Er is een historie ontstaan van een kleinschalig gebruik, maar door legalisatie zal het uitgroeien tot een serieus sportterrein voor de gehele gemeente Bronckhorst bij ons in de achtertuin. Als gezin met jonge opgroeiende kinderen kunnen wij dit niet tolereren. Daarnaast vrezen wij als gevolg van de legalisatie voor een sterke waardevermindering van onze woning.

Door de ingebruikname van een nieuw stuk weiland, grenzend aan het bosje is het crossterrein een stuk dichter bij onze woning gekomen. Wij ervaren hierdoor extra overlast (geluid, stank en stof) en deze zal zeer ernstig toenemen als het terrein wordt opengesteld voor de grotere en zwaardere motoren (>50 cc). Immers, op dit moment wordt het bosje met bestemming "bos en natuur" alleen gebruikt voor cross activiteiten door de jeugd. Ook is onze privacy op zaterdagmiddag verdwenen. In feite zitten wij nu dichter op het crossterrein en is ons fraaie uitzicht verdwenen. Wij kunnen dan ook niet instemmen met een wijziging van het oorspronkelijk in gebruik zijnde crossterrein door een verschuiving en uitbreiding richting de beek en zien ons genoodzaakt het gebruik van het pad richting het bosje per 1 januari 2012 op te zeggen. (…)"

2.9. Bij brief van 27 april 2012 heeft de gemeente aan De Graafschaprijders geschreven dat zij op 11 april 2012 de aanvraag voor een omgevingsvergunning heeft ontvangen voor het wijzigen en in gebruik hebben van een crossbaan voor activiteiten afwijkend van de regels ruimtelijke ordening, aanleg en milieu. De gemeente concludeert dat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor beoordeling van de aanvraag en

verzoekt De Graafschaprijders de aanvraag aan te vullen.

2.10. Bij brief van 22 mei 2012 heeft de gemeente aan [eiser A] en De Graafschaprijders bericht dat onder meer van [gedaagde A] een schriftelijk verzoek om handhaving is ontvangen tegen de motorcrossactiviteiten op perceel [kadastrale gegevens eiser A]. Omdat er op dit moment onvoldoende zicht is op legalisering moet zij handhavend optreden, aldus de gemeente.

2.11. Op enige ogenblik hebben [gedaagde A] en [gedaagde B] op het hun toebehorende deel van het pad een slagboom geplaatst.

3. Het geschil in conventie

3.1. [eiser A] en De Graafschaprijders vorderen samengevat - [gedaagde A] en [gedaagde B] te gebieden [eiser A] en De Graafschaprijders de toegang tot en over de toegangsweg die het oefenterrein ontsluit, en voor zover in eigendom bij [gedaagde A] en [gedaagde B], te verschaffen en daartoe de geplaatste slagboom te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2. [eiser A] en De Graafschaprijders hebben aan deze vordering in het licht van de vaststaande feiten het volgende aangevoerd. [eiser A] wenst als eigenaar van de grond op geen enkele wijze te worden beperkt in zijn eigendomsrecht en hij wil het De Graafschaprijders mogelijk maken een deel van zijn grond als oefenterrein te gebruiken. [gedaagde A] en [gedaagde B] hebben geen te rechtvaardigen belang bij het afsluiten van de toegangsweg naar het crossterrein. Het afsluiten van de toegang naar het crossterrein zonder dat dat crossterrein via een andere ontsluitingsweg kan worden betreden is onrechtmatig. [gedaagde A] en [gedaagde B] maken misbruik van hun eigendomsrecht.

3.3. [gedaagde A] en [gedaagde B] voeren verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [gedaagde A] en [gedaagde B] vorderen samengevat - De Graafschaprijders te gebieden het gebruik van de wegen die in eigendom is bij [gedaagde A] en [gedaagde B] te staken en gestaakt houden.

4.2. Zij hebben aan deze vordering ten grondslag gelegd dat zij aan De Graafschaprijders het gebruik van het pad dat hun eigendom is, rechtsgeldig hebben opgezegd.

4.3. [eiser A] en De Graafschaprijders voeren verweer.

4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1. Gelet op de samenhang van de vordering in reconventie met de vordering in conventie, zullen de geschillen tezamen worden beoordeeld.

5.2. [gedaagde A] en [gedaagde B] hebben rechtsgeldig en met inachtneming van een redelijke opzegtermijn het door hen en hun rechtsvoorgangers aan De Graafschaprijders verleende recht opgezegd om gebruik te maken van het pad dat eigendom van [gedaagde A] en [gedaagde B] is. Dat brengt met zich dat De Graafschaprijders niet (meer) op grond van enig gedoogovereenkomst gebruik mogen maken van het pad.

Dat [gedaagde A] en [gedaagde B] misbruik van hun eigendomsrecht maken door De Graafschaprijders te verbieden nog gebruik te maken van de pad en dit pad af te sluiten met een slagboom kan niet gezegd worden. [gedaagde A] en [gedaagde B] hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij overlast ondervinden van het gebruik van het pad door de leden van De Graafschaprijders. Zij hebben aangevoerd dat de leden van De Graafschaprijders het pad niet alleen gebruiken om het crossterrein en de openbare weg te bereiken, maar ook voor crossactiviteiten en het parkeren van auto’s met aanhangwagens. Het crossklaar maken van de motoren gebeurt pal in het zicht van [gedaagde A] en [gedaagde B], waardoor zij belemmerd worden in hun privacy, er geen sprake meer is van vrij uitzicht en zij ernstige geluidsoverlast ondervinden. Ook worden volgens [gedaagde A] en [gedaagde B] met regelmaat afval en linten op het pad achtergelaten. Zij hebben voorts betoogd dat op zaterdagen het voor hun (nog jonge) kinderen erg gevaarlijk is om gebruik te maken van het pad, omdat zij dan langs parkerende auto’s en aanrijdende motoren moeten lopen of fietsen. Ook is het dan voor de kinderen te gevaarlijk om in het aan [gedaagde A] en [gedaagde B] toebehorende bosperceel te kunnen spelen. Daarnaast is het door het gebruik dat de leden van De Graafschaprijders maken van het pad voor [gedaagde A] en [gedaagde B] onmogelijk op zaterdagen bezoek te ontvangen en kan [gedaagde A] die dagen geen muziekles geven omdat haar woning dan nagenoeg onbereikbaar is.

[eiser A] en De Graafschaprijders hebben wel weersproken dat over het pad met motoren wordt gereden - zij hebben aangevoerd dat haar leden met de motor aan de hand naar het crossterrein lopen - maar voor het overige de door [gedaagde A] en [gedaagde B] gestelde overlast onvoldoende weersproken.

[gedaagde A] en [gedaagde B] hebben vooralsnog ook voldoende aannemelijk gemaakt dat de overlast die zij thans ondervinden van het gebruik van het pad en van het crossterrein door de leden van De Graafschaprijders in vergelijking met de situatie vóór 2009 is toegenomen. Zij hebben daartoe onweersproken aangevoerd dat het crossterrein meer in de richting van hun perceel is verschoven nadat het terrein van [naam A] niet meer voor crossactiviteiten beschikbaar was en dat zij meer geluidsoverlast zijn gaan ondervinden doordat nu ook in het weiland gecrosst wordt.

Er bestaat dus niet een zodanige onevenredigheid tussen het belang dat [gedaagde A] en [gedaagde B] hebben bij afsluiting van het pad en het belang dat De Graafschaprijders heeft bij gebruikmaking van het pad, dat [gedaagde A] en [gedaagde B] naar redelijkheid De Graafschaprijders het gebruik van het pad niet zouden mogen ontzeggen en het pad niet met een slagboom af zouden mogen sluiten.

5.3. Voor de eerst ter terechtzitting ontwikkelde stelling van [eiser A] en De Graafschaprijders dat [eiser A] als eigenaar van het heersende erf op grond van een tijdens de ruilverkaveling gevestigde erfdienstbaarheid het recht van weg heeft over het pad om te komen van en te gaan naar het perceel [kadastrale gegevens eiser A] is geen steun te vinden in de door partijen overgelegde stukken. Nu [gedaagde A] en [gedaagde B] echter het door [eiser A] gestelde recht van erfdienstbaarheid niet hebben weersproken, moet van het bestaan van dat recht in deze procedure worden uitgegaan.

Ter terechtzitting is voldoende aannemelijk geworden dat [eiser A] slechts een beroep op het door hem gestelde recht van uitweg doet om te bewerkstelligen dat de leden van De Graafschaprijders gebruik kunnen maken van het pad als doorgang naar het crossterrein. Door de leden van De Graafschaprijders gebruik te laten maken van het pad om te gaan naar en te komen van het crosscircuit handelt [eiser A] echter in strijd met de bepaling dat de uitoefening van een erfdienstbaarheid op de voor het dienende erf op de minst bezwarende wijze moet geschieden.

5.4. [eiser A] en De Graafschaprijders hebben nog aangevoerd dat het afsluiten van het pad door [gedaagde A] en [gedaagde B] aanwijzing van dat pad als noodweg rechtvaardigt, maar dit beroep op een noodweg baat hen niet omdat het perceel [kadastrale gegevens eiser A] via het pad immers een behoorlijke toegang tot de openbare weg heeft.

5.5. Dit alles leidt tot afwijzing van de vorderingen in conventie en tot toewijzing van de vorderingen in reconventie, zij het dat de boete gematigd zal worden en aan een maximum zal worden gebonden. Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde prikkelende werking van de dwangsomoplegging.

5.6. [eiser A] en De Graafschaprijders zullen als de in conventie in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld worden in de tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde A] en [gedaagde B] gevallen kosten, tot aan deze uitspraak begroot op € 267,-- aan griffierecht en € 816,-- voor salaris advocaat. Ook zullen zij in reconventie veroordeeld worden in de proceskosten, tot aan deze uitspraak begroot op € 408,-- aan salaris advocaat.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1. weigert de gevorderde voorzieningen;

6.2. veroordeelt [eiser A] en De Graafschaprijders in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde A] en [gedaagde B] gevallen en begroot op € 1.083,--;

in reconventie

6.3. gebiedt De Graafschaprijders direct na betekening van dit vonnis het gebruik van de weg die in eigendom is bij [gedaagde A] en [gedaagde B] te staken en gestaakt te houden;

6.4. veroordeelt De Graafschaprijders tot betaling van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere keer dat zij in strijd met dit gebod handelt, zulks tot een maximum van € 50.000,--;

6.5. veroordeelt De Graafschaprijders in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde A] en [gedaagde B] gevallen en begroot op € 408,-- aan salaris advocaat;

6.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2012.