Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX1681

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
17-07-2012
Zaaknummer
06-940244-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte C tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte C zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van poging tot zware mishandeling van een jongeman en medeplegen van mishandeling van zijn zusje.

Terwijl deze jongeman weerloos op de grond lag, hebben verdachte en zijn mededaders meerdere malen op hem ingeslagen en ingeschopt, waarbij gebruik is gemaakt van een kandelaar. Daarnaast hebben verdachte en zijn mededaders zijn zusje geslagen, geduwd en bij de keel gepakt waardoor letsel is ontstaan, waaronder een botbreuk. Het gevoel van veiligheid van aangever en aangeefster is door verdachtes toedoen in ernstige mate aangetast.

De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke mishandelingen veelal langdurige en ernstige psychische gevolgen daarvan ondervinden. Het gaat om ernstige geweldsdelicten die een voor de rechtsorde schokkend karakter hebben en die leiden tot gevoelens van onrust in de samenleving. Ook heeft verdachte zich, schuldig gemaakt aan vernieling en het voorhanden hebben van een stroomstootwapen (uitspraken medeverdachten LJN: BX1653, BX1673, BX1681.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummers: 06/940244-10

Uitspraak d.d.: 17 juli 2012

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte C],

geboren te [plaats op 1970],

wonende te [plaats, adres].

Raadsvrouw mr. M.J.G. Jolink te Harderwijk.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juli 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2010 tot en met 20 juni 2010 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer A] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer A]:

- een duw heeft/hebben gegeven, en/of

- een of meerdere vuistslag(en) in/tegen/op het gezicht/hoofd heeft/hebben gegeven, en/of

- een of meerdere schop(pen)/trap(pen) tegen/op het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben gegeven, en/of

- een of meerdere klap(pen) met een kandelaar, althans een hard voorwerp, tegen/op het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben gegeven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2010 tot en met 20 juni 2010 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer A]:

- een duw heeft/hebben gegeven, en/of

- een of meerdere vuistslag(en) in/tegen/op het gezicht/hoofd heeft/hebben gegeven, en/of

- een of meerdere schop(pen)/trap(pen) tegen/op het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben gegeven, en/of

- een of meerdere klap(pen) met een kandelaar, althans een hard voorwerp, tegen/op het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben gegeven,

waardoor voornoemde [slachtoffer A] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2010 tot en met 20 juni 2010 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer B] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer B]:

- een duw heeft/hebben gegeven, en/of

- een of meerdere malen bij de keel heeft gepakt en/of een wurggreep heeft/hebben aangelegd, en/of

- een of meerdere vuistslag(en) in/tegen/op het gezicht/hoofd, althans het lichaam, heeft/hebben gegeven, en/of

- een of meerdere klap(pen) tegen het lichaam heeft/hebben gegeven, en/of over de grond/vloer naar buiten heeft/hebben gesleurd/gesleept,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2010 tot en met 20 juni 2010 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer B]:

- een duw heeft/hebben gegeven, en/of

- een of meerdere malen bij de keel heeft gepakt en/of een wurggreep heeft/hebben aangelegd, en/of

- een of meerdere vuistslag(en) in/tegen/op het gezicht/hoofd, althans het lichaam, heeft/hebben gegeven, en/of

- een of meerdere klap(pen) tegen het lichaam heeft/hebben gegeven, en/of over de grond/vloer naar buiten heeft/hebben gesleurd/gesleept,

waardoor voornoemde [slachtoffer B] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2010 tot en met 20 juni 2010 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [naam 4]:

- een of meerdere klap(pen) heeft/hebben gegeven op/tegen haar nek/schouder, althans het lichaam, en/of

- (met kracht) tegen een muur heeft/hebben geduwd/gedrukt, en/of

- een of meerdere klap(pen) heeft/hebben gegeven tegen/in de ribben/buikstreek, althans het lichaam, en/of

- bij de keel heeft/hebben gepakt,

waardoor voornoemde [naam 4] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2010 tot en met 20 juni 2010 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit en/of huisraad, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 21 juni 2010 te Apeldoorn een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

De officier van justitie is van oordeel dat de feiten 1 primair, 2 primair en 3 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen op basis van de verklaringen van [slachtoffer A en B], [naam 4], [naam 5] en [naam 6] en het ambtelijk proces-verbaal van de politie. Verdachte heeft, naast zijn medeverdachten, een bijdrage geleverd aan de gepleegde geweldshandelingen. Hij heeft nauw en bewust samengewerkt met zijn medeverdachten en is medeverantwoordelijk voor wat zij in het huis teweeg hebben gebracht. Hij heeft zich er immers niet van gedistantieerd of anderen ervan weerhouden geweld te plegen.

Ten aanzien van de vernielingen in het huis van [slachtoffer B] (feit 4) stelt de officier van justitie dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte, en hij alleen, goederen in de woning van [slachtoffer B] heeft vernield.

Het vijfde feit kan volgens de officier van justitie eveneens wettig en overtuigend worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat in de auto, op weg naar [slachtoffer A], geen overleg is geweest, althans dat blijkt niet voldoende uit het dossier. Verdachte heeft verklaard dat hij zich van die avond niets meer kan herinneren. Er zitten veel tegenstrijdigheden in het dossier. [slachtoffer A] heeft verklaard dat hij drie klappen op zijn hoofd heeft gekregen bij binnenkomst, maar in het dossier zit geen steunbewijs in de verklaringen van anderen. Er kan niet met zekerheid worden gezegd dat verdachte [slachtoffer A] heeft geslagen. [slachtoffer A] weet zelf niet meer wie hem hebben geslagen. Al met al bieden de verklaringen in het dossier geen eenduidig beeld van wat er zich in de woning heeft afgespeeld. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor de feiten 1 en 2 en er is evenmin bewijs voor een significante bijdrage van verdachte met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde. De raadsvrouw verzoekt verdachte van die feiten vrij te spreken. Ten aanzien van feit 3 zit uitsluitend de aangifte van [naam 4] in het dossier. In het dossier zitten geen overige verklaringen waaruit blijkt dat [naam 4] zou zijn mishandeld. Nu het wettige en overtuigende bewijs ten aanzien van de mishandeling van [naam 4] ontbreekt, heeft de raadsvrouw verzocht verdachte van dit feit vrij te spreken. Ten aanzien van de feiten 4 en 5 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten 1 en 2 (geweld tegen [slachtoffer A] en [slachtoffer B])

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het ten laste gelegde uit van de volgende feiten en omstandigheden.1 In het dossier bevinden zich onder meer het proces-verbaal relaas van 20 juni 2011, de aangiften van [slachtoffer A en B] en de verklaringen van [medeverdachte B], [medeverdachte E], [naam 8], [naam 6] en [naam 4], zoals hierna zakelijk en verhalenderwijs weergegeven.

Verbalisanten kregen op 20 juni 2011 de melding om te gaan naar de [adres te plaats]. Daar zou een conflict in de woning hebben plaatsgevonden waarbij klappen zouden zijn gevallen. Toen verbalisanten ter plaatse kwamen zagen zij drie personen waarvan een man en een vrouw zware verwondingen in hun gezicht hadden, waardoor zij moeilijk aanspreekbaar waren. Het mannelijke slachtoffer verloor in de gang even zijn bewustzijn en zakte in elkaar. Verbalisanten zagen dat de gehele woonkamer was vernield. Overal in de woonkamer lag glas en alle muren en de vloer waren besmeurd met bloed. Beide slachtoffers zijn met een ambulance afgevoerd.2

Aangever [slachtoffer A] heeft bij de politie verklaard dat er op 19 juni 2010 aan de [adres te plaats], de woning van zijn zusje [slachtoffer B], jegens hem een mishandeling is gepleegd. Hij werd op 19 juni 2010 meerdere keren gebeld door verdachte met de mededeling dat hij een portie klappen zou krijgen.3 De deurbel ging en [slachtoffer B] deed de deur open. Hij stond achter haar in de hal en [slachtoffer B]'s vriend [naam 5] en aangevers vriendin [naam 4] zaten in de kamer. Hij zag dat [verdachte C] binnenstormde. Hij zag ook [medeverdachte D] naar binnen komen. [verdachte C] sloeg hem direct met zijn vuisten een keer of drie op zijn hoofd. Hij viel door deze klappen op de grond. Hij werd gelijk vastgepakt. Hij lag met zijn gezicht op de grond. Er zat iemand bovenop hem. Hij voelde schoppen tegen zijn gezicht en hoofd en ook een paar op zijn lichaam. Hij zag dat iemand, die hij kent als [medeverdachte A], hem een paar keer tegen zijn hoofd schopte. [medeverdachte A] trof hem op zijn achterhoofd en zijn lichaam. Hij zag dat [medeverdachte A] hem met de hak van zijn schoen in het gezicht schopte. Hij zag dat een onbekende man, met een Turksachtig uiterlijk, hem vast had. Hij kreeg ook klappen met een kaarsenstandaard. Toen hij een klap met de standaard kreeg, viel hij op de grond. [verdachte C] gooide deze standaard later door de ramen. Vervolgens zag hij dat [medeverdachte A] zijn zusje bij de keel greep. [medeverdachte A] kwam op hem af en sloeg hem een keer of vier met zijn vuist tegen zijn hoofd. Gelijk daarna zag hij dat [medeverdachte A] een pistool in zijn rechterhand had. [medeverdachte A] zette dat pistool op zijn rechterslaap. [medeverdachte A] schreeuwde tegen hem dat hij de politie niet mocht bellen, anders zouden ze terugkomen. Hij zag dat het een klein soort pistool was. Hij weet zeker dat het een pistool was, want er zat een gat in de loop. Het was een pistool van ongeveer 20 centimeter en zwart van kleur.4 Hierna zijn ze met z'n allen weggegaan. Hij zag dat [verdachte C] ook een raam van een kast stuk sloeg met zijn hand. Hij zag asbakken door de ramen vliegen. Hij zag dat [verdachte C] een kaarsenstandaard door de ramen gooide. Hierdoor gingen de achterramen van de woning kapot. Hij heeft gezien dat [verdachte C], [medeverdachte A], [medeverdachte D], [medeverdachte B] en een voor hem onbekende persoon binnen zijn geweest in de woning van [slachtoffer B]. Hij heeft gezien en gevoeld dat [verdachte C], [medeverdachte A] en [medeverdachte D] hem hebben geschopt en geslagen. Hij is dezelfde nacht met zijn zus naar het ziekenhuis gegaan en ze zijn daar onderzocht. Hij had een gat in zijn hoofd, dat direct is gelijmd. Hij had diverse kneuzingen zowel rond zijn ogen als in zijn gezicht. Hij heeft een gekneusde linkerkaak en kneuzingen op zijn rug. Hij heeft pijn in zijn hoofd, kaak, rug en nek.5

Aangever [slachtoffer A] heeft aanvullend bij de politie verklaard dat [verdachte C], [medeverdachte D], [medeverdachte B] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte B]), [medeverdachte A] en [medeverdachte E] binnenstormden in de woning van zijn zusje. [medeverdachte A] en [medeverdachte D] begonnen hem te schoppen en te slaan. Hij zag en voelde dat ze hem trapten op zijn hoofd. [medeverdachte D] en [medeverdachte A] hebben hem beide met de kaarsenstandaard geslagen.6 [verdachte C] pakte de gevallen kaarsenstandaard van de grond en gooide deze door het raam naar buiten. Daarna was het raam kapot. Vervolgens zag hij dat [medeverdachte A] [slachtoffer B] vast hield op de stoel in de woonkamer. Hij zag dat [verdachte C] alles vernielde. Daarna kwam [medeverdachte A] bij hem terug en gaf hem twee klappen op zijn kaak. Toen [medeverdachte A] [slachtoffer B] vast had op de stoel, pakte hij haar bij de keel. Hij sloeg hierbij stevig een arm om haar keel. Nadat aangever het wapen had weggeduwd, heeft hij het niet meer gezien.7 De tweede onbekende persoon had een tatoeage in de nek. Daardoor weet hij dat het [medeverdachte E] was.8

Uit de geneeskundige verklaring omtrent [slachtoffer A] blijkt dat een zwelling van de linkerkaak, blauwe plekken op de romp, rechterarm en het gelaat en een wond bovenop het hoofd van 1 cm zijn vastgesteld.9

Aangever [slachtoffer B] heeft verklaard dat zij op 19 juni 2010 in haar woning aan de [adres te plaats] zwaar is mishandeld. Zij was die avond samen met [naam 4], haar broer [slachtoffer A] en [naam 5].10 [medeverdachte B], hij wordt ook wel [medeverdachte B] genoemd, belde meerdere malen op haar mobiele telefoon en dreigde langs te komen. Zij hoorde de auto al aankomen en hoorde geschreeuw. [medeverdachte B] stormde het huis in en liep naar [slachtoffer A]. [medeverdachte D] gaf haar direct een klap in haar gezicht. Zij heeft terug geslagen. [medeverdachte D] had ook bloed in zijn gezicht. [medeverdachte A] begon zich er ook mee te bemoeien. Op een gegeven moment kreeg zij de kans om naar binnen te gaan. Alles was kapot en zij zag [slachtoffer A] op een stoel met drie mensen bovenop hem. Zij zag dat [medeverdachte A] een pistool op [slachtoffer A] richtte. Er stonden drie personen bij [slachtoffer A], te weten [medeverdachte A], [medeverdachte E] en nog een persoon. [verdachte C] was bezig het hele huis kort en klein te slaan. Zij kreeg een gigantische klap in het gezicht van [medeverdachte E].11 Zij zag dat [verdachte C] met zijn hand door het glas van de deur en de kast sloeg. Zij zag dat ze met een glazen kandelaar op [slachtoffer A] in sloegen. Zij zag dat ze hem hier meerdere keren mee sloegen, ook op zijn hoofd. [medeverdachte E] sloeg haar heel hard.12 [verdachte C] sloeg met zijn vuisten op de goederen in de woonkamer. Overal lag glas en bloed op de grond en de televisie was kapot.13

Aangever [slachtoffer B] heeft aanvullend bij de politie verklaard, dat [medeverdachte D] haar met de vuist in haar gezicht sloeg. Later lag zij op de grond, maar [medeverdachte D] bleef haar slaan met zijn vuist. Zij kreeg klappen over haar hele lichaam. Zij werd geslagen en geschopt, in ieder geval door [medeverdachte D]. Zij zag dat [medeverdachte E] [slachtoffer A] sloeg. Zij zag dat iemand [slachtoffer A] met een kandelaar sloeg. [medeverdachte E] heeft haar met de vuist midden op haar voorhoofd geslagen. Door deze klap van [medeverdachte E] had zij een grote bult op haar voorhoofd. Zij voelde pijn, direct na de klap. Zij kreeg drie klappen in haar gezicht, maar ze weet niet welke van [medeverdachte E] kwamen. [medeverdachte A] pakte haar bij haar keel. Hij duwde met één hand op haar keel.14 Zij zag dat [medeverdachte A] een pistool tegen het hoofd van [slachtoffer A] hield.15 De schade in haar huis is groot. De televisie, het televisiemeubel, de kandelaars, de houten giraffen uit de vensterbank, de vitrinekast, de lampenkap, de ruit van de voordeur, het raam in de woonkamer, de vensterbank, twee zilveren kandelaars en de stofzuiger zijn vernield. Verder zit de vloerbedekking onder het bloed en zijn de muren beschadigd.16

Uit de geneeskundige verklaring omtrent [slachtoffer B] blijkt dat er blauwe plekken op beide onderbenen en bovenarmen en een hematoom wond op de bovenlip zijn vastgesteld.17 Uit de aanvullende verklaring van aangeefster en bijgevoegde röntgenfoto's blijkt verder dat haar hand op twee plaatsen is gebroken.18

Getuige [naam 4] heeft verklaard dat zij op 19 juni 2010 aan de [adres te plaats] was. Er kwamen meerdere mensen de woning in, te weten [medeverdachte B], [verdachte C] en [medeverdachte E]. Zij zag dat [medeverdachte D] en [medeverdachte A] buiten op [slachtoffer B] insloegen. Zij zag dat [medeverdachte D] [slachtoffer B] met zijn vuist sloeg. [medeverdachte A] had haar met name vast.19 Via een spiegel in de gang zag zij dat [slachtoffer B] naar buiten werd gesleurd. Zij zag dat [slachtoffer A] door de gang naar de woonkamer geduwd werd. Zij zag dat [verdachte C] voorop liep, met daarachter [medeverdachte B] en daarachter [medeverdachte E]. Zij kreeg direct een klap in haar nek. Zij zag dat het een hele grote kerel was en inmiddels weet zij dat het [verdachte C] was. Hij raakte haar in de overgang van de nek naar de schouder. Zij probeerde weg te lopen, maar hij pakte haar bij haar kraag en heeft haar ongeveer drie keer tegen de muur geduwd op die manier. Zij is met haar hoofd tegen een kandelaar aangekomen. Hij heeft haar ook nog een klap in haar ribben gegeven. Vervolgens werd zij door [medeverdachte E] bij haar keel gepakt. Hij pakte haar met één hand bij haar nek. Zij kon toen bijna geen adem meer halen.20 [verdachte C] sloeg alles kort en klein. Zij zag dat hij het glas uit de vitrinekast kapot sloeg. Hij pakte alles wat hij pakken kon. Ook zag zij dat hij de televisie kapot sloeg. Dit deed hij met zijn vuist, middenin het beeldscherm. [verdachte C] sloeg met een kandelaar op het hoofd van [slachtoffer A] en hij trapte vol met zijn voet richting het gezicht van [slachtoffer A]. [medeverdachte E] trapte [slachtoffer A] ook. Zij ging naar buiten. Zij zag dat [medeverdachte D] en [medeverdachte A] [slachtoffer B] telkens weer sloegen. Vervolgens sloeg [medeverdachte D] [slachtoffer B] weer, met zijn vuist. [medeverdachte A] hield haar alleen vast, terwijl [medeverdachte D] haar sloeg.21

Getuige [naam 5] heeft verklaard dat hij zag dat [medeverdachte B], [medeverdachte D], [verdachte C], [medeverdachte A] en een onbekende Hollandse jongen met een tatoeage in de vorm van een schorpioen in zijn nek, het huis van [slachtoffer B] binnen kwamen.22 Hij zag dat [slachtoffer B] een klap in haar gezicht kreeg. Het volgende moment stonden ze allemaal in de woonkamer met [slachtoffer A] te vechten.23

Getuige [naam 6] heeft verklaard dat op 20 juni 2010 omstreeks 0.10 uur zijn buurjongen van [nummer] voor zijn deur stond. Hij zag dat hij volledig in paniek was en hoorde dat hij vroeg of hij wilde helpen omdat hij problemen in zijn woning had. Op het moment dat hij de woning in kwam, werd hij naar binnen getrokken door een blanke jongen. Hij werd door deze jongen, en een andere jongen, met de vuist op zijn gezicht geslagen.24 Hij zag dat er in de woning een grote vechtpartij gaande was, waarbij ongeveer acht mensen met elkaar op de vuist gingen. Hij zag dat de hele woning overhoop was gehaald. Hij zag dat er meerdere spullen op de grond lagen en waren vernield. De groep die de vechtpartij veroorzaakte, bestond ongeveer uit zes jongens die bij elkaar hoorden. Hij kreeg de indruk dat het een wraakactie was.25

[naam 8] heeft verklaard dat hij op 19 juni 2010 in de auto naar de [adres te plaats] reed. [medeverdachte B] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte B]) heeft de rest van de avond de anderen opgestookt. [medeverdachte B] was de hele avond al aan het sms'en. Hij had de hele tijd contact, tot er een berichtje kwam van "kom maar hier heen" of woorden van gelijke strekking. Toen wilde [medeverdachte B] die kant op. [medeverdachte D] en [medeverdachte A] sprongen op om mee te gaan naar de [adres]. Ze praatten met z'n drieën afzonderlijk van de rest van de groep. Ze gingen naar de [adres] om de rotzooi van [medeverdachte B] op te ruimen. Hij vroeg anderen om mee te gaan, omdat het meisje op kickboksen zat. Als hij het alleen niet af kon, kreeg hij hulp van de anderen. Onder invloed weigerden die anderen niet. Als ze moesten helpen, zouden ze dat doen. 26 Hij zat met [medeverdachte A], [medeverdachte D], [medeverdachte B], [medeverdachte E] en een onbekend persoon in de auto. Hij was de chauffeur. Toen ze bij de [adres] kwamen, stapte iedereen, behalve [medeverdachte E], uit. [medeverdachte E] stapte later uit. De terugweg in de auto was het een beetje paniekerig en hij hoorde dat hij gas moest geven.27

[medeverdachte B] heeft verklaard dat hij vroeger [medeverdachte B]je werd genoemd. Enkele mensen spreken hem nu nog zo aan. Hij ging die nacht met meerder personen naar de [adres]. Dit waren [medeverdachte A], [medeverdachte D], [verdachte C], [medeverdachte E] en [naam 8]. Het was de bedoeling dat hij [slachtoffer A] een paar klappen zou geven, maar het liep allemaal anders dan de bedoeling was.28 Hij was boos op [slachtoffer A]. In de auto besprak hij de ruzie met [slachtoffer A] en stelde voor om naar hem toe te gaan. Hij wist dat [slachtoffer A] bij [slachtoffer B] was. Hij wilde [slachtoffer A] gewoon een paar klappen geven. Hij belde aan en de deur werd geopend door [slachtoffer B].29 Hij duwde haar opzij. Hij zag [slachtoffer A] en [naam 5] ook naar buiten komen. Hij heeft [slachtoffer A] geslagen. Opeens zag hij de andere jongens ook in de woning. Er ontstond een grote vechtpartij. Hij sloeg [slachtoffer A] meerdere keren met zijn vuisten op zijn bovenlichaam. Na wat aandringen en trekken, verlieten ze de woning. Hij moest [medeverdachte E] en [medeverdachte A] echt meetrekken.30 [medeverdachte D] zei dat als hij wilde, ze naar [slachtoffer A] konden gaan. Toen hoorde hij dat [verdachte C] ook nog wel wat had met [slachtoffer A]. Het duurde toen niet lang meer en ze gingen naar [slachtoffer A] toe.31 [medeverdachte D] kwam met het idee om naar [slachtoffer A] toe te gaan. Hij belde aan en [slachtoffer B] deed open. Op het moment dat hij [slachtoffer B] opzij duwde, zag hij [medeverdachte E] en [medeverdachte A] de woning binnen lopen. Hij sloeg [slachtoffer A] in de woonkamer twee keer op zijn borst en een keer op zijn rug. [slachtoffer A] lag op de stoel en de anderen lagen bovenop hem. Hij heeft hem op dat moment twee keer geslagen en later nog een keer. [medeverdachte A], [medeverdachte D] en [verdachte C] sloegen [slachtoffer A] met hun vuisten op zijn hoofd.32 Hij zag dat [medeverdachte E] en [medeverdachte A] [slachtoffer B] sloegen. [medeverdachte E] sloeg haar met de vuist vol in het gezicht. [medeverdachte A] was ook met [slachtoffer B] bezig in de woonkamer.33 [medeverdachte A] sloeg [slachtoffer A] en [slachtoffer B]. [verdachte C] sloeg [slachtoffer A] op zijn hoofd. [medeverdachte A] pakte [slachtoffer B] beet en duwde haar van zich af. Toen [medeverdachte B] die avond [slachtoffer A] aan de telefoon had, heeft hij ([medeverdachte B]) wel geroepen dat als [slachtoffer A] aan zijn vriendin zat hij een 9mm op zijn hoofd zou krijgen.34

[medeverdachte E] heeft verklaard dat [medeverdachte A], [medeverdachte B], [verdachte C], aan de [adres] zijn geweest. Hij werd opgehaald door [naam 8]. Hij merkte de spanning op de verjaardag waar ze eerst waren. [medeverdachte B] had een probleem, maar hij wist niet de naam van de jongen met wie [medeverdachte B] een probleem had. [naam 8] heeft hen naar het huis gereden. Hij werd meegetrokken door [medeverdachte B], van "meekomen". Die jongens stapten als een dolle uit. Hij sloeg [slachtoffer B] één keer. [medeverdachte B], [naam 8], [medeverdachte D], [medeverdachte A] en [verdachte C] waren erbij. [medeverdachte B] en [verdachte C] lagen op [slachtoffer A].35 [medeverdachte E] sloeg [slachtoffer B] met zijn vuist. Hij raakte haar op haar hoofd. [medeverdachte A] en [verdachte C] stonden schuin achter hem in de woonkamer. [medeverdachte A] was met een jongen aan het vechten, te weten vasthouden, duwen en trekken. Ze gaven elkaar wat klappen. [medeverdachte B] liep overal en nergens en deelde hier en daar wat uit.36

Verdachte heeft in eerste instantie herhaaldelijk ontkend en vervolgens aangevoerd dat hij door drankgebruik een black-out moet hebben gehad. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte verklaard dat hij niet bij de feiten betrokken is geweest, althans niet dat hij zich kan herinneren.

Betrouwbaarheid verklaringen

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers [slachtoffer A en B]. Ook hebben aangevers consistent en gedetailleerd verklaard over het gedrag op 19 en 20 juni 2010 van verdachte en diens medeverdachten. De verklaringen van aangevers worden op vele onderdelen ondersteund door verklaringen van bovenvermelde getuigen [naam 4] [naam 5] en [naam 6] en de verklaringen van verdachten [medeverdachte B] en [medeverdachte E] die hebben verklaard over het aandeel dat zij zelf hebben gehad in het uitgeoefende geweld en over het aandeel van [medeverdachte A], [medeverdachte D], [medeverdachte C] in dat geweld. Dat van de zijde van verdachte en zijn medeverdachten wisselend is verklaard over het gebruik van een vuurwapen in de woning (ontkenning, zwijgen dan wel 'niet gezien' of 'black out') doet naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk aan de waarde van de verklaringen van aangevers en [naam 4] ten aanzien van het geweld als zodanig.

Feit 1 primair: poging tot zware mishandeling [slachtoffer A]

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten [slachtoffer A] hebben mishandeld door hem tegen het lichaam, het hoofd en het gezicht te schoppen, trappen en hem (met de vuist) en een kandelaar te slaan. Dit geweld had aanzienlijk letsel tot gevolg zoals uit de letselbeschrijving blijkt.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of het uitgeoefende geweld (het medeplegen van) een poging tot zware mishandeling (primair) dan wel een mishandeling (subsidiair) oplevert. De rechtbank beantwoordt de vraag als volgt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd en het gezicht kwetsbare lichaamsdelen vormen. Het meermalen schoppen of trappen tegen iemands hoofd en gezicht, zeker wanneer er meermalen met kracht wordt geschopt of getrapt en de aangevallen persoon op de grond ligt, kan zwaar lichamelijk letsel bij een ander veroorzaken. Door meermalen en met meerdere personen tegen het hoofd en/of het gezicht te trappen en/of schoppen, met geschoeide voet, terwijl [slachtoffer A] als gevolg van het geweld op de grond lag, hebben

verdachte en zijn medeverdachten minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans op het zwaar lichamelijk letsel van [slachtoffer A] aanvaard. Dit gaat zeker op voor wat betreft het slaan op het hoofd met de kandelaar; een hard voorwerp dat als een wapen op een kwetsbaar lichaamsdeel, het hoofd, wordt gebruikt.

De rechtbank is van oordeel dat (minstgenomen) sprake is van voorwaardelijk opzet.

In het onderhavige geval komt de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van een poging tot zware mishandeling, zoals primair ten laste gelegd. Dat daarbij naar het oordeel van de rechtbank tevens sprake is van medeplegen, wordt hierna toegelicht.

Feit 2 subsidiair: mishandeling [slachtoffer B]

Vrijspraak feit 2 primair: medeplegen poging zware mishandeling

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een poging tot zware mishandeling van aangeefster [slachtoffer B].

Vaststaat dat ten aanzien van [slachtoffer B] geweld is gebruikt.

Het duwen, slaan, schoppen en bij de keel pakken levert niet zonder meer een poging tot zware mishandeling op. Uit het dossier blijkt niet voldoende dat op zodanige delen van het lichaam is geschopt dat alleen daaruit al het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel besloten ligt. Dat geldt in dezelfde zin voor het pakken bij de keel, het duwen en slaan. Uit het dossier blijkt evenmin dat verdachte en zijn medeverdachten van te voren het plan hadden opgevat om aangeefster zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Hoewel aangeefster helaas flinke verwondingen heeft opgelopen, zijn deze zonder nadere informatie over hersteltijd en eventueel operatief ingrijpen niet zonder meer aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Wel gaat het om aanzienlijk letsel.

De rechtbank acht de poging tot zware mishandeling om die reden dan ook niet bewezen. Verdachte dient derhalve van het onder 2 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Wel acht de rechtbank op- grond van de hiervoor beschreven bewijsmiddelen - de subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen, met dien verstande dat de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte of zijn medeverdachten bij aangeefster de wurggreep hebben aangelegd nu dit laatste niet blijkt uit de beschikbare bewijsmiddelen. De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte en zijn medeverdachten [slachtoffer B] hebben mishandeld door haar te duwen, bij de keel te pakken, (met de vuist) te slaan tegen het gezicht/hoofd en lichaam en over de grond te sleuren. Dit geweld had aanzienlijk letsel tot gevolg zoals onder meer uit de letselbeschrijving blijkt. Dat daarbij naar het oordeel van de rechtbank tevens sprake is van medeplegen, wordt hierna nader toegelicht.

Medeplegen feiten 1 en 2

Op grond van voormelde bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte en zijn medeverdachten wisten dat zij met een gewelddadig doel naar de woning van aangeefster gingen. Uit de verklaring van [medeverdachte B] blijkt dat hij boos was op aangever [slachtoffer A] en dat hij naar [slachtoffer A] ging om hem een portie klappen te geven.

Uit de verklaring van [medeverdachte A] blijkt dat [medeverdachte B] op het verjaardagsfeestje iedereen aan het opstoken was, dat ze meegingen om de "rotzooi" van [medeverdachte B] ([medeverdachte B]) op te ruimen, dat de anderen meegingen omdat het meisje (aangeefster [slachtoffer B]) op kickboksen zat en dat hij hulp van de anderen kreeg als hij het niet alleen afkon. Uit de verklaring van [medeverdachte B] blijkt verder dat in de auto over de ruzie met aangever is gesproken. Uit de verklaring van [medeverdachte E] blijkt dat de jongens (verdachte en zijn medeverdachten) als een dolle uit de auto stapten toen ze bij de woning van aangeefster aankwamen. Verdachte en zijn medeverdachten ([medeverdachte E] volgde na korte tijd) zijn naar de flatwoning gegaan, hebben aangebeld en zijn de woning meteen op gewelddadige wijze binnengedrongen. Door ieder van hen is geweld gebruikt, ook met meerdere personen tegelijk tegen een van beide aangevers.

In het vorenstaande ligt de bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte besloten. De rechtbank acht medeplegen derhalve bewezen. De verdachten zijn in strafrechtelijke zin dan ook verantwoordelijk, over en weer, voor elkaars gedragingen.

Feit 4 (vernielingen)

Op grond van de hiervoor onder feiten 1 en 2 weergegeven verklaringen van aangevers en getuige [naam 4], acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde vernielingen heeft gepleegd.

Feit 3 (mishandeling [naam 4])

De rechtbank overweegt dat zich in het dossier voor wat betreft dit feit alleen de aangifte van [naam 4] bevindt. Andere verklaringen omtrent het geweld dat haar zou zijn aangedaan, bevinden zich niet bij de stukken. Dit betekent dat steunbewijs ontbreekt.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken nu - naast de aangifte - geen steunbewijs voor een bewezenverklaring in het dossier aanwezig is.

Feit 5 (bezit stroomstootwapen)

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant G] en [verbalisant H] is gebleken dat tijdens een doorzoeking in de woning van [verdachte C] op 21 juni 2010 aan de [adres te plaats], een paralyzer is aangetroffen.37

Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant A], is gebleken dat het wapen dat onder [medeverdachte C] in beslag is genomen38, een stroomstootwapen is. Het voorwerp is een handwapen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt op pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel. Dit is een voorwerp, een wapen, in de zin van artikel 2, lid 1, categorie 2, onder 5 van de WWM.39

Ten aanzien van het vijfde aan verdachte ten laste gelegde feit, is de rechtbank van oordeel dat dit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Het stroomstootwapen is bij verdachte aangetroffen en onder hem in beslag genomen. Uit onderzoek is gebleken dat het stroomstootwapen een wapen is in de zin van de Wet Wapens en Munitie en het voorhanden hebben ervan verboden is. Dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij dacht dat het stroomstootwapen (slechts) een zaklamp was, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Feit 1 primair:

hij in de periode van 19 juni 2010 tot en met 20 juni 2010 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, aan een persoon genaamd [slachtoffer A] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer A]:

- meerdere vuistslagen tegen het hoofd hebben gegeven, en

- meerdere schoppen/trappen tegen het hoofd en het lichaam hebben gegeven, en

- meerdere klappen met een kandelaar tegen het hoofd en het lichaam hebben gegeven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Feit 2 subsidiair:

hij in de periode van 19 juni 2010 tot en met 20 juni 2010 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer B]:

- een duw hebben gegeven, en

- meerdere malen bij de keel heeft gepakt en

- meerdere vuistslagen tegen het gezicht/hoofd hebben gegeven, en

- meerdere klappen tegen het lichaam hebben gegeven en

- over de grond/vloer naar buiten heeft/hebben gesleurd/gesleept,

waardoor voornoemde [slachtoffer B] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Feit 4:

hij in de periode van 19 juni 2010 tot en met 20 juni 2010 te Apeldoorn opzettelijk en wederrechtelijk een ruit en huisraad toebehorende aan [slachtoffer B], heeft vernield.

Feit 5:

hij op 21 juni 2010 te Apeldoorn een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Feit 1 primair:

Medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Feit 2 subsidiair:

Medeplegen van mishandeling.

Feit 4:

Vernieling.

Feit 5:

Handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 3, sub a van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

De raadsvrouw heeft gewezen op het feit dat - mocht de rechtbank de feiten 1 tot en met 3 wel bewezen achten - rekening dient te worden gehouden met het voorarrest. De voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst. Hij heeft inmiddels al twee jaar contact met de reclassering. De raadsvrouw heeft de rechtbank in overweging gegeven een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht. De raadsvrouw heeft voorts verzocht het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf niet groter te laten zijn dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat destijds door de reclassering een behandelverplichting is geadviseerd, echter dat de behandeling op dit moment niet meer noodzakelijk is.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich, onder meer, schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft aangever [slachtoffer A] geslagen. Terwijl aangever weerloos op de grond lag, hebben verdachte en zijn mededaders meerdere malen op hem ingeslagen en ingeschopt waarbij gebruik is gemaakt van een kandelaar. Aangever had onder meer pijn en letsel in zijn gezicht en aan zijn hoofd. De omstandigheid dat aangever niet meer letsel heeft overgehouden, is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan verdachte is te danken. Daarnaast hebben verdachte en zijn mededaders aangeefster [slachtoffer B] geslagen, geduwd en bij de keel gepakt waardoor letsel is ontstaan, waaronder een botbreuk. Verdachte heeft bovendien huisraad van aangeefster vernield. Er is forse schade aan haar inboedel ontstaan; de boel is kort en klein geslagen. Het gevoel van veiligheid van aangever en aangeefster is mede door verdachtes toedoen in ernstige mate aangetast. Het is schokkend dat verdachte en zijn medeverdachten naar de woning van [slachtoffer B] zijn gegaan, alleen maar omdat ze een appeltje met [slachtoffer A] te schillen hadden en deze daarom "klappen" moest krijgen. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke mishandelingen veelal langdurige en ernstige psychische gevolgen daarvan ondervinden.

Het gaat om ernstige geweldsdelicten die een voor de rechtsorde schokkend karakter hebben en die leiden tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Dit klemt te meer nu het gebeurde heeft plaatsgevonden in de woning van aangeefster gedurende een, bijna, voor de nachtrust bestemde tijd en meerdere personen daarvan getuige zijn geweest.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een stroomstootwapen.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de door de reclassering opgestelde rapporten van 22 juni 2010, 1 september 2010 en 3 oktober 2011. Uit de adviezen blijkt, onder meer, dat sprake is van een alcoholproblematiek en stemmingswisselingen. Verdachte lijkt enig zelfinzicht te hebben en is bereid mee te werken aan reclasseringstoezicht. Uit de e-mail van 26 juni 2012 van mevrouw J. Atsma van Tactus Reclassering blijkt dat verdachte zich gehouden heeft aan de meldplicht en de voorwaarden.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf aansluiting gezocht bij de Oriëntatiepunten van het Landelijk overleg van voorzitters van strafsectoren (LOVS) voor artikel 302 Wetboek van Strafrecht (zware mishandeling) voor wat betreft aangever [slachtoffer A] en de oriëntatiepunten voor artikel 300 Wetboek van Strafrecht (mishandeling) voor wat betreft aangeefster [slachtoffer B]. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bewezen is geacht. Daarnaast is in het nadeel van verdachte rekening gehouden met het feit dat sprake is van medeplegen, dat verdachte en zijn mededaders bewust de confrontatie met aangever en aangeefster hebben opgezocht, dat verdachte bijzonder agressief is geweest, dat verdachte huisraad van aangeefster heeft vernield en dat het gebeurde heeft plaatsgevonden in de woning van aangeefster gedurende een, bijna, voor de nachtrust bestemde tijd. De rechtbank heeft bovendien rekening gehouden met het door verdachte voorhanden hebben van een stroomstootwapen.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte er rekening mee gehouden dat hij, voor wat betreft het bewezen verklaarde niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. De rechtbank houdt er ook rekening mee dat de feiten inmiddels twee jaar geleden zijn gepleegd. Het tijdsverloop is mede veroorzaakt door de onderzoekshandelingen die in deze zaak zijn verricht.

De ernst van de feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. De rechtbank kiest ervoor om, naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, ook een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden op te leggen als stok achter de deur voor verdachte teneinde recidive te voorkomen. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf is een proeftijd van twee jaren gekoppeld. Gelet op het rapport van de reclassering acht de rechtbank een reclasseringstoezicht noodzakelijk in de vorm van een meldingsgebod en een behandelverplichting.

De uiteindelijk op te leggen straf door de rechtbank valt lager uit dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank anders dan de officier van justitie, niet aan wil knopen bij de Oriëntatiepunten van het LOVS in geval van een overval op een woning.

Vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer A] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 2.129,95 gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

De benadeelde partij [slachtoffer B] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 1.595,46 gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer A] hoofdelijk toewijsbaar is, met toewijzing van de wettelijke rente vanaf 20 juni 2010 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer B] heeft de officier van justitie geconcludeerd dat ook deze vordering hoofdelijk toewijsbaar is, met toewijzing van de wettelijke rente vanaf 20 juni 2010 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer A] dient te worden afgewezen, nu zij ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft zij aangevoerd de door [slachtoffer A] gevorderde immateriële schade te matigen en de materiële schade af te wijzen, nu deze materiële schade onvoldoende is onderbouwd. Ook ten aanzien van de vordering van benadeelde partji [slachtoffer B] heeft de raadsvrouw bepleit de immateriële schade te matigen en de materiële schade af te wijzen, nu deze eveneens onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vordering [slachtoffer A]

De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schade valt aan te merken als schade die rechtstreeks aan de benadeelde partij is toegebracht als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit en dat deze post voldoende is onderbouwd. Dit onderdeel van de vordering, met een totaalbedrag van € 129,95 is derhalve toewijsbaar.

De rechtbank is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er door [slachtoffer A] immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade ten bedrage van € 2.000,- leent zich, gelet op het bewezen verklaarde medeplegen, voor hoofdelijke toewijzing. De wettelijke rente over de genoemde materiële en immateriële schade zal worden toegewezen vanaf de datum van het plegen van het feit, te weten 20 juni 2010.

Vordering [slachtoffer B]

De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schade valt aan te merken als schade die rechtstreeks aan de benadeelde partij is toegebracht als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde feit en dat deze post voldoende is onderbouwd. Dit onderdeel van de vordering, met een totaalbedrag van € 595,46 is derhalve toewijsbaar. De rechtbank is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade ten bedrage van € 1.000,- leent zich, gelet op het bewezen verklaarde medeplegen, voor hoofdelijke toewijzing. De wettelijke rente over de genoemde immateriële schade zal worden toegewezen vanaf de datum van het plegen van het feit, te weten 20 juni 2010.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer A en B], de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van de slachtoffers.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 47, 57, 91, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1 primair:

Medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Feit 2 subsidiair:

Medeplegen van mishandeling.

Feit 4:

Vernieling.

Feit 5:

Handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 3, sub a van de Wet wapens en munitie.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

o dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt;

o dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 primair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer A], van een bedrag van € 2.129,95 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2010, verstaat dat indien en voor zover door de mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A] een bedrag te betalen van € 2.129.95 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2010 met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 6 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 subsidiair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer B], van een bedrag van € 1.595,46 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2010, verstaat dat indien en voor zover door de mededaders het betreffende schadebedrag met betrekking tot de immateriële schade ad € 1.000,- is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B] een bedrag te betalen van € 1.595,46 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2010 met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 4 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

Aldus gewezen door mrs. Van der Mei, voorzitter, Kropman en Draisma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hoesstee, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 juli 2012.

Mrs. Van der Mei en Draisma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna ten aanzien van de feiten 1 en 2 wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nr. PL0623 2010111762-1, Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland, District Apeldoorn, Team Apeldoorn Noord-West, gesloten en getekend door W.A. Nijhof, brigadier, op 30 juli 2010.

2 Proces-verbaal relaas van 20 juni 2010, p. 33-35.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], p. 57.

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], p. 58.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], p. 60.

6 Proces-verbaal met aanvullende verklaring van [slachtoffer A], p. 72.

7 Proces-verbaal met aanvullende verklaring, p. 73.

8 Proces-verbaal met aanvullende verklaring van [slachtoffer A], p. 74.

9 Geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer A], p. 63.

10 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B], p. 80.

11 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B], p. 81.

12 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B], p. 82.

13 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B], p. 83.

14 Proces-verbaal met aanvullende verklaring van [slachtoffer B], p. 97.

15 Proces-verbaal met aanvullende verklaring van [slachtoffer B], p. 98.

16 Proces-verbaal met aanvullende verklaring van [slachtoffer B], p. 99.

17 Geneeskundige verklaring omtrent [slachtoffer B], p. 108.

18 Proces-verbaal met aanvullende verklaring van [slachtoffer B], p. 98, 101-108.

19 Proces-verbaal van verhoor van [naam 4], p. 123.

20 Proces-verbaal van verhoor van [naam 4], p. 124.

21 Proces-verbaal van verhoor [naam 4], p. 125.

22 Proces-verbaal van verhoor van [naam 5], p. 142.

23 Proces-verbaal van verhoor van [naam 5], p. 143.

24 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 6], p. 112.

25 Proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 6], p. 113.

26 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [naam 8], p. 419.

27 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [naam 8], p. 420.

28 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 331.

29 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 332.

30 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 333.

31 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 339.

32 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 342.

33 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 343.

34 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 344.

35 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte E], p. 400 en 401.

36 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte E], p. 406 en 407.

37 Proces-verbaal van bevindingen, p. 168.

38 Proces-verbaal van bevindingen, p. 182.

39 Proces-verbaal van bevindingen, p. 173.