Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX0957

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
06/940146-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een beroving van een 77-jarige man die op straat aan het pinnen was. Verdachte heeft hierbij het gevoel van veiligheid van het slachtoffer aangetast. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke straatroven psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Incidenten als dit veroorzaken ook in de maatschappij in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid. Verdachte heeft zich laten leiden door zijn zucht naar financieel gewin zonder stil te staan bij de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer en de omstanders. De rechtbank heeft voorts ten nadele van verdachte meegewogen dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en heeft gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS betreffende tasjesroof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940146-12

Uitspraak d.d.: 10 juli 2012

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1961],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Doetinchem.

Raadsvrouw: mr. Boer, advocaat te Heerde.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juni 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 20 maart 2012 te Harderwijk, op de openbare weg de Achterste Wei aldaar (bij een pinautomaat van de ING bank in winkelcentrum Stadsweide), met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bankbiljet van 50 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] (geboren op [1934]) in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer] voornoemd gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, onverhoeds - en mogelijk verzet brekend - dat bankbiljet (met kracht) uit de hand(en) van die [slachtoffer] heeft

getrokken;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op dinsdag 20 maart 2012 omstreeks 14.20 uur is er bij de Regionale Meldkamer in Apeldoorn een telefonische melding binnengekomen dat zojuist een man van zijn geld beroofd was bij een geldautomaat aan de Achterste Wei in Harderwijk.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de tenlastelegging grotendeels bewezen kan worden, met uitzondering van het ten laste gelegde geweld. Er is geen geweldshandeling gebruikt en verdachte dient dan ook partieel te worden vrijgesproken van de geweldscomponent in de tenlastelegging.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde diefstal, maar is van oordeel dat verdachte geen geweld heeft gebruikt. De rechtbank komt tot haar oordeel op grond van de aangifte van [slachtoffer]2 en de grotendeels bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Verdachte is in die zin een bekennende verdachte dat hij heeft bekend dat hij een briefje van € 50,00 heeft weggenomen van [slachtoffer] toen deze net had gepind. Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend geweld te hebben gebruikt.

Aangever heeft verklaard3 dat toen de geldlade van de pinautomaat openging, hij heeft gezien dat er drie briefjes van € 50,00 uitkwamen. Hij heeft de briefjes willen pakken, maar verdachte griste ook naar het geld. Toen aangever naar zijn handen keek, zag hij dat hij maar 2 van de € 50,00 briefjes in zijn handen had. Hij heeft op de grond geen € 50,00 zien liggen, dus moet de man wel € 50,00 hebben meegenomen.

De rechtbank is van oordeel dat ook al moet worden uitgegaan van het scenario dat verdachte in een snelle beweging een briefje van € 50,00 uit handen van aangever heeft getrokken/gegrist, dan nog niet zonder meer sprake is van geweld in de zin van (artikel 312 van) het Wetboek van Strafrecht. Er is immers geen sprake van een uitoefening van lichamelijke kracht tegen de aangever. De ten laste gelegde geweldscomponent zal daarom niet bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 20 maart 2012 te Harderwijk, op de openbare weg de Achterste Wei aldaar (bij een pinautomaat van de ING bank in winkelcentrum Stadsweide), met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bankbiljet van 50 euro, geheel toebehorende aan [slachtoffer] (geboren op [1934]).

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Diefstal

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd daarbij de bijzondere voorwaarde op te leggen dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit inhoudt het meewerken aan een ambulante behandeling.

De raadsvrouw heeft aangegeven dat verdachte geen geweld heeft gebruikt en dat dit moet doorwerken in de strafmaat. Verdachte heeft ook niet bewust een oudere man uitgekozen voor deze diefstal. Eerdere veroordelingen van verdachte zijn van relatief oude datum. Ook dient te worden meegewogen dat verdachte zichzelf bij de politie heeft gemeld en dat hij schoon schip heeft willen maken en heeft ingezien dat hij hulp nodig heeft. Verdachte is bereid zich te houden aan de eventueel aan hem op te leggen bijzondere voorwaarden.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een beroving van een 77-jarige man die op straat aan het pinnen was. Verdachte heeft hierbij het gevoel van veiligheid van het slachtoffer aangetast. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke straatroven psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Incidenten als dit veroorzaken ook in de maatschappij in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid. Verdachte heeft zich laten leiden door zijn zucht naar financieel gewin zonder stil te staan bij de mogelijke gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer en de omstanders. De rechtbank heeft voorts ten nadele van verdachte meegewogen dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en heeft gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS betreffende tasjesroof.

De rechtbank zal er in het voordeel van verdachte rekening mee houden dat verdachte zich zelf heeft gemeld bij de politie en daadwerkelijk van plan lijkt schoon schip te willen maken.

Gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals hierboven beschreven, acht de rechtbank een gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk opleggen. Als bijzondere voorwaarde zal de rechtbank verdachte verplichten dat hij zich zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften van de reclassering, ook als dit inhoudt het volgen van een ambulante behandeling. De voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Hoewel de rechtbank de geweldshandeling niet bewezen zal verklaren, acht zij niettemin de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend en geboden, gelet op de aard en ernst van het feit en de oriëntatiepunten van het LOVS.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 50,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.

Nu niet is weersproken dat de benadeelde partij, zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag en de vordering de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze vordering worden toegewezen. De verdachte is voor de schade ? naar burgerlijk recht ? aansprakelijk.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen wat verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

diefstal

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 maand, niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarden dat

- veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt dat veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen.

- veroordeelde op verzoek van de reclassering ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 50,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2012 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 50,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 maart 2012, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mrs. Rademaker, voorzitter, Heenk en Van Lookeren Campagne, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oosting, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 juli 2012.

Voetnoten:

1 Als hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0660 2012038212-21, Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland, disvisie recherche, gesloten en ondertekend op 28 maart 2012.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer], p. 18-19.

3 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer], p. 18-19.