Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX0785

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-07-2012
Datum publicatie
10-07-2012
Zaaknummer
06/880061-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft onder invloed van alcohol een verkeersongeval veroorzaakt en is vervolgens doorgereden zonder zich bekend te maken en zonder zich te bekommeren om het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/880061-11

Uitspraak d.d.: 9 juli 2012

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1978],

wonende te [plaats, adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 juni 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 26 november 2011 te Lochem, in elk geval in Nederland,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Hessenweg, ter hoogte van

het kruispunt met de Zutphenseweg,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend heeft gereden,

terwijl zij onder invloed verkeerde van (een aanzienlijke hoeveelheid)

alcohol, althans na gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid

alcohol(houdende drank), en/of

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd

gehinderd, en

komende vanaf de Zutphenseweg, gaande in de richting van het centrum van

Lochem, ter hoogte van voornoemd kruispunt rechtsaf is geslagen, en/of

(daarbij) naar rechts heeft gestuurd, en/of

(daarbij) dat motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of

in een slip is geraakt, en/of

(daarbij) terecht is gekomen op het trottoir en aldus in strijd met artikel 10

van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet de rijbaan heeft

gevolgd, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor haar gelegen gedeelte

van die weg (Hessenweg) en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven

letten, en/of

(daarbij) haar aandacht niet, althans in onvoldoende mate op of bij het

overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of

gehad, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 19 van voornoemde reglement haar snelheid

niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte, in staat was voormeld

motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij, die weg,

de Hessenweg, kon overzien en waarover deze vrij was, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen een verkeersbord, inhoudende een zonale

toepassing van het bord A1 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, tengevolge waarvan dit verkeersbord terecht is gekomen

op het hoofd/lichaam van een aldaar lopende voetganger ([slachtoffer]), en/of

(vervolgens) in aanrijding is gekomen met een aldaar lopende voetganger ([slachtoffer]),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten

verkeersongeval heef plaatsgevonden waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar

lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit

tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan,

terwijl het feit is veroorzaakt terwijl verdachte toen dat motorrijtuig heeft

bestuurd na zodanig gebruik van alcohol(houdende drank), dat het

alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel

8,tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 925 microgram,

in elk geval hoger dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek

te zijn;

art 176 lid 3 Wegenverkeerswet 1994

art 6 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

art 8 lid 2 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994

ALTHANS, dat

zij op of omstreeks 26 november 2011 te Lochem, in elk geval in Nederland,

als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de

Hessenweg, ter hoogte van het kruispunt met de Zutphenseweg,

terwijl zij onder invloed verkeerde van (een aanzienlijke hoeveelheid)

alcohol, althans na gebruik van een (niet onaanzienlijke) hoeveelheid

alcohol(houdende drank), en/of

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd

gehinderd, en

komende vanaf de Zutphenseweg, gaande in de richting van het centrum van

Lochem, ter hoogte van voornoemd kruispunt rechtsaf is geslagen, en/of

(daarbij) naar rechts heeft gestuurd, en/of

(daarbij) dat motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of

in een slip is geraakt, en/of

(daarbij) terecht is gekomen op het trottoir en aldus in strijd met artikel 10

van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet de rijbaan heeft

gevolgd, en/of

(daarbij) niet, althans in onvoldoende mate op het voor haar gelegen gedeelte

van die weg (Hessenweg) en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven

letten, en/of

(daarbij) haar aandacht niet, althans in onvoldoende mate op of bij het

overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of

gehad, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 19 van voornoemde reglement haar snelheid

niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte, in staat was voormeld

motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij, die weg,

de Hessenweg, kon overzien en waarover deze vrij was, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen een verkeersbord, inhoudende een zonale

toepassing van het bord A1 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, tengevolge waarvan dit verkeersbord terecht is gekomen

op het hoofd/lichaam van een aldaar lopende voetganger ([slachtoffer]), en/of

(vervolgens) in aanrijding is gekomen met een aldaar lopende voetganger ([slachtoffer]),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

zij op of omstreeks 26 november 2011 te Lochem, in elk geval in Nederland,

als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd,

na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar

adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder

a van de Wegenverkeerswet 1994, 925 microgram, in elk geval hoger dan 220

microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

3.

zij op of omstreeks 26 november 2011 te Lochem, in elk geval in Nederland,

als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), betrokken was bij een

verkeersongeval en/of door haar gedraging een verkeersongeval heeft

veroorzaakt, de plaats van dit verkeersongeval heeft verlaten,

waarbij een ander ([slachtoffer]) in hulpeloze toestand achter werd gelaten,

terwijl zij wist, in ieder geval redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die

ander letsel was toegebracht tengevolge van dat ongeval;

de in deze tenlastelegging gebruikte termen enj uitdrukkingen worden,

voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in

dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 7 lid 1 ahf/ond b Wegenverkeerswet 1994

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 26 november 2011 omstreeks 16.21 uur kreeg de politie de melding van een verkeersongeval op de Hessenweg te Lochem2. Ter plaatse zag verbalisant een vrouw, naar later bleek [slachtoffer], met een bloedende hoofdwond rechts op het trottoir liggen. Bij het ongeval zou een personenauto betrokken zijn geweest die na het veroorzaken van de aanrijding de plaats van het ongeval had verlaten. De verdachte werd korte tijd later door een omstander klemgereden en door de politie aangehouden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1 primair, 2 en 3. Ten aanzien van feit 1 primair heeft de officier van justitie betoogd dat sprake is van zeer onoplettend, onachtzaam en onvoorzichtig rijgedrag, maar niet van roekeloosheid nu verdachte niet te hard reed.

Standpunt van de verdachte

Verdachte heeft verklaard niet te weten wat er is gebeurd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de feiten gelet op hun onderlinge samenhang tegelijk beoordelen, waarbij elk bewijsmiddel slechts is gebruikt ten aanzien van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank overweegt dat verdachte heeft verklaard3 dat ze op 26 november 2011 omstreeks 16.21 uur over de Hessenweg in de gemeente Lochem in haar auto met het kenteken [kenteken] reed. Ze reed met een geschatte snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur. Ze was Lochem ingereden via de Zutphenseweg4.

Getuige [getuige A] heeft verklaard5 dat ze op 26 november 2011 omstreeks 16.20 uur met haar man over de Zutphenseweg te Lochem reed. Ze reden de rotonde op bij de kruising van de Zutphenseweg en de Hessenweg. [getuige A] zag dat een, volgens haar goudkleurige, Fiat iemand, in haar beleving een fietser, aanreed. Haar man is daarop met haar teruggereden naar de Hessenweg. [getuige A] zag een persoon in gekromde houding op het trottoir liggen. De auto die de persoon had aangereden was er niet meer. Ze zag geen fiets liggen zoals ze eerder had aangenomen.

Getuige [getuige B] heeft over het ongeval verklaard6 dat hij op de Hessenstraat te Lochem was en ineens een knal hoorde. Hij keek in de richting van de Zutphenseweg en zag dat een voertuig, een goudbruine auto - mogelijk een Fiat - met het kenteken [kenteken], hem ter hoogte van de rotonde op het trottoir tegemoet reed. Verder zag hij dat het voertuig een verkeersbord op het trottoir omver had gereden. De bestuurder van het voertuig stopte niet na het ongeval maar reed in zijn richting door. Het voertuig passeerde hem en reed vervolgens de Tusseler in. Ter hoogte van het verkeersbord zag [getuige B] een oudere vrouw gewond op de grond liggen. Hij hoorde een omstander zeggen dat de vrouw was aangereden door het voertuig dat ook het verkeersbord omver had gereden.

Uit de Verkeers Ongevals Analyse komt naar voren dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de Hessenweg te Lochem7. Het ongeval vond plaats binnen de bebouwde kom. De ter plaatse toegestane maximum snelheid bedroeg 50 kilometer per uur. Het ongeval vond plaats bij daglicht op een droog wegdek. Op de rotonde Zutphenseweg met de Hessenweg reed de bestuurder van de Fiat met het kenteken [kenteken] rechtsaf de Hessenweg in. Bij het verlaten van de rotonde en het doorrijden van de bocht naar rechts, hield de bestuurder van de Fiat kennelijk te lang naar rechts aan. Hierdoor reed hij de stoep op gelegen tussen de Hessenweg en het fietspad. Vervolgens stak hij het fietspad over en kwam op het voetpad terecht en reed tegen een verkeersbord (met opschrift "30" en "zone") aan, dat omviel. Op het voetpad liep een voetganger. De voetganger kreeg de paal dan wel het verkeersbord tegen haar hoofd. Daarbij raakte de voetganger gewond. Aan de schade aan de voorzijde van het voertuig kon worden afgeleid dat het ongeval niet met extreme snelheid heeft plaatsgevonden.

Het slachtoffer [slachtoffer] heeft verklaard8 dat zij op 26 november 2011 betrokken is geweest bij een aanrijding. Zij liep op het voetpad naast de Hessenweg te Lochem en is daar aangereden. Zij heeft daarbij een zware hersenschudding, een schedelbasisfractuur, een bloeding in haar hoofd, een snee in haar linkerduim en een schaafwond onder haar kin opgelopen. Ook was haar linkerduim uit de kom en had ze bloeduitstortingen in haar gezicht en nek, en op haar schouders en rechterarm. Na ontslag uit het ziekenhuis op 5 december 2011 is [slachtoffer] opgenomen in een revalidatiecentrum.

[slachtoffer] heeft op 26 januari 2012 verklaard9 dat het langzaam beter met haar gaat. Ze heeft nog steeds last van haar rechteroog, waardoor ze niet kan fietsen, auto rijden of een boek lezen. Op straat is ze hierdoor ook erg onzeker. 's Avonds is ze door haar oogklachten altijd erg moe. De kans is aanwezig dat ze aan het oog moet worden geopereerd. Verder heeft ze twee keer per week fysiotherapie voor haar nekklachten. Voor het ongeval kon ze langer lopen met haar hond en ging ze altijd zwemmen. Dat kan ze sinds het ongeval niet meer. Door het ongeval voelt ze zich erg beperkt in haar doen en laten.

Uit informatie van de fysiotherapeute10 blijkt dat het slachtoffer een mobiliteitsbeperking heeft met betrekking tot haar nek en rechter schouder. Ook is sprake van een verhoogde spierspanning in haar bovenrug en nek en heeft ze een verminderde handfunctie links ten gevolge van de duimluxatie. Verder ziet het slachtoffer dubbel met haar rechteroog.

Ter controle op de naleving van de Wegenverkeerswet 1994 is verdachte op 26 november 2011 om 16.40 uur gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van de uitgeademde lucht11. De test, afgenomen met een daartoe aangewezen apparaat, gaf een F-indicatie aan. Verdachte is vervolgens bevolen mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2 onder a van de Wegenverkeerswet 1994. Het onderzoek ving aan tenminste 20 minuten na het tijdstip van vordering tot medewerking aan het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Er werd gebruik gemaakt van een ademanalyse apparaat dat ingevolge het besluit Alcoholonderzoeken daartoe is aangewezen. Voldaan werd aan het bij het apparaat behorende gebruikersvoorschrift. De verklaring van goedkeuring behorende bij het apparaat, keuringsdatum 16 augustus 2011, is geldend tot 28 februari 2012. Het onderzoek heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, waarbij het resultaat 925 µg/l bedroeg. Dit is direct aan de verdachte meegedeeld.

Uit de bij het proces-verbaal gevoegde uitdraai van het ademanalyse apparaat komt naar voren dat het onderzoek is aangevangen op 26 november 2011 om 17.38 uur en dat het ademonderzoekresultaat 925 µg/l was.

Alle bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank de feiten 1 primair, 2 en 3 bewezen. De rechtbank is ten aanzien van feit 1 primair met de officier van justitie van oordeel dat sprake is van een grove fout, maar niet van roekeloosheid nu niet is gebleken dat verdachte te hard heeft gereden.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij op 26 november 2011 te Lochem, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Hessenweg, ter hoogte van

het kruispunt met de Zutphenseweg, zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden,

terwijl zij onder invloed verkeerde van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol, en

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en werd gehinderd, en

komende vanaf de Zutphenseweg, gaande in de richting van het centrum van Lochem, ter hoogte van voornoemd kruispunt rechtsaf is geslagen, en

daarbij naar rechts heeft gestuurd, en

daarbij dat motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en

daarbij terecht is gekomen op het trottoir en aldus in strijd met artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 niet de rijbaan heeft gevolgd, en

daarbij haar aandacht niet op het overige verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse heeft gericht en gehad, en

daarbij in strijd met artikel 19 van voornoemde reglement haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte, in staat was voormeld motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij, die weg, de Hessenweg, kon overzien en waarover deze vrij was, en

vervolgens is gebotst tegen een verkeersbord, inhoudende een zonale toepassing van het bord A1 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, tengevolge waarvan dit verkeersbord terecht is gekomen op het hoofd/lichaam van een aldaar lopende voetganger ([slachtoffer]),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan,

terwijl het feit is veroorzaakt terwijl verdachte toen dat motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8,tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 925 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek

te zijn;

2.

zij op 26 november 2011 te Lochem, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van haar adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 925 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

3.

zij op 26 november 2011 te Lochem, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), betrokken was bij een verkeersongeval en door haar gedraging een verkeersongeval heeft

veroorzaakt, de plaats van dit verkeersongeval heeft verlaten, waarbij een ander ([slachtoffer]) in hulpeloze toestand achter werd gelaten, terwijl zij wist, in ieder geval redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die ander letsel was toegebracht tengevolge van dat ongeval.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a van deze wet;

Feit 2:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;

Feit 3:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur te vervangen door 120 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht en een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringstoezicht ook als dat inhoudt een ambulante behandeling voor de verslavingsproblematiek. De officier van justitie heeft daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen gevorderd voor de duur van 3 jaar, waarvan een half jaar voorwaardelijk, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs is ingehouden.

Verdachte heeft betoogd dat een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen erg zwaar voor haar zal zijn mede gezien het feit dat zij freelance werk doet waarbij een auto onmisbaar is. Ze heeft om die reden verzocht de duur van de onvoorwaardelijke ontzegging te matigen en een langere voorwaardelijke ontzegging op te leggen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft onder invloed van alcohol een verkeersongeval veroorzaakt en is vervolgens doorgereden zonder zich bekend te maken en zonder zich te bekommeren om het slachtoffer. Door haar toedoen is een voetganger gewond geraakt. Het slachtoffer heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij is daarvoor behandeld aanvankelijk in het ziekenhuis en daarna in een revalidatiecentrum. Uit de medische informatie komt naar voren dat het slachtoffer nog niet is hersteld van de gevolgen van het ongeval en door het ongeval beperkt wordt in de uitoefening van haar normale bezigheden. De rechtbank waardeert de aandacht en betrokkenheid van verdachte jegens het slachtoffer.

Uit de justitiële documentatie van verdachte komt naar voren dat verdachte twee keer eerder een transactie heeft voldaan ter zake van rijden onder invloed van alcohol. De transacties hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw onder invloed van alcohol een auto te besturen.

Volgens het reclasseringsadvies van 18 juni 2012 is er een beginnend delictpatroon van het rijden onder invloed van alcohol. Verdachte is in 2010 gedurende een jaar vanwege haar alcoholgebruik ambulant behandeld bij de Hoop in Katwijk. De reclassering is van mening dat verdachte, ondanks het feit dat ze sinds het ongeval haar drankgebruik volgens eigen zeggen zou hebben gestaakt, behandeling nodig heeft voor haar alcohol problematiek. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag gemiddeld. De kans op letselschade voor anderen blijft volgens de reclassering aanwezig als verdachte zich niet laat behandelen vanwege haar drankgebruik en deelneemt aan het verkeer.

De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen de Oriëntatiepunten van het LOVS voor het veroorzaken van een ongeval met zwaar lichamelijk letsel, terwijl het alcoholpromillage van de verdachte meer dan 570 µg/l bedroeg. De daar genoemde straf is hoger dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde werkstraf passend. De rechtbank zal verder de voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen zoals door de officier van justitie gevorderd teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden zoals weergegeven in het voornoemde rapport van de reclassering met uitzondering van de geadviseerde klinische opname. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opleggen van 3 jaar waarvan 1 jaar voorwaardelijk. Gelet op de ernst van de situatie en de justitiële documentatie ter zake van rijden onder invloed van alcohol ziet de rechtbank geen aanleiding tot verdere matiging van het onvoorwaardelijke deel van de ontzegging.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen:

- 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze golden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten;

- 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a van deze wet;

Feit 2:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994;

Feit 3:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

* bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende algemene- dan wel bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* legt als algemene voorwaarden op dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* legt als bijzondere voorwaarden op dat de veroordeelde:

- zich zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij JVz Inforsa, Keizersgracht 572 te Amsterdam en zich vervolgens blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dat nodig acht;

- zich voor haar alcoholproblematiek en aanverwante problematiek ambulant laat behandelen bij Arkin, Inforsa en/of Jellinek danwel een soortgelijke instelling zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- zich overigens gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, voor zover en zolang als dat door de reclassering noodzakelijk wordt geacht;

* geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

* beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

* ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 1, primair, 2 en 3 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren;

* bepaalt, dat een gedeelte van deze bijkomende straf, groot 1 (één) jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* bepaalt, dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Van der Hooft en Knoop, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juli 2012.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0633 2011166536-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 30 januari 2012.

2 Stamproces-verbaal, p.6

3 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte], p.37

4 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte], p.53

5 Proces-verbaal van verhoor van [getuige A], p.63-64

6 Proces-verbaal van verhoor van [getuige B], p.61-62

7 Proces-verbaal Verkeers Ongevals Analyse, p.16

8 Proces-verbaal van verhoor van de benadeelde [slachtoffer], p.65-66

9 Proces-verbaal van verhoor van de benadeelde [slachtoffer], p.67-68

10 Medische informatie gegeven door M. Wermink, fysiotherapeute, gedateerd 13 november 2012 (de rechtbank neemt aan dat is bedoeld 13 januari 2012), p.30

11 Proces-verbaal nummer PL0633 2011166557-1, p.2