Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BX0148

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
03-07-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
06/950700-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van dertig (30) maanden waarvan tien (10) maanden voorwaardelijk.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze, gedurende een periode van een aantal maanden, schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam, van de dochter van zijn vriendin, met wie hij samenwoonde, die ten tijde van het tenlastegelegde nog (lang) geen zestien jaar oud was.

Bij zijn handelen heeft verdachte louter en alleen oog gehad voor zijn eigen behoeftebevrediging en heeft hij zich niet bekommerd om de gevoelens van zijn jonge slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/950700-11

Uitspraak d.d.: 3 juli 2012

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren op [1963 te plaats],

wonende te [plaats],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Ooyerhoekseweg te Zutphen.

Raadsman: mr. P.P. Verdoorn, advocaat te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

14 februari 2012, 17 april 2012 en 19 juni 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 19 juni 2012 - ten laste gelegd dat:

1.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2011 tot en met

25 oktober 2011 te Zutphen en/of op één of meer andere locaties in Nederland,

door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of bedreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden, [slachtoffer], geboortedatum [1997],

heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestonden uit het

seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten

- het brengen van zijn penis in haar vagina en/of haar mond en/of

- het brengen van één of meer van zijn vingers in haar vagina en/of

- het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken,

en bestaande dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden hierin dat verdachte

- die [slachtoffer] heeft (telkens) meegenomen in een (bedrijfs)auto en de (voornoemde) seksuele handelingen achterin die (bedrijf)auto heeft verricht en/of

- die [slachtoffer] heeft voorgehouden dat hij, verdachte, [slachtoffer]'s moeder iets aan zou doen indien zij zou weigeren seksueel contact met verdachte, te hebben en/of

- die [slachtoffer] heeft geknepen en/of geslagen wanneer zei weigerde seksueel contact met verdachte te hebben,

- terwijl verdachte door de jeugdige leeftijd van die [slachtoffer] en het leeftijdsverschil met verdachte een lichamelijk en/of geestelijk overwicht op die [slachtoffer] had,

waardoor verdachte voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan waarin zij onvoldoende in staat is geweest om weerstand aan hem, verdachte, te bieden;

art 242 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2011 tot en met 25 oktober 2011 te Zutphen en/of op één of meer andere locaties in Nederland,

met [slachtoffer], geboortedatum [1997], buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten

- het brengen van zijn penis in haar vagina en/of haar mond en/of

- het brengen van één of meer van zijn vingers in haar vagina en/of

- het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken,

terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt;

art 245 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 oktober 2011 te Zutphen, in elk geval in Nederland, circa 15, althans een aantal, afbeeldingen/multimediafiles (foto's), danwel een gegevensdrager (te weten één of meerdere (harde schijven van) een laptop (merk Acer Aspire 7745G)) bevattende die afbeeldingen/multimediafiles,van (telkens) (een) seksuele gedraging(en) waarbij (een) persoon/personen is/zijn betrokken of schijnbaar is/zijn betrokken, die (kennelijk) de leeftijd van 18 jaar nog niet had(den) bereikt, in zijn bezit heeft gehad,

welke afgebeelde seksuele gedraging(en) in algemene zin (telkens) bestaat/bestaan uit (een) geheel en/of (een) gedeeltelijk ontkle(e)d(e) minderjarige(n), waarbij de voornoemde seksuele gedragingen - onder verwijzing naar de collectiescan op pag. 339 - 340 van het dossier - bestonden uit:

A.

het door een persoon oraal en/of vaginaal, met een penis, penetreren van het

lichaam van een minderjarige,

en/of

B.

het door een minderjarige laten betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen

van een persoon (met een penis en/of een vinger/hand),

en/of

C.

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren door/van één of meer minderjarigen waarbij door het gekozen camerastandpunt en/of de uitsnede van de afbeeldingen nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen en/of billen en/of borsten in beeld gebracht worden,

waarbij de afbeelding (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling;

art 240b lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 25 oktober 2011 te Zutphen, in elk geval in Nederland, circa 3, althans een aantal, afbeeldingen/multimediafiles (foto's), danwel één gegevensdrager (te weten (een harde schijf van) een laptop (merk Acer Aspire 7745G) bevattende die afbeeldingen/multimediafiles, van (telkens) (een) seksuele gedraging(en) waarbij één of meerdere personen en één of meerdere dieren zijn betrokken en/of schijnbaar zijn betrokken,

in zijn bezit heeft gehad,

welke afgebeelde seksuele gedraging(en) in algemene zin (telkens) bestaat/bestaan uit één of meer dieren en één of meer personen die ontuchtige handelingen bij/met elkaar verrichten;

art 245A lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Rechtmatigheid van het binnentreden

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting - kort gezegd - bepleit, dat de gehanteerde machtiging tot binnentreden is afgegeven op basis van het verkeerde artikel, te weten op grond van artikel 55, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering (binnentreden ter aanhouding), in plaats van artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (overbrengen minderjarige in verband met uithuisplaatsing). Nu hiermee niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6 van de Algemene wet op het binnentreden (hierna: Awbi), is er vanwege het onrechtmatige binnentreden sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, waardoor de resultaten van het onderzoek, te weten de waarnemingen in de woning, het onderzoek aan de telefoon van [slachtoffer] en de taps van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Daarnaast hebben de betrokken verbalisanten zich voorafgaand aan het binnentreden van de woning niet gelegitimeerd, waardoor artikel 1 van de Awbi is overtreden. Dit leidt wat de raadsman betreft tot hetzelfde gevolg.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

Op 25 oktober 2011 is door de hulpofficier van justitie een machtiging tot het binnentreden in een woning, gelegen aan de [adres te plaats] afgegeven, met als doel de aanhouding van [slachtoffer], geboren op [1997 te plaats].1 Dit naar aanleiding van een zogenaamd OAT-verzoek, om de uit de instelling 's Heerenloo weggelopen [slachtoffer] aan te houden en terug te brengen.2 Verbalisanten, van wie [verbalisant A] en [verbalisant B] in uniform waren gekleed, 3 hebben tegen de vrouw die opendeed en de moeder van [slachtoffer] bleek te zijn, gezegd dat zij van de politie waren en dat zij op zoek waren naar [slachtoffer]. Daarbij is de machtiging getoond.4 De moeder van [slachtoffer] was verbalisant [verbalisant B] ambtshalve bekend. Volgens verbalisanten bleef de moeder van [slachtoffer] in de deuropening staan en trok ze de voordeur een stukje achter zich dicht; ze vroeg ook wie verteld had dat [slachtoffer] daar was. Volgens verbalisant [verbalisant B] heeft verbalisant [verbalisant C] de deur een stukje opengeduwd waarna moeder zei dat ze binnen konden komen. Ook volgens verbalisant [verbalisant A] heeft de moeder van [slachtoffer] aangegeven dat verbalisanten binnen mochten komen. Verbalisant [verbalisant C] heeft verklaard dat hij na het tonen van de machtiging de woning heeft betreden omdat hij het vermoeden had naar aanleiding van gestommel in de woning, dat iemand mogelijk dreigde te vluchten.

Uit een proces-verbaal van bevindingen van 30 oktober 2011 blijkt dat de wettelijke basis om ter aanhouding van de minderjarige [slachtoffer] binnen te treden in perceel [adres te plaats], artikel 813, tweede lid, van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering had moeten zijn. Dit artikel is abusievelijk niet in de machtiging genoemd.5

Nu de machtiging tot binnentreden een verkeerde wettelijke bepaling vermeldt, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Immers, niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6 van de Awbi. Nu bedoeld vormverzuim naar het oordeel van de rechtbank onherstelbaar is, dient hieraan één van de in bedoeld artikel genoemde rechtsgevolgen te worden verbonden.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat op de machtiging tot het binnentreden van de woning een verkeerd wetsartikel is genoemd, terwijl het doel van het binnentreden voor de bewoner van de woning die open deed en toestemming gaf om binnen te komen volstrekt duidelijk was en welk doel bovendien in de machtiging uitdrukkelijk is beschreven, in het onderhavige geval slechts dient te leiden tot vaststelling van het geconstateerde vormverzuim.

De rechtbank stelt dan ook vast dat er sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, maar zal daaraan geen rechtsgevolgen verbinden nu deze verdachte niet in zijn belang is getroffen.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat de betrokken verbalisanten zich voorafgaand aan het binnentreden van de woning niet hebben gelegitimeerd, oordeelt de rechtbank als volgt. Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verbalisanten de woning gelegen aan de [adres te plaats], waar ook verdachte verbleef, niet zijn binnengetreden overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 van de Awbi omdat niet is voldaan aan de legitimatieplicht. Dit betekent dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. De rechtbank zal, anders dan het vaststellen dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, echter geen gevolg verbinden aan het vormverzuim gelet op de volgende omstandigheden. De moeder van [slachtoffer] is medegedeeld dat de verbalisanten van de politie waren, terwijl (in elk geval) twee van hen in uniform waren gekleed. Aan de moeder van [slachtoffer] is bovendien medegedeeld wat de reden van hun komst was; een reden die voor moeder ook niet onbekend was. Dat de moeder van [slachtoffer] zich bewust is geweest van de situatie en de mogelijke gevolgen blijkt ook uit het feit dat zij verbalisanten gevraagd heeft naar de machtiging tot binnentreden. Nadat die haar was getoond, heeft zij naar het oordeel van de rechtbank toestemming gegeven tot het binnentreden. Tegen die achtergrond dient de enkele omstandigheid dat uit het dossier niet (ook) blijkt dat verbalisanten een legitimatiebewijs hebben laten zien, niet te leiden tot een zwaarder gevolg dan het vaststellen dat sprake is van een vormverzuim.

Protocol studioverhoren

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat er - kort gezegd - door de politie in strijd is gehandeld met het protocol studioverhoren nu [slachtoffer] niet door gecertificeerde politiefunctionarissen in een studio is gehoord. Om die reden dienen de door haar afgelegde verklaringen van het bewijs te worden uitgesloten, waardoor verdachte wegens gebrek aan bewijs dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

De rechtbank vat het verweer van de raadsman op als ware er sprake van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

De 'Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik' (geldend op 21 mei 2011 tot 31 december 2012) van het College van procureurs-generaal waar de raadsman op doelt, kent de volgende criteria en voorwaarden:

Bij de aanvraag spreekt de studiobeheerder, of een onder verantwoordelijkheid van de studiobeheerder aangewezen functionaris, de wenselijkheid van het verhoor in de studio met de aanvrager door. Daarbij dienen de volgende criteria getoetst te worden:

- er is sprake van (een vermoeden van) een ernstig misdrijf;

- de getuige is persoonlijk betrokken bij dat misdrijf;

- de leeftijd van de minderjarige getuige is in beginsel beneden 12 jaren, of er is bij een ouder persoon sprake van een achterstand in ontwikkeling;

- de belangen van de getuige en die van het onderzoek zijn afgewogen;

- of de wenselijkheid van audiovisuele vastlegging van het verhoor en de uitvoering daarvan door een verhoorder is bepaald;

- één van de gezagsdragers van de getuige verleent schriftelijk toestemming, overeenkomstig bijgevoegd model, tot het audiovisueel vastleggen van het verhoor en het gebruik van die opname ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek, en het onderzoek ter terechtzitting;

- indien de getuige 12 jaar of ouder is dient deze zelf eveneens een toestemmingsverklaring te ondertekenen.

[slachtoffer] is op 26 oktober 2011 gehoord door twee rechercheurs. Dit verhoor is audiovisueel opgenomen. In dit eerste verhoor heeft [slachtoffer] niet belastend over verdachte verklaard. Op 3 november 2011 is [slachtoffer] opnieuw gehoord. Dit verhoor vond plaats onder leiding van rechercheurs en is wederom audiovisueel geregistreerd. Ook in dit tweede verhoor heeft [slachtoffer] niet belastend over de verdachte verklaard.

Het laatste verhoor van [slachtoffer] heeft plaats gevonden op 10 januari 2012. Een van de betrokken verbalisanten was bevoegd zedenrechercheur en het verhoor is auditief geregistreerd. In dit verhoor is [slachtoffer] belastend gaan verklaren over verdachte.

Uit de beschikking van de kinderrechter van 21 april 2011 blijkt dat [slachtoffer] een cognitief beperkt en kwetsbaar meisje is.

Op grond van het bovenstaande is gebleken dat niet op alle punten is voldaan aan de inhoud van de Aanwijzing. Immers, verbalisanten hadden - in ieder geval na het eerste verhoor - moeten weten dat het slachtoffer een cognitief beperkt en kwetsbaar meisje was, waardoor zij in de studio door daarvoor opgeleide zedenrechercheurs had moeten worden gehoord.

Ten aanzien van die punten waarop de Aanwijzing niet is gevolgd zijn echter onvoldoende omstandigheden gesteld of gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte daardoor feitelijk in zijn belangen is geschaad. Hiermee is ook geen sprake van een dusdanig vormverzuim - een ernstig inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan - dat dit moet leiden tot de vergaande sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, dan wel tot bewijsuitsluiting.

De rechtbank stelt wel vast dat er sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, maar zal daaraan geen rechtsgevolgen verbinden nu de verdachte niet in zijn belang is getroffen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair (verkrachting) en 3 (bestialiteit) is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie.

Voor wat betreft het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde feit, kort gezegd het in bezit hebben van kinderporno, overweegt de rechtbank dat op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet genoegzaam is komen vast te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit van kinderporno. Immers, niet voldoende duidelijk is komen vast te staan om hoeveel afbeeldingen het gaat en of deze op de computer aangetroffen bestanden voor de gebruiker gemakkelijk toegankelijk waren. Bovendien heeft de verdachte aangevoerd dat naast hijzelf ook anderen gebruik hebben gemaakt van bedoelde computer, zodat niet kan worden uitgesloten dat een ander dan verdachte de afbeeldingen heeft gedownload. De verdachte zal dan ook van het hem onder

2 tenlastegelegde feit worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs6

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek7

Op 26 oktober 2011 ontving de piketrechercheur van de afdeling zeden de melding dat - in verband met een Opsporen, Aanhouden, Terugbrengen verzoek - een veertienjarig meisje was aangehouden, waarvan het vermoeden bestond dat zij seksueel was misbruikt.

Dit veertienjarige meisje, genaamd [slachtoffer], was op 25 oktober 2011 weggelopen van de woongroep 's Heerenloo in Apeldoorn, alwaar zij was ondergebracht door de William Schrikker Jeugdbescherming.

[slachtoffer] werd op 25 oktober 2011 aangetroffen in de flatwoning van haar moeder gelegen aan de [adres te plaats]. Bij het betreden van die woning troffen politieagenten naast de moeder ook haar vriend aan, te weten [verdachte]. Die laatste werd in de voorste slaapkamer met ontbloot bovenlichaam aangetroffen, terwijl hij bezig was zijn spijkerbroek aan te trekken. Vanuit het toilet kwam [slachtoffer] de hal inlopen die mededeelde eerst een schone onderbroek aan te willen trekken alvorens zij met de politie mee zou gaan. Hierop liep zij naar de slaapkamer waar [verdachte] zich zojuist had aangekleed. Waargenomen werd dat in deze slaapkamer een tas stond met daarin de persoonlijke spullen van [slachtoffer].

De inhoud van de tas van [slachtoffer] is nader onderzocht en op haar woongroep is een mobiele telefoon van het merk Nokia in beslag genomen. Op deze telefoon werd één afbeelding van een naakte man die zijn penis in zijn hand houdt en werden drie videobestanden van een masturberende man met een kennelijk jong meisje, aangetroffen.

Na verder onderzoek, waaronder stemherkenning en taps, is [verdachte] op 1 november 2011 buiten heterdaad aangehouden in de woning aan de [adres te plaats], ter zake van overtreding van artikel 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft - voor zover hier relevant - gerekwireerd tot bewezenverklaring van het aan verdachte onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte van de hem tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken, een en ander zoals weergegeven in zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota.

Beoordeling door de rechtbank

Op 26 oktober 2011 is door de politie bij [slachtoffer] een grijze mobiele telefoon van het merk Nokia, type N97, in beslag genomen en meegenomen naar het politiebureau voor nader onderzoek.8 Op deze mobiele telefoon werd één foto aangetroffen van een naakte man met een erectie. [slachtoffer] heeft tegenover de politie verklaard dat de man op de foto [verdachte] heet en bij haar moeder inwoont. 9

Op diezelfde mobiele telefoon is door de politie een drietal filmpjes aangetroffen waarop een naakte man te zien is. Deze man heeft/krijgt in alle drie de filmpjes een erectie. Op één filmpje is te zien dat de man masturbeert; op een ander filmpje is te zien dat hij dit ook doet en geholpen wordt door, kennelijk een meisje. Op het laatste filmpje is te zien dat de man, kennelijk door een meisje, met de hand wordt bevredigd. Bij de laatste twee filmpjes is een arm en hand van kennelijk een meisje te zien. Verbalisanten zagen dat de dat bleke huidskleur en de ietwat mollige hand soortgelijk waren aan de huidskleur en vorm van de hand van [slachtoffer]. Ook zagen zij dat het meisje op de film aan de rechtermiddelvinger een zilverkleurige ring droeg, soortgelijk aan de zilverkleurige ring die [slachtoffer] droeg. 10

Tijdens genoemde filmpjes werd er door de man en het meisje gesproken. Verbalisanten herkenden de stem van het meisje voor honderd procent als zijnde de stem van [slachtoffer]. De stem van de man werd voor honderd procent herkend als zijnde de stem van

[verdachte].11

Het mobiele telefoonnummer van [verdachte] is door de politie uitgeluisterd en uitgewerkt, waaruit onder meer naar voren komt dat hij veelvuldig telefonisch contact opneemt met het telefoonnummer van [slachtoffer] en zich in deze gesprekken steeds [verdachte] of papa noemt.12 Een selectie van het telefoongesprek tussen [slachtoffer] ([slachtoffer]) en [verdachte] ([verdachte]) van 27 oktober 2010 is hieronder weergeven:

[verdachte]: Hoe hebben ze die filmpjes gezien dan?

[slachtoffer]: Ik heb geen idee maar die hebben ze gezien.

[verdachte]: Wie zegt dat dan dat ze gezien heeft?

[slachtoffer]: Ja de politie

[verdachte]: Ja en wat heb jij gezegd dan?

[slachtoffer]: Dat ik er niks weet ...

[verdachte]: Dat jij dat niet bent ...

[slachtoffer]: Ja ... ze zeggen dat ik dat wel ben ....

[verdachte]: Ja, maar je hebt niet gezegd ... Maar je moet niet zeggen dat we seks gehad hebben ... Wat er ook gebeurd je moet niet zeggen dat we seks gehad hebben.

[slachtoffer]: Nee doe ik ook niet.

[verdachte]: Want ik kom nou in de bak hè? Dat weet je nou wel hè? Ik zeg ook gewoon dat ik geen seks met jou gehad heb ...

[slachtoffer]: Ja dat weet ik ...

[verdachte]: Ja dat was ook heel dom [slachtoffer] om dat op te nemen. En ik zei nog ... heb je wel alle berichten gewist?

[slachtoffer]: Ja

[verdachte]: En die filmpjes staan er wel op?

[slachtoffer]: Ja

[verdachte]: Waarom heb je dat ook gedaan meid? Dat had dadelijk weer moeten wissen .... Dat doe ik toch ook elke keer ... ze hebben mijn telefoon ook gepakt. Ik heb ook alles gewist. Ik ook altijd tegen jou gezegd ... alles wissen ... En nu dan? Maar je moet wel volhouden dat ik geen seks met jou gehad heb hoor.

[slachtoffer]: Ja dat doe ik ook! Ik heb tegen ze gezegd dat ik er niets van weet ...

[slachtoffer]: Ik ben gisteren ook nog onderzocht ...

[verdachte]: Ja ze kunnen toch niets vinden. Ik ben niet klaar gekomen in jou ...

[slachtoffer]: Nee

[verdachte]: Ik kom in de bak hierdoor. Want als ze die filmpjes hebben gezien ... Dan weet je wel hoe laat het is.

[slachtoffer]: Maar als er geen sporen bij mij gevonden worden ....

[verdachte]: D'r staat op die filmpjes dat je mij aftrekt en alles weer. Dat mag niet. Ja als ik maar geen seks met jou gehad heb, dat ik niet in jou ben geweest. En dat moet je ook volhouden

[slachtoffer]: Ja

[slachtoffer]: zolang ze niets bij mijn vinden hè? Hebben ze niet genoeg bewijs.

[verdachte]: Nee en dat moet je ook gewoon volhouden. Heel goed volhouden.... Hij is niet bij mij bij mij binnen geweest ... Ik heb niet met hem geneukt .... En dat moet je gewoon heel goed volhouden

[slachtoffer]: Mmmmhmmmm

[verdachte]: Het gaat erom ... als ik jou nou maar niet geneukt heb ... Want daar gaat het om ... en dat moeten we allebei ook goed volhouden. Dat we elkaar niet geneukt hebben. We kunnen niet zeggen dat we hebben niets gedaan .... dat kan niet. Ja jij kunt dat wel zeggen ... Maar ik kan dat niet ontkennen natuurlijk. Ik moet wel zeggen van ja . ... ze heeft mij wel afgetrokken en alles. Dat kan ik niet ontkennen. Dat staat op film ja. Ze hebt mij wel afgetrokken en alles. Dat kan ik niet ontkennen dat staat op film ja.

[slachtoffer]: Maar die filmpjes dat is het enige bewijs dat ze hebben hoor

[verdachte]: Ja en daarom moet je ook zeggen ... we hebben absoluut niet geneukt ... helemaal niks.

[slachtoffer]: Mmmrnhh (bevestigend)

[verdachte]: Ook niet pijpen ofzo ... je heb mij alleen maar afgetrokken. Ook niet dat ik jou gevingerd heb of wat dan ook. Dat wou jij niet. En gewoon goed volhouden.

[slachtoffer]: Ja

[verdachte]: Ik heb seks gehad met een meisje van 14.

[verdachte]: Maar ja ik kan ook zeggen, van dat het een andere meid is geweest. Dat ik zeg dat ik een vriendin heb.

[slachtoffer]: Maar hun zeiden dat ze mijn ring hadden gezien.

[verdachte]· Jouw ring?

[verdachte]: Ja. Maar die zeggen dan ook, hoe komen die filmpjes dan op haar telefoon?

[slachtoffer]: Ja. 13

[slachtoffer] heeft op 10 januari 2012 tegenover de politie verklaard dat zij seks heeft gehad met [verdachte]. Zij heeft hem gepijpt, afgetrokken en hij is met zijn lul in haar kut gegaan. Ook heeft hij haar gevingerd en aan haar vagina gezeten. De eerste keer dat zij seks had met [verdachte] was aan het einde van de zomervakantie, zij was toen 14 jaar oud. Zij heeft met [verdachte] over de telefoon over seks gepraat. De filmpjes die op haar telefoon staan, heeft zij in opdracht van [verdachte] gemaakt. Zij zette hem dan aan en gaf de telefoon vervolgens aan [verdachte]. De op haar telefoon aangetroffen foto van [verdachte] heeft zij gemaakt. Zij heeft ook verklaard dat zij niet tegen haar moeder mocht zeggen dat zij seks met hem had. 14

De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij telefoonseks heeft gehad met [slachtoffer] en dat hij weet heeft van de aangetroffen foto. Ook heeft de verdachte verklaard dat [slachtoffer] hem heeft afgetrokken en alles, want dat staat op het aangetroffen filmpje.15 De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij telefonisch contact heeft gehad met [slachtoffer].16

Betrouwbaarheid verklaringen [slachtoffer]

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [slachtoffer] als ongeloofwaardig moeten worden bestempeld, nu zij pas in haar laatste verhoor heeft verklaard dat zij seks heeft gehad met verdachte.

Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam komen vast te staan dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen voldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd. De rechtbank overweegt hiertoe dat de laatste door [slachtoffer] afgelegde verklaring kan worden aangemerkt als op essentiële punten strokend met, dan wel ondersteund door, de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, zodat de rechtbank deze betrouwbaar acht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat gelet op de vorenstaande weergave van een tapgesprek en de sommatie van verdachte om haar mond te houden, het geenszins vreemd is dat [slachtoffer] pas op een later moment, namelijk nadat het contact tussen verdachte en haar was verbroken, een belastende verklaring over hem heeft afgelegd.

De rechtbank merkt, gelet op de opmerking van de raadsman op dit punt, ten overvloede op dat vrijwilligheid aan de zijde van het slachtoffer in een zaak als de onderhavige, in dit verband volstrekt irrelevant is.

Dat de rechtbank tot een vrijspraak van de onder 1 primair tenlastegelegde verkrachting is gekomen heeft niets te maken met enige twijfel aan de geloofwaardigheid aan de betrouwbaarheid van [slachtoffer]'s verklaringen, maar met een gebrek aan steunbewijs.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

Conclusie

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is komen vast te staan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 subsidiair tenlastegelegde, te weten het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met [slachtoffer].

Nu door de verdediging niet is betwist dat [slachtoffer] op het moment van de door verdachte gepleegde handelingen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, noch dat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit binnen de tenlastegelegde periode valt, komt de rechtbank ten aanzien van feit 1 subsidiair tot een bewezenverklaring van de gehele tenlastegelegde periode.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in de periode van 01 augustus 2011 tot en met 25 oktober 2011 te Zutphen en/of op één of meer andere locaties in Nederland,

met [slachtoffer], geboortedatum [1997], buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten

- het brengen van zijn penis in haar vagina en haar mond en

- het brengen van één of meer van zijn vingers in haar vagina en

- het zich door die [slachtoffer] laten aftrekken,

terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Met iemand beneden die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, gedurende welk toezicht de reclassering kan onderzoeken of verdachte nog ambulante behandeling behoeft gedurende de proeftijd en aan welke behandeling verdachte dan zal moeten meewerken.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het hem tenlastegelegde wordt vrijgesproken. In het geval dat de rechtbank wel tot enige bewezenverklaring zou komen, verzoekt de raadsman een gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen die ten hoogste gelijk is aan de reeds ondergane voorlopige hechtenis.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze, gedurende een periode van een aantal maanden, schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam, van de dochter van zijn vriendin, met wie hij samenwoonde, die ten tijde van het tenlastegelegde nog (lang) geen zestien jaar oud was. Bij zijn handelen heeft verdachte louter en alleen oog gehad voor zijn eigen behoeftebevrediging en heeft hij zich niet bekommerd om de gevoelens van zijn jonge slachtoffer.

Het meisje bevond zich ten tijde van de ontuchtige handelingen in een zeer kwetsbare fase van haar ontwikkeling: het begin van de puberteit. Bovendien was zij ten tijde van het bewezenverklaarde uit huis geplaatst en was zij cognitief beperkt. Door seksuele handelingen met haar te verrichten heeft verdachte misbruik gemaakt van het psychische en fysieke overwicht dat hij over haar had. Dat het bewezenverklaarde een grote impact op het slachtoffer heeft gehad, blijkt ook uit het schade-onderbouwingsformulier. De effecten van de strafbare handelingen van de verdachte op haar geestelijke en lichamelijke ontwikkeling zijn momenteel niet geheel te overzien.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 15 mei 2012 eerder wegens het plegen van onder meer een soortgelijk zedendelict is veroordeeld, alsmede met de omstandigheid dat de verdachte blijkens zijn houding ter terechtzitting het laakbare van zijn handelen niet heeft (willen) in(ge)zien.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het Pro Justitia rapport van 6 maart 2012, inhoudende de conclusie dat vanwege de sterk ontkennende houding het niet mogelijk is gebleken de gestelde vragen omtrent de persoon van de verdachte de beantwoorden. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het beknopte reclasseringsadvies van 2 november 2011, het Trajectconsult van

18 november 2011 en het reclasseringsadvies van 30 januari 2012. Uit laatstgenoemd advies komt onder meer naar voren dat er bij verdachte sprake is van een zeer gebrekkig inzicht in zijn delictgedrag en dat ingeschat wordt dat verdachte niet zal meewerken aan begeleiding en toezicht.

Ten slotte heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS inzake feiten, soortgelijk aan het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank is, alles overwegende, van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Een aan het voorwaardelijk deel gekoppelde bijzondere voorwaarde als door de officier van justitie geëist, komt de rechtbank, gelet op de in het laatste reclasseringsadvies beschreven verwachte weigerachtige houding van verdachte, niet zinvol voor.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van in totaal € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakend feit, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door de verdediging betwist.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 2.000-. De wettelijke rente over de genoemde immateriële schade zal worden toegewezen vanaf de laatste dag van de ten laste gelegde periode, te weten 25 oktober 2011.

Ten aanzien van het meer gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Dit deel van de vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank met inachtneming van het bovenstaande vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 2.000,- aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde is toegebracht, zal de rechtbank op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

In beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn de goederen zoals genoemd onder de punten 1 tot en met 8 op de zich in het dossier bevindende beslaglijst in beslag genomen. Deze goederen zijn nog niet aan de verdachte teruggegeven.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen mobiele telefoon van het merk Nokia en de computer van het merk Acer (punten 4 en 6 en op de beslaglijst) worden ontrokken aan het verkeer en dat de overige in beslag genomen goederen (genoemd onder de punten 1, 2, 3, 5, 7 en 8 op de beslaglijst) aan de verdachte dan wel de rechthebbende zullen worden teruggegeven.

De rechtbank is van oordeel dat nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, de teruggave zal worden gelast aan de rechthebbende van de onder punt 1, 2, 3, 5, 7 en 8 op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten: een telefoontoestel van het merk Samsung, drie stuks ondergoed, een fototoestel en 2 enveloppen.

De rechtbank is van oordeel dat het ongecontroleerde bezit van de onder punt 4 en 6 op de beslaglijst genoemde goederen in strijd is met de wet of met het algemeen belang nu die voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. De rechtbank zal dan ook onttrekking aan het verkeer van die voorwerpen bevelen. Voornoemde gegevensdragers bevatten uiterst privacygevoelige afbeeldingen van, in ieder geval deels, minderjarige slachtoffers. Technologieën die het onvindbaar of inzichtbaar maken van dergelijke vereenvoudigingen volgen elkaar in hoog tempo op. Dit betekent dat niet uitgesloten kan worden dat iets dat niet zichtbaar of onmiddellijk toegankelijk is op een gegevensdrager onder omstandigheden toch toegankelijk en zichtbaar kan worden gemaakt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36b, 36c, 36d, 36f, 57 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Met iemand beneden die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot tien (10) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1subsidiair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 2.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2011, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 2.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2011, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal dertig (30) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de onder punt 4 en 6 op de beslaglijst genoemde mobiele telefoon van het merk Nokia en computer van het merk Acer;

* gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te wetende het onder punt 7 op de beslaglijst genoemde fototoestel;

* gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan de rechthebbende, te weten het onder punt 1, 2, 3, 5 en 8 genoemde mobiele telefoon van het merk Samsung, drie stuks ondergoed en twee enveloppen.

Aldus gewezen door mrs. Kropman, voorzitter, Heenk en Van der Mei, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Wegter, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 juli 2012.

Voetnoten:

1 Machtiging tot het binnentreden in een woning, PL0646 2011150505-2

2 Proces-verbaal van bevindingen, PL0646 2011150505-6

3 Processen-verbaal van bevindingen, PL0631 2011150505-4 en PL0631 2011150505-5

4 Proces-verbaal van bevindingen, PL0646 2011150505-6

5 Proces-verbaal van bevindingen, PL0646 2011150505-24

6 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0630 2011150505, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 30 maart 2012.

7 Proces-verbaal relaas, p. 4-22

8 Proces-verbaal van bevindingen, PL0631 2011150505-43, p. 59-60

9 Proces-verbaal bevindingen, PL0630 2011150505-20, p. 77-79

10 Proces-verbaal van bevindingen, PL0630 2011150505-21, p. 80-81

11 Proces-verbaal van bevindingen, PL0630 2011150505-65, p. 82-83

12 Proces-verbaal van bevindingen, PL 0630 2011150505-51, p. 84-85

13 De uitwerking van een tapgesprek van 27 oktober 2011 10.18.07, p. 89-94

14 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer], PL0630 2011150505-74, p. 379-386

15 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], PL 0630 2011150505-86

16 Proces-verbaal van de terechtzitting van 19 juni 2012