Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW8978

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
20-06-2012
Zaaknummer
11/1309 WRO
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank oordeelt dat de gemeente Zutphen een vergunning mocht verlenen voor de (ver)bouw van een Welkoop aan het Polplein in Zutphen. De rechtbank verklaart het beroep dat daartegen bezwaar maakt ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 11/1309 WRO

Uitspraak in het geding tussen:

V.O.F. [naam eiseres] Pets Place

te Zutphen,

eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zutphen

verweerder.

[derde partij] Retail

te Ruurlo,

derde-partij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2011 heeft verweerder aan derde-partij ontheffing en bouwvergunning verleend voor het intern wijzigen van een winkel ([winkel]) op het perceel [adres] in Zutphen.

Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 31 mei 2012, waar namens eiseres [eiseres] is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E.P. Langebach. Namens [derde partij] Retail is verschenen [derde partij]

2. Overwegingen

2.1 Op het perceel is het bestemmingsplan “Mercuriusweg 1986, vierde herziening” (hierna: bestemmingsplan), van kracht. Op het perceel rust de bestemming “Bedrijfsdoeleinden, klasse A (B(a) 4 t/m 6), met de aanduidingen “tuincentrum via vrijstelling” en “detailhandel in volumineuze goederen via vrijstelling” van toepassing.

2.2 Tussen partijen is niet in geschil dat het gebruik ten behoeve van detailhandel niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

2.3 Gelet op het bepaalde in artikel 46, derde lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, voor zover hier van belang, wordt, indien het bouwplan niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan, de aanvraag om een bouwvergunning tevens aangemerkt als een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wro kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna Bro), zoals dat luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang, komt voor toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro in aanmerking het wijzigen van het gebruik van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, mits:

1e. de gebruikswijziging plaats vindt binnen de bebouwde kom;

2e. de gebruikswijziging betrekking heeft op een bruto-vloeroppervlakte van niet meer dan 1500 m², en

3e. het aantal woningen gelijk blijft;

Niet in geschil is dat aan deze voorwaarden is voldaan, zodat verweerder in beginsel bevoegd is ontheffing te verlenen.

2.4 Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder geen gebruik heeft kunnen maken van de hem toekomende bevoegdheid. Daarbij heeft eiseres erop gewezen dat verweerder beleid heeft dat inhoudt dat, ter voorkoming van de uitholling van de detailhandelsfunctie van het kernwinkelgebied, in de periferie alleen ruimte is voor volumineuze detailhandel, waarvan in het onderhavige geval geen sprake is, nu slechts de aantallen die van elk goed worden verkocht verschillen van die in een gewone winkel.

Verweerder is daarnaast niet ingegaan op de in de zienswijze aangedragen argumenten, te weten mogelijke precedentwerking, verdere versplintering van koopstromen, risico’s van leegstand, achteruitgang van het kernwinkelgebied en een mogelijk grotere druk op de wens om vanuit het (dure) kernwinkelgebied naar de (goedkopere) periferie te verhuizen, aldus eiseres.

2.5 De beslissing om al dan niet ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van in dit geval verweerder, waarbij deze beleidsvrijheid heeft, zodat de rechter de beslissing in zoverre terughoudend moet toetsen. Dat wil zeggen dat de rechter

zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit om de ontheffing te verlenen heeft kunnen komen.

2.6 Nu verweerder eerst ter zitting heeft gewezen op het Beleidskader toepassing ontheffing artikel 3.23 Wro (versie augustus 2009) en deze beleidsregels niet ten grondslag zijn gelegd aan het besluit van 20 juli 2011 zal de rechtbank deze regels niet betrekken bij de beoordeling van het beroep.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het besluit voldoende gemotiveerd dat en waarom gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid de gevraagde ontheffing te verlenen, waarbij ruimtelijke belangen zijn meegewogen. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat, hoewel de [winkel] op basis van een notitie met betrekking tot het vestigingsbeleid voor perifere- en grootschalige detailhandel enerzijds te groot is voor vestiging in de binnenstad en anderzijds te klein is om als grootschalige detailhandel te worden aangemerkt, vestiging van de [winkel] op het [adres] een aanvulling is op het reeds bestaande winkelaanbod. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat met het realiseren van een vestiging van de [winkel] op het [adres] geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de directe omgeving, waarbij verweerder heeft kunnen meewegen dat het assortiment van de [winkel] vergelijkbaar is met het assortiment van de naastgelegen winkels (waaronder een tuincentrum) en het assortiment maakt dat vestiging in de binnenstad niet wenselijk is omdat de grootschalige artikelen, waaronder tuinmachines, tuinmeubelen, blokhutten, barbecues, speeltoestellen en zwembaden, met de auto worden opgehaald waardoor parkeergelegenheid in de directe nabijheid van de winkel een vereiste is. In zoverre valt niet in te zien dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het eigen detailhandelsbeleid

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat sprake is van een motiveringsgebrek, nu in het besluit gemotiveerd is ingegaan op de door eiseres ingediende zienswijze. Dat niet is ingegaan op ieder afzonderlijk argument maakt dit niet anders.

2.7 Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen.

2.8 De rechtbank stelt vast dat geen beroepsgronden zijn aangevoerd ten aanzien van de verleende bouwvergunning.

2.9 Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2012.