Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW8782

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
19-06-2012
Zaaknummer
06/940029-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in de woning in Winterswijk die van hem en zijn ex-echtgenote was. De rechtbank acht het feit bewezen en veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940029-12

Uitspraak d.d.: 19 juni 2012

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1940],

wonende te [adres].

Raadsman: mr. D.P. Poppe, advocaat te Epe.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 juni 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 januari 2012 te Winterswijk,

opzettelijk brand heeft gesticht in de woning [adres] aldaar, immers

heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in een aantal (slaap)kamers van die

woning benzine uitgesprenkeld over kleding (hemden) en/of textiel (handdoeken

en/of dekbed) en deze vervolgens (met lucifers) aangestoken, in elk geval

opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

andere goederen in die woning en/of het overig gedeelte van die woning (welke

woning mede-eigendom was van verdachtes ex-echtgenote), in elk geval gemeen

gevaar voor goederen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 14 januari 2012 omstreeks 18.37 uur kreeg de meldkamer Noord- en Oost-Gelderland de melding van een woningbrand aan de [adres] te Winterswijk2. Verbalisant is ter plaatse gegaan en sprak daar met de heer [naam B], wonend aan de [adres] te Winterswijk. [naam B] verklaarde dat hij zijn buurman, [verdachte], uit de woning had zien komen, dat hij toen al vlammen zag op de studeerkamer op de bovenverdieping en dat hij [verdachte] die in zijn auto wegreed probeerde te laten stoppen. [naam A], schoonzoon van [verdachte], kwam later ter plaatse3. Hij verklaarde dat [verdachte] naar hem was gereden en de brandstichting had bekend.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit bewezen. De bewezenverklaring is gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte4 en de verklaring van [getuige A]5.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 14 januari 2012 te Winterswijk, opzettelijk brand heeft gesticht in de woning [adres] aldaar, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in een aantal (slaap)kamers van die woning benzine uitgesprenkeld over kleding (hemden) en textiel (handdoeken en dekbed) en deze vervolgens met lucifers aangestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor andere goederen in die woning en het overig gedeelte van die woning (welke woning mede-eigendom was van verdachtes ex-echtgenote), te duchten was;

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft een zogenaamd triple-onderzoek plaatsgevonden. Dit heeft geresulteerd in een Pro Justitia rapport, gedateerd 5 april 2012 en opgemaakt door I.M. van Woudenberg, klinisch psycholoog, en C.A.J. Veldman, psychiater, met medewerking van W.G. van der Cruijsen, forensisch milieuonderzoeker. Met de conclusie van de deskundigen dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is te achten, kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact ook als dat inhoudt een ambulante behandeling bij GGNet voor zover en -lang de reclassering dit nodig acht.

De raadsman heeft betoogd dat zijn cliënt genoeg is gestraft door zijn wanhoopsdaad en dat het opleggen van een nadere onvoorwaardelijke straf niets toevoegt. Hij acht de door de officier van justitie gevorderde straf passend.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft uit wanhoop over zijn echtscheiding op diverse plaatsen brand gesticht in de woning die van hem en van zijn ex-vrouw was. Hierdoor is (financiële) schade is ontstaan. Verdachtes handelen heeft gezorgd voor angst bij zijn familie en ook bij omwonenden, die bang waren dat de brand zou overslaan naar hun woning.

In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte een blanco strafblad heeft.

Voorts houdt de rechtbank, ten aanzien van de persoon van verdachte, rekening met het over hem opgemaakte Pro Justitia rapport.

Uit het psychologisch onderzoek, verricht door I.M. van Woudenberg voornoemd, volgt dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit leed aan een depressieve stoornis die thans gedeeltelijk in remissie is. Daarnaast is sprake van trekken van een afhankelijke en ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. Bij verdachte overheersten ten tijde van het ten laste gelegde gevoelens van totale verlatenheid. In zijn beleving was hij door iedereen afgewezen en uitgestoten. Met name de verlating door zijn vrouw met wie hij meer dan 55 jaar samen was, heeft zijn identiteitsgevoel erg aangetast. Verdachte ontleende zijn identiteit voornamelijk aan de symbiotische relatie met zijn vrouw. Het wegvallen van haar betekende in feite dat hij psychisch vernietigd was, waardoor hij werd overmeesterd door gevoelens van grote innerlijke leegte en somberheid die hebben geresulteerd in een depressieve episode. Overmand door alle heftige gevoelens van woede en angst over de totale verlatenheid die deze situatie met zich meebracht, is verdachte overgegaan tot het in brand steken van zijn woning. Volgens Van Woudenberg is het van belang dat verdachte ervaart dat hij niet door iedereen wordt afgewezen. Door het herstel van de relatie met zijn dochters is de depressie momenteel verminderd. Factoren in verband met de kans op recidive zijn gelegen in het eventueel opnieuw terechtkomen in een situatie van totale verlatenheid, waardoor verdachte wordt geconfronteerd met zijn onmacht in deze. Van Woudenberg meent dat voorkomen moet worden dat verdachte vanwege zijn gebrekkige identiteitsgevoel dat afhankelijk is van anderen, opnieuw in zo'n situatie van algehele verlatenheid belandt. Daarmee wordt ook voorkomen dat een depressie zich van hem meester maakt en hij de daarmee samenhangende onmachts- en woedegevoelens niet meer de baas kan. Het is niet wenselijk dat alle steun van de dochters alleen afhankelijk is, aldus Van Woudenberg. Daarom heeft zij geadviseerd een verplicht reclasseringscontact op te leggen, ook als dat inhoudt een verdere behandeling bij een (forensische) polikliniek voor zolang de reclassering dit, in overleg met de behandelaars, nodig acht.

Uit het psychiatrisch onderzoek, verricht door C.A.J. Veldman voornoemd, komt naar voren dat verdachte in het algemeen niet lijdend is aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Ten tijde van het ten laste gelegde was sprake van een uitzonderingstoestand. Verdachte was overweldigd en emotioneel ontredderd door de voor hem volkomen onverwachte echtscheiding, de daaropvolgende eenzaamheid en onmacht, waardoor hij niet de beschikking had over zijn normale geestvermogens. Dit is niet eerder in zijn leven voorgekomen. Verdachte heeft inmiddels een ontwikkeling doorgemaakt en staat open voor hulp. De relatie met zijn dochters is hersteld en zijn familie is bekend met zijn wanhoop en onmacht en wil hem helpen. Verdachtes eenzaamheid en onmacht zijn de belangrijkste factoren die recidive zouden kunnen bevorderen. Volgens Veldman kan verdachte ambulante psychologische hulp vanuit de GGZ zoeken. Dit kan hem voldoende steunen en stimuleren bij het opbouwen van een zelfstandig leven. Reclasseringstoezicht zal een extra steun in de rug kunnen zijn, aldus Veldman.

De rechtbank stelt vast dat de deskundigen niet tot dezelfde diagnose zijn gekomen. Zij geven echter wel een eensluidend advies te weten een verplicht reclasseringscontact en een ambulante behandeling bij een instelling gericht op geestelijke gezondheidszorg. Dit advies wordt door de reclassering onderschreven in haar rapport van 16 april 2012. Uit het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte een aantal gesprekken heeft gehad met een behandelaar van GGNet en, indien nodig, opnieuw contact met GGNet kan opnemen.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat voorkomen moet worden dat verdachte opnieuw in een situatie komt zoals die zich heeft voorgedaan. Om die reden zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met daaraan verbonden een verplicht reclasseringstoezicht zoals opgenomen in het reclasseringsadvies.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren de navolgende algemene- dan wel bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* legt als algemene voorwaarden op dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

* legt als bijzondere voorwaarden op dat de veroordeelde:

- zich op uitnodiging meldt bij de reclassering;

- zich gedurende op door de reclassering bepaalde perioden blijft melden zo frequent als de reclassering dat nodig acht;

- zich ambulant laat behandelen in een instelling voor de geestelijke gezondheidszorg, zoals GGNet;

* geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Kleinrensink en Kropman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 juni 2012.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0630 2012007389-29, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 24 januari 2012.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p.62

3 Proces-verbaal van bevindingen, p.41

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte], p.20-21

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A], p.33-35