Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW8447

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
06/940255-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk. De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze, gedurende een periode van een aantal jaren, meermalen schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam, van zijn twee nichtjes die ten tijde van het tenlastegelegde nog (lang) geen zestien jaar oud waren. Bij zijn handelen heeft verdachte louter en alleen oog gehad voor zijn eigen behoeftebevrediging en heeft hij zich niet bekommerd om de gevoelens van de slachtoffers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940255-11

Uitspraak d.d.: 15 juni 2012

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1970 te plaats],

wonende aan [adres te plaats].

Raadsman: mr. B. Hartman, advocaat te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

1 juni 2012.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 november 2009 tot en met

31 maart 2011 te Ermelo en/of Kootwijk en/of Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer A], geboortedatum [1997], buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van haar lichaam, te weten,

- het brengen van zijn penis in haar mond en/of

- het (deels) brengen van zijn penis tussen haar schaamlippen en/of tegen haar vagina en/of

- het brengen van één of meer van zijn vingers in haar vagina en/of

- het likken in en/of van haar vagina en/of

- het tongzoenen met die [slachtoffer A] en/of

- het zich door die [slachtoffer A] laten aftrekken

terwijl die [slachtoffer A] toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt.

art 245 Wetboek van Strafrecht

2.

hij (op meerdere tijdstippen) op of omstreeks de periode van 22 augustus 2003 tot 22 augustus 2008 te Ermelo en/of Apeldoorn, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer B], geboortedatum [1992], buiten echt, een of meerdere ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

- het betasten van de billen en/of borsten van die [slachtoffer B] en/of

- het betasten van de vagina, in ieder geval de schaamstreek van [slachtoffer B] en/of

- het (tong-)zoenen van/met die [slachtoffer B],

terwijl die [slachtoffer B] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt;

art 247 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek2

Naar aanleiding van het verzoek van de wijkagent werd er op 30 maart 2011 door een medewerker van de afdeling zeden telefonisch contact opgenomen met het afdelingshoofd van [school te plaats]. Deze vertelde dat hij een gesprek had gehad met de veertienjarige [slachtoffer A], een leerling. [slachtoffer A] zou een relatie hebben met een veertigjarige oom, maar zij wilde niet vertellen om welke oom het ging.

Op 1 april 2011 hadden twee zedenrechercheurs een informatief gesprek met [slachtoffer A]. Zij vertelde dat haar eerste seksuele contact met de veertigjarige man ongeveer anderhalf jaar geleden was en dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Er had nog geen seksuele gemeenschap plaatsgevonden. Na deze informatie zijn de ouders van [slachtoffer A] ingelicht.

Op 19 april 2011 heeft [moeder slachtoffers] aangifte gedaan van seksueel misbruik van haar dochter [slachtoffer A], gepleegd door haar zwager [verdachte].

Nadat de zus van [slachtoffer A], [slachtoffer B], door de politie als getuige is gehoord, heeft zij op 25 mei 2011 aangifte gedaan tegen haar oom [verdachte] ten aanzien van de seksuele handelingen die hij bij haar zou hebben verricht.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de aan verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, met uitzondering van het tweede gedachtestreepje van feit 2. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

Voor wat betreft de feiten 1 en 2 heeft de raadsman aangevoerd dat tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, met uitzondering van het tweede gedachtestreepje van feit 2, een en ander zoals weergegeven in zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde op de bewezenverklaarde wijze heeft begaan en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen:

- de aangifte van [moeder slachtoffers]; 3

- de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer A]; 4

- de aangifte van het slachtoffer [slachtoffer B]; 5

- de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van de verdachte. 6

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is komen vast te staan hetgeen aan de verdachte in het tweede gedachtestreepje van feit 2 is tenlastegelegd, zodat hij van dit onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het

tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 november 2009 tot en met 31 maart 2011 te Ermelo en Kootwijk en Apeldoorn, met [slachtoffer A], geboortedatum

[1997], buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van haar lichaam, te weten,

- het brengen van zijn penis in haar mond en

- het (deels) brengen van zijn penis tussen haar schaamlippen en/of tegen haar vagina en

- het brengen van één of meer van zijn vingers in haar vagina en

- het likken in en/of van haar vagina en

- het tongzoenen met die [slachtoffer A] en

- het zich door die [slachtoffer A] laten aftrekken

terwijl die [slachtoffer A] toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt.

2.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 22 augustus 2003 tot 22 augustus 2008 te Ermelo en Apeldoorn, met [slachtoffer B], geboortedatum [1992], buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

- het betasten van de billen en borsten van die [slachtoffer B] en

- het tongzoenen van/met die [slachtoffer B],

terwijl die [slachtoffer B] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Naar de persoon van de verdachte is psychologisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het Pro Justitia rapport van drs. M.C. Overduin, psycholoog, van 31 oktober 2012.

In dit rapport wordt - onder meer - het volgende geconstateerd:

Er is bij verdachte in termen van DSM IV sprake van kenmerken van een dysthyme stoornis As I, terwijl op As II gesproken kan worden van een persoonlijkheidsstoornis NAO (Niet Anders Omschreven) met afhankelijke, vermijdende en narcistische trekken. Gezien de structurele aard van de problematiek was dit ook tijdens het tenlastegelegde aan de orde.

Verdachte beschikt vanuit de persoonlijkheidsopbouw over beperkte copingvaardigheden en weinig mogelijkheden om zelf sturing uit te oefenen op zijn leefsituatie, en daarmee controle uit te oefenen op spanningsintroducerende situaties en gebeurtenissen. Verdachte wordt als het ware overspoeld door gevoelens van onvrede, onmacht en eenzaamheid. Hij vervloeit met die personen die hem steun, zorg en bevrediging kunnen bieden. In de gedragskeuzes die hij maakt is hij op grond van zijn stoornis derhalve minder dan de gemiddelde mens in staat zijn keuzes te bepalen en zijn gedrag bij te sturen. Verdachte kan dan ook licht verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande - en in het voordeel van de verdachte - de verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen.

De verdachte is strafbaar nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren en de bijzondere voorwaarden als genoemd in het reclasseringsadvies van 16 augustus 2011.

De raadsman heeft verzocht om aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde van een intensief behandeltraject, eventueel in combinatie met een werkstraf. Zodoende zal het behandeltraject dat verdachte momenteel volgt niet worden afgebroken.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze, gedurende een periode van een aantal jaren, meermalen schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam, van zijn twee nichtjes die ten tijde van het tenlastegelegde nog (lang) geen zestien jaar oud waren. Bij zijn handelen heeft verdachte louter en alleen oog gehad voor zijn eigen behoeftebevrediging en heeft hij zich niet bekommerd om de gevoelens van de slachtoffers.

Beide meisjes bevonden zich ten tijde van de ontuchtige handelingen in een zeer kwetsbare fase van hun ontwikkeling: het begin van de puberteit. Door seksuele handelingen met hen te verrichten heeft verdachte misbruik gemaakt van het psychische en fysieke overwicht dat hij over hen had. Dat het bewezenverklaarde een grote impact op deze slachtoffers heeft gehad, blijkt ook uit de slachtofferverklaringen. De effecten van de strafbare handelingen van de verdachte op hun geestelijke en lichamelijke ontwikkeling zijn momenteel niet geheel te overzien.

De rechtbank rekent het verdachte extra aan dat hij, geruime tijd nadat hij gestopt was met het misbruik van [slachtoffer B], zich kennelijk onvoldoende bewust is geweest van het kwalijke van zijn handelen en hij vervolgens met [slachtoffer A] nóg verdergaande seksuele handelingen heeft verricht.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 14 mei 2012 niet eerder wegens het plegen van strafbare feiten is veroordeeld, alsmede met de omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting zijn oprechte spijt en/of compassie heeft getoond met de slachtoffers en hun naasten die door zijn gedrag zijn benadeeld.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van voornoemd Pro Justitia rapport, inhoudende onder meer de conclusie dat de verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. In het reclasseringsadvies van 16 augustus 2011 wordt geadviseerd verdachte in het kader van bijzondere voorwaarden te laten behandelen bij Forensisch Psychiatrische Polikliniek Kairos te Arnhem of een dergelijke instelling, hem een meldingsgebod en een verbod om contact met de slachtoffers op te leggen, alsmede een verbod om via sociale media contact te leggen met jongeren.

De rechtbank is, gelet op de strafoplegging in enigszins vergelijkbare zaken, van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf eventueel gecombineerd met een werkstraf, zoals door de verdediging is verzocht, onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde.

De rechtbank is dan ook, alles overwegende, van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur in combinatie met na te noemen bijzondere voorwaarden een passende en geboden reactie vormt.

Een proeftijd van vijf jaren als door de officier van justitie geëist, komt de rechtbank bovenmatig voor.

Vorderingen tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft mr. D.W. Jansen, advocaat te Twello, zich namens

[slachtoffer A] ([slachtoffer A]) en [slachtoffer B] ([slachtoffer B]) als benadeelde partij gevoegd. Voor [slachtoffer A] gaat het om geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde feit en voor [slachtoffer B] gaat het om geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij [slachtoffer A] vordert vergoeding van materiële schade van in totaal € 359,56 bestaande uit:

1. Kosten therapie psycholoog ad € 115,-

2. Telefoon- en portokosten ad € 150,-

3. Reiskosten ad € 94,56

Daarnaast vordert [slachtoffer A] een bedrag van € 7.500,- wegens immateriële schade ("voorschot" smartengeld).

De benadeelde partij [slachtoffer B] vordert vergoeding van materiële schade van in totaal € 390,- bestaande uit:

1. Kosten therapie psycholoog ad € 70,-

2. Eigen bijdrage ad € 170,-

3. Telefoon- en portokosten ad € 150,-

Daarnaast vordert [slachtoffer B] een bedrag van € 7.500,- wegens immateriële schade ("voorschot" smartengeld).

Ten aanzien van beide benadeelde partijen is over het smartengeld tot vermeerdering met de wettelijke rente verzocht vanaf het begin van de datum feiten tot aan de dag der algehele voldoening. Over de materiële schade wordt verzocht tot vermeerdering met de wettelijke rente vanaf de zitting bij de rechtbank op 1 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn door de verdediging voor wat betreft de hoogte van de immateriële schade betwist.

De rechtbank overweegt het navolgende.

[slachtoffer A]

De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schade valt aan te merken als schade die rechtstreeks aan de benadeelde partij is toegebracht als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit en dat deze post genoegzaam is onderbouwd. Dit onderdeel van de vordering, met een totaalbedrag van € 359,56 is derhalve toewijsbaar. De wettelijke rente over de genoemde materiële schade zal worden toegewezen vanaf de datum van aangifte, te weten 19 april 2011.

De rechtbank is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,-. De wettelijke rente over de genoemde immateriële schade zal worden toegewezen vanaf de datum van aangifte, te weten 19 april 2011.

Ten aanzien van het meer gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij [slachtoffer A] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Dit deel van de vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

[slachtoffer B]

De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schade valt aan te merken als schade die rechtstreeks aan de benadeelde partij is toegebracht als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde feit en dat deze post genoegzaam is onderbouwd. Dit onderdeel van de vordering, met een totaalbedrag van € 390,-, is derhalve toewijsbaar. De wettelijke rente over de genoemde materiële schade zal worden toegewezen vanaf de datum van aangifte, te weten 25 mei 2011.

De rechtbank is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 3.000,-. De wettelijke rente over de genoemde immateriële schade zal worden toegewezen vanaf de datum van aangifte, te weten 25 mei 2011.

Ten aanzien van het meer gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij [slachtoffer B] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Dit deel van de vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, welke kosten de rechtbank met inachtneming van het bovenstaande vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Betalingen aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 5.359,56 aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A].

Nu voorts vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 3.390,- aansprakelijk is voor de schade die door het 1 bewezenverklaarde is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36f, 57, 245 en 247 van het Wetboek van Strafrecht zoals zij golden ten tijde van de bewezenverklaarde feiten.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot acht (8) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt dat veroordeelde zich ambulant zal laten behandelen door Forensisch Psychiatrische Polikliniek Kairos te Arnhem of een dergelijke instelling. De veroordeelde zal zich dan houden aan regels die hem door of namens de leiding van die instelling zullen worden gegeven;

- dat veroordeelde zich binnen twee dagen na beëindiging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf en het onherroepelijk worden van het vonnis, zal melden bij de reclassering Nederland te Arnhem, en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden zo frequent als de reclassering dit nodig acht;

- dat veroordeelde zonder uitdrukkelijke toestemming van de reclassering op geen enkele wijze contact zal leggen of laten leggen met [slachtoffer A] en [slachtoffer B];

- dat veroordeelde op verzoek van de reclassering ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer A], van een bedrag van € 5.359,56 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2011 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A], een bedrag te betalen van € 5.359,56 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 april 2011, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal één en zestig (61) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer A] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer B], van een bedrag van € 3.390,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2011 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B], een bedrag te betalen van € 3.390,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 mei 2011, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal drieënveertig (43) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer B] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis;

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Van Valderen en Kleinrensink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Wegter, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 juni 2012.

Mr. Van Valderen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL06610 2011087240, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Noordwest Veluwe, gesloten en ondertekend op 1 juli 2011.

2 Stam proces-verbaal, p. 2-8

3 Proces-verbaal aangifte [moeder slachtoffers] ter zake seksueel misbruik van haar dochter [slachtoffer A],

p. 22-29

4 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer A], p. 30-46

5 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer B], p. 163-173

6 Proces-verbaal van de terechtzitting van 1 juni 2012