Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW8092

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
11-1361, 11-1541 en 11-1558
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BZ4952, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het bouwen van winkelruimte met 13 appartementen te Hengelo. Bij vervangende nieuwbouw dient slechts rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het project ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte vanwege het te slopen pand. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nrs.: 11/1361, 11/1541 en 11/1558

Uitspraak in de gedingen tussen:

1. [eiser A], [eiser B] en [eiser C],

2. [eiser D],

3. [eiser E], [eiseres F] en [eiser G BV],

alle te [plaats] (Gld.),

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Bronckhorst

verweerder.

[derde-partij B.V.].

te [plaats],

derde-partij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2011 heeft verweerder aan derde-partij een omgevingvergunning verleend voor, voor zover hier van belang, het bouwen van een winkelruimte met

13 appartementen op het perceel [perceel], kadastraal bekend gemeente [gemeente, kadastraal nummer] (hierna : het perceel).

Bij afzonderlijke besluiten van 13 september 2011 (hierna: de bestreden besluiten) heeft verweerder de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Eisers hebben afzonderlijk beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 22 mei 2012, waar namens eisers sub 1 mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn, is verschenen. Eiser sub 2 is in persoon verschenen en namens eisers sub 3 is [eiser F] verschenen, bijgestaan door

mr. P.A. Westerhout, werkzaam bij de Koninklijke Nederlandse Slagersorganisatie te Rijswijk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. IJsseldijk en

C.W.T. Beijer. Namens derde-partij is verschenen [naam 1 en naam 2].

2. Overwegingen

2.1 Het project voorziet in het slopen van de ter plaatse bestaande bebouwing en het bouwen van een geheel nieuw gebouw met winkelruimte en 13 appartementen.

Uitsluitend in geschil is de in bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunning, voor zover deze ziet op de activiteit bouwen.

2.2 Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, onder b en c, voor zover hier van belang, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, en onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien:

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening (…);

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan (…).

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Bronckhorst (hierna: Bouwverordening) moet, indien de omvang of bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of het stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik van of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, kan het college ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op bezwaren stuit;

b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.

2.3 Eisers sub 1 betogen dat ten onrechte geen link is gelegd met het nieuwe bestemmingsplan “Hengelo Dorp”. Voor zover eisers sub 1 hiermee beogen te betogen dat het project aan het nieuwe bestemmingsplan had dienen te worden getoetst overweegt de rechtbank als volgt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is op 14 januari 2011 ingediend, terwijl het ontwerp-bestemmingsplan op 3 februari 2011 ter inzage is gelegd. Niet gebleken is van gronden om de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning aan te houden als bedoeld in artikel 3.3 van de Wabo. Voorts is het op 30 juni 2011 vastgestelde bestemmingsplan “Hengelo Dorp” eerst op 23 september 2011 in werking getreden. Voor een toetsing aan het nieuwe bestemmingsplan was dan ook ten tijde van de bestreden besluiten van 13 september 2011 geen plaats.

2.4 Eisers sub 1 betogen voorts dat het project niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan “Hengelo-Kom 1993”. Eisers sub 1 hebben hierbij niet kunnen aangeven met welke voorschriften van dit bestemmingsplan het project niet in overeenstemming is.

De rechtbank is van oordeel dat het project in overeenstemming met de voorschriften van het bestemmingsplan is, waaronder artikel 12 “Centrumbebouwing”. Het betoog slaagt dan ook niet.

2.5 Eisers betogen gezamenlijk dat verweerder op onjuiste wijze heeft vastgesteld dat voldaan wordt aan de vereisten als bedoeld in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening.

2.6 De rechtbank overweegt, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 7 maart 2012, LJN: BV8044), dat bij vervangende nieuwbouw, zoals in dit geval, slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het project ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte vanwege het te slopen pand.

Niet in geschil is dat het te slopen pand een parkeerbehoefte met zich bracht van 22,145 parkeerplaatsen. Vaststaat dat niet voorzien was in enige parkeerruimte op het eigen terrein.

Verweerder heeft bij de berekening van de parkeerbehoefte ten gevolge van dit project aansluiting gezocht bij de door de stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond- Water- en Wegenbouw (CROW) gepubliceerde parkeerkencijfers.

Verweerder is uitgegaan van een parkeernorm van 1,8 voor 1 woning (midden), voor de overige 12 appartementen van een parkeernorm van 1,4 per woning en voor de winkelruimte van 400 m2 van een norm van 0,03 per m2. Aldus is de parkeerbehoefte voor het project vastgesteld op 30,6 parkeerplaatsen.

Eiser sub 2 en eisers sub 3 hebben de door verweerder gehanteerde normen voor de 12 appartementen bestreden.

De rechtbank ziet in hetgeen door en namens deze eisers is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte voor de 12 appartementen is uitgegaan van de categorie “woniningen goedkoop” en het onderdeel “ rest bebouwde kom”. Dat verweerder hierbij is uitgegaan van het laagste kengetal (1,4) acht de rechtbank, gelet op de in de CROW parkeerkencijfer aangegeven bandbreedte, niet onjuist. Voor zover door eisers sub 3 is aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het aandeel bezoekersparkeren in de norm, volgt de rechtbank deze stelling niet. Immers, blijkens de publicatie van de CROW van de parkeerkerncijfers is dit kencijfer inclusief het aandeel bezoekersparkeren.

Gelet op de in de oude situatie bestaande parkeerbehoefte van 22,145 parkeerplaatsen en in de nieuwe situatie vastgestelde parkeerbehoefte van 30,6, dient de toename van de parkeerbehoefte te worden vastgesteld op 8,455. Nu het project voorziet in het realiseren van 13 parkeerplaatsen op het eigen terrein en, nu het gaat om vervangende nieuwbouw, is verweerder met juistheid tot de conclusie gekomen dat het project voldoet aan de vereisten van artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening.

Voor zover door eisers sub 1 nog is gewezen op het rapport van Royal Haskoning van 14 juli 2009 terzake van de parkeerdruk in het centrum van Hengelo (Gld.) overweegt de rechtbank dat dit onderzoek niet aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd en dat dit onderzoek bij de bepaling van de parkeerbehoefte ten gevolge van dit project geen rol kan spelen.

2.7 Tot slot is door eisers sub 1 en eiser sub 2 de noodzaak van de nieuw te bouwen appartementen en winkelruimte bestreden en is door eiser sub 2 de vrees voor toename van overlast van verkeer, geluid, trillingen en verkeershandelingen en de vrees voor het ontstaan van verkeersonveilige situaties naar voren gebracht. De rechtbank overweegt dat deze

gronden, gelet op het limitatief-imperatieve toetsingskader van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, niet kunnen leiden tot het daarmee beoogde doel.

2.8 Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen ongegrond. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2012.