Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW8072

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
1/1400 VEROR, 11/1479 VEROR, 11/1661 WABOA, 11/1713 WABOA
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:541, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Appellante heeft verzocht om verweerder te veroordelen tot het betalen van een dwangsom en/of tot betaling van een schadevergoeding op grond van een door verweerder gepleegde onrechtmatige daad. Ter onderbouwing heeft zij aangevoerd dat verweerder ten onrechte naar aanleiding van een door haar verzonden ingebrekestelling een beslissing op bezwaar heeft genomen, zonder het advies van de ingestelde adviescommissie af te wachten. De Rb. overweegt dat, daargelaten of aan de voorwaarden voor het verschuldigd zijn door verweerder van een dwangsom is voldaan, op grond van art. 4:18 Awb het bestuursorgaan (eerst) de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking dient vast te stellen. Gesteld noch gebleken is dat van een dergelijk besluit sprake is, zodat van het meenemen van een dergelijk besluit in de onderhavige procedure op de voet van art. 4:19 Awb geen sprake kan zijn. De Rb. ziet evenmin grond voor een veroordeling van verweerder tot vergoeding van schade op grond van art. 8:73 van de Awb, nu gesteld noch gebleken is dat appellante schade heeft geleden door het bestreden besluit. Voor zover appellante heeft beoogd te betogen dat haar schade is gelegen in het mislopen van een dwangsom, overweegt de Rb. dat een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen is bedoeld als een financiële prikkel voor het bestuursorgaan om tijdig een besluit te nemen en niet als een genoegdoening voor door een belanghebbende geleden schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nrs.: 11/1400 VEROR, 11/1479 VEROR, 11/1661 WABOA, 11/1713 WABOA

Uitspraak in het geding tussen:

1. Stichting tot behoud natuurwaarden Konijnenkamp, Engelanderenk en Spelderholt,

te Beekbergen, gemeente Apeldoorn,

hierna te noemen SBNE;

2. Stichting Werkgroep voor Milieuzorg Apeldoorn

te Apeldoorn,

hierna te noemen SWMA,

hierna gezamenlijk te noemen eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn

verweerder.

[naam BV]

te [plaats],

derde-partij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2010 heeft verweerder aan [naam BV] (hierna te noemen: [naam BV]) een kapvergunning verleend voor het vellen van 80 bomen en 8.275 m2 bosplantsoen op het perceel Spelderholt te Beekbergen.

Bij afzonderlijke besluiten van 25 augustus 2011 heeft verweerder de door eisers hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 28 september 2011 heeft verweerder naar aanleiding van op 30 september 2010 ingekomen bouwaanvragen een projectbesluit genomen en bouwvergunningen verleend aan [naam BV] voor het oprichten van elf villa’s, een woning en een appartementengebouw (20 appartementen) met parkeerkelder op het perceel Spelderholt te Beekbergen.

Eisers hebben elk tegen het tot hen gerichte besluit van 25 augustus 2011, alsmede tegen het besluit van 28 september 2011 beroep ingesteld. De beroepen van SBNE zijn geregistreerd onder nr. 11/1479 VEROR (kapvergunning) en 11/1661 WABOA (projectbesluit en bouwvergunningen), die van SWMA onder nr. 11/1400 VEROR (kapvergunning) en 11/1713 WABOA (projectbesluit en bouwvergunningen).

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en verweerschriften ingezonden.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van 13 februari 2012, waar SBNE is vertegenwoordigd door [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4] en SWMA door [naam 5]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.

M. Kuilder, mr. A.R. Franken, G.L. ter Brugge en A. Dekker. [naam BV] is vertegenwoordigd door [naam 6], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis.

De rechtbank heeft in de zaken betreffende het projectbesluit en de bouwvergunningen het onderzoek heropend en bij brief van 16 maart 2012 verzocht om het inbrengen van nadere stukken.

In de zaken betreffende de kapvergunning heeft de rechtbank partijen bij brief van 28 maart 2012 bericht dat in alle hier aan de orde zijnde zaken gelijktijdig uitspraak zal worden gedaan.

Na ontvangst van de gevraagde stukken heeft de rechtbank vervolgens, met schriftelijke toestemming van partijen, bepaald dat nader onderzoek ter zitting in de zaken betreffende het projectbesluit en de bouwvergunningen achterwege blijft en het onderzoek in die zaken op 23 april 2012 gesloten.

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2.1.1. [naam BV] is eigenaar van [manege] gelegen aan de [adres te plaats]. Beoogd wordt deze manege te verplaatsen naar het landgoed Spelderholt te Beekbergen. Op de huidige locatie van de manege wordt onder meer beoogd te voorzien in de bouw van een viertal woningen. Op Spelderholt wordt naast de manege beoogd te voorzien in de bouw van elf villa’s, een woning en een appartementengebouw met twintig appartementen en een parkeerkelder.

2.1.2. Deze plannen passen niet binnen het geldende bestemmingsplan “Stuwwalrand Parkzone Zuid”. Om de plannen mogelijk te maken heeft de raad van de gemeente Apeldoorn daarom op 9 juli 2009 het bestemmingsplan “Spelderholt-Riant” vastgesteld.

2.1.3. Bij uitspraak van 4 maart 2010 heeft de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), bij wijze van voorlopige voorziening, het besluit van de raad van de gemeente Apeldoorn van 9 juli 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan “Spelderholt-Riant” geschorst (zaaknummer 200907569/2/R3).

2.1.4. Op 3 september 2010 heeft [naam BV] de voorzitter van de Afdeling verzocht om de op 4 maart 2010 getroffen voorlopige voorziening op te heffen, dan wel te wijzigen in die zin dat alvast met de bouw van de voorziene elf villa’s, twintig appartementen en een woning kan worden begonnen. Bij uitspraak van 21 december 2010 is dit verzoek afgewezen (zaaknummer 200907569/3/R2).

2.1.5. Op 30 september 2010 heeft verweerder van [naam BV] bouwaanvragen ontvangen voor de bouw van elf villa’s, een woning en een appartementengebouw (20 appartementen) met parkeerkelder op het perceel Spelderholt te Beekbergen. Eveneens op 30 september 2010 heeft verweerder van [naam BV] een aanvraag ontvangen voor een kapvergunning ten behoeve van het vellen van de houtopstanden conform de bij de aanvraag behorende tekening.

2.1.6. Verweerder heeft op 4 mei 2011 bekend gemaakt dat zij het voornemen heeft om door middel van het verlenen van een projectbesluit de door [naam BV] voorgestane woningbouw toe te staan. Het ontwerp van het projectbesluit heeft met ingang van 19 mei 2011 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Eisers hebben over dit ontwerpbesluit zienswijzen naar voren gebracht.

2.1.7. Bij uitspraak van 29 september 2011 heeft de Afdeling het besluit van de raad van de gemeente Apeldoorn van 9 juli 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan “Spelderholt-Riant” vernietigd (zaaknummer 200907569/1/R2).

2.2. In het navolgende zullen eerst de beroepen gericht tegen de kapvergunning aan de orde komen. Vervolgens zullen de beroepen gericht tegen het projectbesluit en de bouwvergunningen worden beoordeeld.

De kapvergunning

2.3. Op grond van artikel 4.5.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2006 van de gemeente Apeldoorn (hierna: APV 2006), zoals deze verordening gold ten tijde hier van belang, is het verboden om zonder vergunning van het bevoegde gezag houtopstand te vellen of te doen vellen anders dan bij wijze van dunning. Op grond van artikel 4.5.5, eerste lid, kan het bevoegd gezag de vergunning zoals bedoeld in artikel 4.5.2 weigeren dan wel onder voorschriften verlenen, in het belang van de handhaving van:

- natuur- en milieuwaarden;

- landschappelijke waarden;

- cultuurhistorische waarden;

- waarden van stads- en dorpsschoon;

- waarden voor recreatie en leefbaarheid.

2.4. Eisers hebben ten aanzien van de kapvergunning betoogd dat verweerder de kapvergunning had moeten weigeren of de besluitvorming over de aanvraag had moeten aanhouden, omdat de aanvraag verband houdt met de bouwplannen van [naam BV] en er over deze bouwplannen nog wordt geprocedeerd.

2.4.1. Dit betoog slaagt niet. Het van toepassing zijnde regime voorziet niet in een mogelijkheid tot weigering van de gevraagde vergunning, danwel aanhouding van de besluitvorming op de genoemde grond. De rechtbank merkt daarbij nog op dat verweerder in verband met de samenhang tussen de voorgestane kap en de bouwplannen, in het bestreden besluit de voorwaarde heeft opgenomen dat vergunninghouder niet eerder dan twee weken na het verlenen van een bouwvergunning voor het betrokken gebied uitvoering mag geven aan de kapvergunning, om eisers voldoende tijd te geven om – desgewenst – een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen.

2.5. Eisers hebben verder betoogd dat aan de kapvergunning een gebrek kleeft omdat uit de vergunning niet blijkt welke bomen en delen bosplantsoen mogen worden geveld.

2.5.1. De rechtbank overweegt hierover als volgt. De rechtbank stelt vast dat in de kapvergunning enkel is vermeld het aantal te vellen bomen, de omvang van het te vellen bosplantsoen en het perceel waarop deze bomen en dit bosplantsoen staan. Ter zitting heeft verweerder ter verduidelijking van de kapplannen een aantal kaarten overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ter zitting aan de hand van deze kaarten genoegzaam duidelijk kunnen maken welke bomen en welke delen bosplantsoen [naam BV] wil kappen. De rechtbank stelt echter vast dat deze kaarten geen onderdeel uitmaken van de verleende kapvergunning, zodat bij de beoordeling van de kapvergunning met de door deze kaarten geboden duidelijkheid geen rekening kan worden gehouden.

2.5.2. Vast staat dat op het desbetreffende perceel meer bomen en meer vierkante meter bosplantsoen staan dan waarvoor kapvergunning is aangevraagd. Gelet op het voorgaande is op basis van de kapvergunning zoals die is verleend dan ook onduidelijk voor het vellen van welke bomen en welk bosplantsoen precies vergunning is verleend. Er is daarom sprake van strijd met het beginsel van rechtszekerheid. Buiten twijfel dient te zijn op welke bomen en op welk bosplantsoen de vergunning betrekking heeft.

2.5.3. Het betoog van eisers treft doel. De bestreden besluiten kunnen geen stand houden.

2.6. Eisers hebben ook betoogd dat verweerder ten onrechte aan het verlenen van de kapvergunning ten grondslag heeft gelegd dat hij niet bevoegd was om de gevraagde vergunning te weigeren omdat zich geen van de in artikel 4.5.5, eerste lid, van de APV 2006 genoemde weigeringsgronden voordoet.

2.6.1 De rechtbank overweegt hierover als volgt. Verweerder heeft gesteld dat uit onderzoek is gebleken dat de te kappen bomen, de natuurlijke begroeiing en het sierplantsoen niet van waarde zijn voor de landschapselementen en ecologie aldaar en zich op basis daarvan op het standpunt gesteld dat zich geen van de genoemde weigeringsgronden voordoet. Het onderzoek waarnaar verweerder verwijst maakt echter geen onderdeel uit van de bestreden besluiten, is niet in het bezit van eisers en bevindt zich ook niet in het procesdossier. Gelet daarop moet worden geoordeeld dat het standpunt van verweerder in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet berust op een deugdelijke kenbare motivering. Dit klemt temeer nu het naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer aannemelijk is dat er bij het vellen van 80 bomen en 8.275 m2 bosplantsoen op een plek als hier aan de orde, in het geheel geen natuur-, milieu- of landschappelijke waarden zijn betrokken. Ook hierom kunnen de bestreden besluiten geen stand houden.

2.7. De beroepen van eisers zijn gezien het voorgaande gegrond. De bestreden besluiten van 25 augustus 2011 zullen worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen om met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen opnieuw op de bezwaren van eisers te beslissen. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat indien en voor zover verweerder zijn besluitvorming (wederom) baseert op het vorenbedoelde onderzoek, of enig ander (nader) onderzoek, zij ook inzage in dit onderzoek dient te verschaffen, zoals ook door SBNE is verzocht.

2.7.1. Anders dan eisers hebben verzocht zal de rechtbank niet zelf in de zaak voorzien door de bij besluit van 22 december 2010 verleende kapvergunning te herroepen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder gelet op het bepaalde in artikel 4.5.5 van de APV 2006 een discretionaire bevoegdheid heeft om de kapvergunning te verlenen of te weigeren, ook indien blijkt dat er bij het vellen van de houtopstand te beschermen waarden zijn betrokken. Het is primair aan verweerder om de noodzakelijke afweging te maken.

2.7.2. Ook overigens ziet de rechtbank onvoldoende grond om in het kader van deze lopende procedure te komen tot finale geschilbeslechting.

2.8. SBNE heeft nog verzocht om verweerder te veroordelen tot het betalen van een dwangsom en/of tot betaling van een schadevergoeding op grond van een door verweerder gepleegde onrechtmatige daad. Ter onderbouwing heeft SBNE aangevoerd dat verweerder ten onrechte naar aanleiding van een door haar verzonden ingebrekestelling een beslissing op bezwaar heeft genomen, zonder het advies van de ingestelde adviescommissie af te wachten.

2.8.1. De rechtbank overweegt dat, daargelaten of aan de voorwaarden voor het verschuldigd zijn door verweerder van een dwangsom is voldaan, op grond van artikel 4:18 van de Awb het bestuursorgaan (eerst) de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij beschikking dient vast te stellen. Gesteld noch gebleken is dat van een dergelijk besluit sprake is, zodat van het meenemen van een dergelijk besluit in de onderhavige procedure op de voet van 4:19 van de Awb geen sprake kan zijn. De rechtbank ziet evenmin grond voor een veroordeling van verweerder tot vergoeding van schade op grond van artikel 8:73 van de Awb, nu gesteld noch gebleken is dat SBNE schade heeft geleden door het bestreden besluit. Voor zover SBNE heeft beoogd te betogen dat haar schade is gelegen in het mislopen van een dwangsom, overweegt de rechtbank dat een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen is bedoeld als een financiële prikkel voor het bestuursorgaan om tijdig een besluit te nemen en niet als een genoegdoening voor door een belanghebbende geleden schade.

2.9. Nu de bestreden besluiten van 25 augustus 2011 worden vernietigd, het gelet op wat hiervoor is overwogen onzeker is of de kapvergunning in de nieuw te nemen beslissing op bezwaar (volledig) gehandhaafd wordt en gebruik van de kapvergunning zou leiden tot onomkeerbare gevolgen, is er aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen. Het primaire besluit van 22 december 2010 zal worden geschorst tot twee weken nadat op de tegen de kapvergunning gemaakte bezwaren is beslist. De rechtbank tekent daarbij aan dat haar bekend is dat door [naam BV], in strijd met door haar gedane toezeggingen, inmiddels kapwerkzaamheden zijn verricht, maar dat de rechtbank niet is gebleken dat alle bomen en bosplantsoen waarvan het vellen wordt beoogd ook reeds feitelijk zijn/is geveld.

2.10. De rechtbank is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Het projectbesluit en de bouwvergunningen

2.11. Er is aanleiding om ambtshalve te beoordelen of rechtstreeks beroep open stond tegen de verlening van de bouwvergunningen.

2.11.1. Op grond van artikel 46, vierde lid, van de Woningwet (Ww), zoals deze bepaling luidde ten tijde van belang, wordt in de situatie, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning voorbereid overeenkomstig de procedure die van toepassing is op de voorbereiding van de beslissing omtrent de aanvraag om een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wro.

Op grond van het zesde lid worden de beslissingen omtrent een aanvraag om een beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning en een beslissing omtrent een aanvraag om een ontheffing, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wro, voor zover deze beslissing ziet op het bouwen waarop de aanvraag om bouwvergunning betrekking heeft, voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Awb als één besluit aangemerkt. De beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning treedt niet eerder in werking dan een op dat bouwen betrekking hebbende beslissing krachtens de Wro als bedoeld in de eerste volzin.

2.11.2. Het projectbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Gelet op de geciteerde wetsartikelen hadden de bouwvergunningen derhalve ook met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb moeten worden voorbereid. Dit betekent concreet dat verweerder ontwerpbesluiten van de te verlenen bouwvergunningen ter inzage had moeten leggen, waaromtrent vervolgens door een ieder zienswijzen naar voren hadden kunnen worden gebracht. De rechtbank stelt, na het onderzoek hiervoor te hebben heropend en verweerder in de gelegenheid te hebben gesteld om eventueel ter inzage gelegde ontwerpbesluiten te overleggen, vast dat er geen ontwerpbesluiten van de te verlenen bouwvergunningen ter inzage hebben gelegen. Ook in de publicatie van het ontwerpbesluit in het huis-aan-huisblad “GemeenteNieuws” van 18 mei 2011 is niet aangegeven dat er – naast het ontwerp-projectbesluit – ontwerpbesluiten van te verlenen bouwvergunningen ter inzage liggen. Dit betekent dat de bouwvergunningen in strijd met de wet niet zijn voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Dat bij het ontwerp-projectbesluit ook de bouwaanvragen ter inzage hebben gelegen is, anders dan verweerder kennelijk meent, onvoldoende voor een andersluidend oordeel. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011 (LJN: BR4646).

2.11.3. Gelet op het voorgaande is er een situatie ontstaan waarbij een projectbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, zodat hiertegen in beginsel rechtstreeks beroep openstaat, terwijl daarmee samenhangende bouwvergunningen niet op deze wijze zijn voorbereid, zodat hiertegen in beginsel eerst bezwaar moet worden gemaakt alvorens beroep kan worden ingesteld. Over deze situatie heeft deze rechtbank eerder bij uitspraak van 15 februari 2012 (zaak met reg.nr. 11-233 WOW44) geoordeeld. Overwogen is in die zaak dat het bepaalde in artikel 46, vierde en zesde lid, van de Ww met zich brengt dat in een situatie als deze – anders dan voorheen (uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2007 (LJN: BA8695) – de ontheffingsprocedure leidend is en dat dit betekent dat rechtstreeks beroep openstaat tegen met het ruimtelijk besluit samenhangende bouwvergunningen, ook al zijn deze ten onrechte niet met toepassing van de afdeling 3.4 van de Awb voorbereid. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen.

2.11.4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de beroepen van eisers tegen het projectbesluit en de bouwvergunningen ontvankelijk zijn.

2.11.5. Eisers hebben niet gesteld dat zij door de schending van afdeling 3.4 van de Awb in hun belangen zijn geschaad. Niet gebleken is voorts dat andere potentiële belanghebbenden in hun belangen zijn geschaad.

2.12. Eisers hebben ten aanzien van het projectbesluit allereerst betoogd dat verweerder niet bevoegd was om op grond van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) – zoals deze wet gold op 30 september 2010 – een projectbesluit te nemen. Volgens eisers vallen de bouwaanvragen van [naam BV] buiten het overgangsrecht van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), omdat verweerder ze pas op 4 mei 2011 heeft aangemerkt als een aanvraag voor een projectbesluit.

2.12.1. Op grond van artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Invoeringswet Wabo) blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend.

Op grond van artikel 1.5, eerste lid, wordt – voor zover hier relevant – een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wro dat onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo van kracht en onherroepelijk is, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van die wet. Op grond van het tweede lid is artikel 1.2, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

2.12.2. Gelet op deze overgangsrechtelijke bepalingen is het recht zoals dat gold voor

1 oktober 2010 alleen dan van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van het projectbesluit, indien [naam BV] ook al voor die datum het projectbesluit heeft aangevraagd. Op grond van artikel 46, derde lid, aanhef en onder b, van de Woningwet (Ww), zoals deze wet gold op 30 september 2010 en voor zover hier relevant, wordt de aanvraag om een bouwvergunning waarvan het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan tevens aangemerkt als een aanvraag om een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro. De bouwaanvragen van 30 september 2010 dienden daarom tevens te worden aangemerkt als een aanvraag om een projectbesluit. Rechtens is dus sprake van een al op 30 september 2010 ingediende aanvraag om een projectbesluit. Dat verweerder daarnaar pas in mei 2011 heeft gehandeld, kan daaraan niet afdoen.

2.12.3. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht op de aanvraag van [naam BV] het recht zoals dat gold onmiddellijk voor 1 oktober 2010 toegepast. Het andersluidende betoog van eisers faalt.

2.13. Daarnaast heeft SBNE betoogd dat verweerder niet bevoegd was om het projectbesluit te nemen, omdat het aangevraagde projectbesluit betrekking heeft op een bouwplan dat al is neergelegd in het bestemmingsplan “Spelderholt-Riant”. Ten tijde van het nemen van het projectbesluit waren partijen over dit bestemmingsplan in een gerechtelijke procedure verwikkeld, waarbij de Afdeling een voor verweerder ongunstige uitspraak heeft gedaan. Volgens SBNE heeft verweerder door het nemen van het projectbesluit getracht om deze uitspraak van de Afdeling te omzeilen. Een dergelijk gebruik van de bevoegdheid om een projectbesluit te verlenen is in strijd met zowel het verbod van détournement de pouvoir als met een analoge toepassing van artikel 3.14 van de Wro, aldus SNBE.

2.13.1. Ook dit betoog kan echter niet slagen. Er is geen rechtsregel waaruit voortvloeit dat in de hier aan de orde zijnde omstandigheden niet (langer) de bevoegdheid bestaat om een projectbesluit te nemen. Een rechterlijk oordeel over het bestemmingsplan heeft mogelijk consequenties voor de aan de ruimtelijke onderbouwing van het projectbesluit te stellen eisen, maar raakt niet de formele bevoegdheid om een projectbesluit te nemen. Evenmin is er sprake van strijd met artikel 3:3 van de Awb. Verweerder gebruikt zijn bevoegdheid om een projectbesluit te nemen immers voor geen ander doel dan het doel waarvoor hem die bevoegdheid is verleend; het mogelijk maken van een bouwplan dat anders wegens strijd met het bestemmingsplan niet gerealiseerd zou kunnen worden.

2.14. Voorts hebben eisers betoogd dat het projectbesluit niet op een deugdelijke motivering berust, omdat verweerder in de ruimtelijke onderbouwing hoofdzakelijk verwijst naar het inmiddels vernietigde bestemmingsplan “Spelderholt-Riant”. Volgens eisers had verweerder hiermee niet kunnen volstaan, maar had het projectbesluit een op zichzelf staande motivering van enkel de woningbouw moeten bevatten.

2.14.1. Op grond van artikel 3.10, eerste lid, van de Wro kan de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project van gemeentelijk belang een projectbesluit nemen.

Op grond van het tweede lid van dit artikel bevat het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing van het project.

Op grond van het vierde lid van dit artikel kan de gemeenteraad de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, delegeren aan burgemeester en wethouders.

Op grond van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wro wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder projectbesluit verstaan: besluit, inhoudende dat ten behoeve van de verwezenlijking van een project, dat een of meer bouwwerken, werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden of het daarbij behorende gebruik kan omvatten en dat afwijkt van het geldende bestemmingsplan, dit bestemmingsplan buiten toepassing blijft

2.14.2. Vast staat dat de onderhavige bouwaanvragen onderdeel uitmaken van een groter plan, zoals hiervoor kort weergegeven onder 2.1.1. en dat om dit plan mogelijk te maken op 9 juli 2009 het bestemmingsplan “Spelderholt-Riant” is vastgesteld.

Uit de bij het projectbesluit behorende ruimtelijke onderbouwing en de ter zitting hierop door verweerder gegeven toelichting blijkt dat verweerder de woningbouw ook nu nog ziet als onderdeel van het totaalplan en dat dit projectbesluit dient om vooruitlopend op de inwerkingtreding van het bestemmingsplan “Spelderholt-Riant” alvast een deel van het totaalplan te laten verwezenlijken. In de ruimtelijke onderbouwing is ook voornamelijk gebruik gemaakt van documenten die zijn opgesteld in het kader van het bestemmingsplan “Spelderholt-Riant”, zoals de plankaart, de planvoorschriften en meerdere milieurapportages. De ruimtelijke onderbouwing van de woningbouw is in de kern gelijk aan de ruimtelijke onderbouwing van het totaalplan.

2.14.3. De rechtbank is, anders dan verweerder en ook [naam BV], van oordeel dat niet uit de onder 2.1.7. genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 september 2011 reeds volgt dat de thans aan de orde zijnde bouwplannen passen binnen een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling heeft in rechtsoverweging 2.4.2 van die uitspraak overwogen geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat woningbouw ter plaatse aanvaardbaar is gelet op de landschappelijke waarde van het gebied. Uit wat verder is overwogen blijkt echter dat dit een oordeel is over de beoogde woningbouw in relatie tot de overige in het bestemmingsplan neergelegde beoogde ontwikkelingen. Genoemd is de sloop van bebouwing, de realisatie van nieuwe natuur en het herstellen van landschap. Daar komt nog bij dat van de kant van eisers onbetwist is gesteld dat de locatie van de beoogde woningbouw, anders dan in de uitspraak van de Afdeling is verwoord, niet op het laagste maar op het hoogste punt van de enk is gesitueerd.

2.14.4. De rechtbank overweegt vervolgens dat in beginsel een ruimtelijk besluit waaraan een later vernietigd bestemmingsplan als ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd, niet in stand kan blijven (de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2005, LJN: AU7544). Naar het oordeel van de rechtbank kan deze hoofdregel uitzondering lijden indien de grond voor vernietiging van het bestemmingsplan volledig los staat van het deel van het bestemmingsplan dat is neergelegd in het ruimtelijk besluit. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2011, is het bestemmingsplan “Spelderholt-Riant” onder meer vernietigd omdat op de plankaart geen bouwvlakken zijn weergegeven en in de planregels geen doeleindenomschrijving van de bestemming “Groen (G)” is opgenomen. De rechtbank stelt vast dat deze gebreken in de ruimtelijke onderbouwing van het projectbesluit niet zijn hersteld, terwijl – zoals hiervoor is overwogen – het betreffende bestemmingsplan inclusief de plankaart en planregels ten grondslag is gelegd aan de ruimtelijke onderbouwing van het projectbesluit. Nu niet gezegd kan worden dat deze aspecten van het vernietigde bestemmingsplan qua ruimtelijke inrichting volledig losstaan van de onderhavige bouwplannen, is de rechtbank van oordeel dat het projectbesluit niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

2.14.5. Eisers kunnen voorst worden gevolgd in hun standpunt voor zover zij hebben gesteld dat de ruimtelijke onderbouwing er geen, althans onvoldoende blijk van geeft dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van sec het nu voorliggend bouwplan is beoordeeld. Een goede ruimtelijke onderbouwing vereist dat ook wordt onderzocht wat de relatie van het nu voorliggend bouwplan is tot de thans bestaande ruimtelijke situatie. Derhalve los van de overige in het bestemmingsplan “Spelderholt-Riant” voorziene ontwikkelingen, die immers geen deel uitmaken van het nu voorliggende plan. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing echter niet dat dit daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het enkele feit dat op punten in de ruimtelijke onderbouwing is bekeken welke delen van de in het kader van het totaalplan opgestelde rapporten betrekking hebben op de woningbouw, is onvoldoende voor een andersluidend oordeel. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt ook niet wat er overblijft van de voorgestane (landschappelijke) herinrichting van Spelderholt in geval het totaalplan niet tot uitvoering zou (kunnen) worden gebracht. Ook het voorgaande maakt dat het projectbesluit niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

2.14.6. Verder blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing niet dat de bouw van de geplande appartementen en villa’s vanuit het oogpunt van een goede volkshuishouding wenselijk is. Weliswaar heeft verweerder in de ruimtelijke onderbouwing verwezen naar de Woonvisie Apeldoorn 2010, maar naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit wat in dit kader is opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing niet dat er behoefte is aan dure appartementen en villa’s in Beekbergen. Eisers hebben dit betwist. Het is in het verlengde daarvan voorts onduidelijk of er in economisch opzicht voldoende vraag is naar de te bouwen appartement en villa’s. Niet ten onrechte zijn daarom ook kanttekeningen geplaatst bij de financiële haalbaarheid van de voorliggende bouwplannen. Daarbij is mede van belang de economische situatie en de situatie op de woningmarkt. Ook om deze reden is de rechtbank van oordeel dat het projectbesluit niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

2.14.7. Nu de aan het projectbesluit ten grondslag gelegde ruimtelijke onderbouwing naar het oordeel van de rechtbank niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, moet worden geconcludeerd dat verweerder niet bevoegd was om op grond van artikel 3.10, eerste lid, van de Wro het onderhavige projectbesluit te nemen. Het projectbesluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

2.14.8. Het voorgaande impliceert dat ook de verleende bouwvergunningen moeten worden vernietigd. Er is immers sprake van strijd met het vigerende bestemmingsplan “Stuwwalrand Parkzone Zuid”.

2.15. De beroepen zijn gegrond en het bestreden besluit van 28 september 2011 zal worden vernietigd. De rechtbank ziet onvoldoende grond om in het kader van deze lopende procedure te komen tot finale geschilbeslechting. Verweerder zal opnieuw op de aanvragen van [naam BV] dienen te beslissen.

2.16. De rechtbank is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

in de zaken met reg.nrs 11/1400 VEROR en 11/1479 VEROR (kapvergunning):

- verklaart de beroepen van eisers gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 25 augustus 2011;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan elk van eisers het door hen betaalde griffierecht van € 302,-- vergoedt;

- schorst het primaire besluit van 22 december 2010 tot twee weken nadat verweerder opnieuw op de tegen dit besluit gerichte bezwaren heeft beslist;

in de zaken met reg.nrs 11/1661 WABOA en 11/1713 WABOA (projectbesluit en bouwvergunningen).

- verklaart de beroepen van eisers gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 28 september 2011;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder aan elk van eisers het door hen betaalde griffierecht van € 302,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J.P. Lambooij. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2012.