Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW8070

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
11/1435 WABOA
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:323, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenen omgevingsvergunning om in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan een recreatiewoning permanent te bewonen, met de kanttekening dat deze vergunning een persoonsgebonden karakter heeft.

Vergunninghouder pacht in een recreatiepark een perceel met daarop een recreatiewoning. Vergunninghouder wil permanent in de woning (blijven) wonen. Dit is echter in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Herziening 1996". Eiseres exploiteert het recreatiepark en wil het oorspronkelijke karakter van dit park respecteren. Daarom verzet zij zich tegen permanente bewoning van de ter plaatse aanwezige recreatiewoningen.

Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mag het bestuursorgaan geen vrijstelling of ontheffing van een bestemmingsplan verlenen, indien een evidente privaatrechtelijke belemmering aan het verlenen van zo’n vrijstelling of ontheffing in de weg staat.

De rb. ziet geen grond voor de verwachting dat de zojuist bedoelde jurisprudentie niet geldt als het gaat om het verlenen van een omgevingsvergunning in de zin van art. 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, met toepassing van art. 2.12 van de Wabo.

Vervolgens constateert de rb. dat vergunninghouder handelt in strijd art. 7 van de tussen haar en eiseres gesloten erfpachtovereenkomst , door de woning voor permanente bewoning te gebruiken. Art. 7 bepaalt dat permanente bewoning van het verblijf niet is toegestaan.

Naar het oordeel van de rb. moet het handelen in strijd met art. 7 van de overeenkomst worden aangemerkt als een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan het verlenen van een omgevingsvergunning in de weg staat. Dit oordeel wijzigt niet doordat de kantonrechter een tussentijdse ontbinding van de pachtovereenkomst niet gerechtvaardigd acht. Het in stand blijven van de overeenkomst laat immers onverlet dat vergunninghouder tekort schiet in de nakoming van haar verplichtingen jegens eiseres, en dat eiseres mogelijkheden heeft om hieraan consequenties te verbinden.

Verweerder had de gevraagde omgevingsvergunning niet mogen verlenen. Verklaart het beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 11/1435 WABOA

Uitspraak in het geding tussen:

[recreatiepark] B.V.”,

te [plaats],

eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet,

verweerder.

[derde-partij]

te [plaats],

derde-partij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2011 (hierna: primair besluit) heeft verweerder aan de derde-partij (hierna: vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend om in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan een recreatiewoning permanent te bewonen, met de kanttekening dat deze vergunning een persoonsgebonden karakter heeft.

Bij besluit van 15 augustus 2011 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Op 22 september 2011 heeft eiseres beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 29 mei 2012. De gemachtigde van eiseres,

mr. G. Janssen, was daarbij aanwezig; hij werd vergezeld door [naam] (werkzaam bij het recreatiebedrijf van eiseres). Verweerder liet zich vertegenwoordigen door P.J. Bos en

P. de Laat. Vergunninghouder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Vergunninghouder pacht in[recreatiepark te plaats] een perceel met [kavelnummer] (hierna: perceel). Op het perceel staat een recreatiewoning (hierna: woning). Vergunninghouder wil permanent in de woning (blijven) wonen. Dit is echter in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Herziening 1996” (hierna: bestemmingsplan). Een en ander heeft geleid tot de aanvraag van 14 januari 2011 en uiteindelijk het bestreden besluit.

Verweerder meent dat vergunninghouder voldoet aan alle voorwaarden voor het verlenen van een persoonsgebonden omgevingsvergunning die krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) zijn gesteld, en overigens dat permanente bewoning van de woning planologisch aanvaardbaar is.

2.2 Eiseres exploiteert [recreatiepark] en wil het oorspronkelijke karakter van dit park respecteren. Daarom verzet zij zich tegen permanente bewoning van de ter plaatse aanwezige recreatiewoningen.

Eiseres staat op het standpunt dat vergunninghouder geen aanspraak maakt op een (persoonsgebonden) vergunning voor de permanente bewoning van de woning.

Ter onderbouwing van dit standpunt betoogt eiseres allereerst dat vergunninghouder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet voldeed – en nog steeds niet voldoet – aan de voorwaarden voor permanente bewoning krachtens de Wabo en het Bor, en met name dat vergunninghouder op 31 oktober 2003 diens hoofdverblijf nog niet in de woning had.

Verder betoogt eiseres dat permanente bewoning van de woning in strijd komt met de tussen haar en vergunninghouder gesloten erfpachtovereenkomst (hierna: overeenkomst), en dat verweerder aan deze omstandigheid bij de gemaakte belangenafweging onvoldoende gewicht heeft toegekend.

Eiseres streeft naar de vernietiging van het bestreden besluit en uiteindelijke de herroeping van het primaire besluit. Verder vraagt eiseres om vergoeding van de proceskosten die zij tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure heeft gemaakt.

2.3 Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo – voor zover hier relevant – is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a sub 2, van de Wabo kan de omgevingsvergunning – voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c – slechts worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Ingevolge artikel 2.7 van het Bor – bezien in samenhang met artikel 4, tiende lid, van Bijlage II bij dit besluit (hierna: Bijlage) – komt voor toepassing van artikel 2.12 .12, eerste lid, aanhef en onder a sub 2, van de Wabo in aanmerking het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

(a) de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

(b) de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden,

(c) de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en

(d) de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was.

2.4 Uit de gedingstukken en de behandeling ter zitting leidt de rechtbank af dat partijen onder meer verdeeld worden gehouden door het antwoord op de vraag of de schending van de overeenkomst door vergunninghouder in de weg staat aan verlening van de op 14 januari 2011 gevraagde omgevingsvergunning. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – zoals verwoord in onder meer de uitspraken van 16 juni 2010 (LJN: BM7748), 15 april 2009 (LJN: BI1051) en 11 maart 2009 (LJN: BH5485) – mag het bestuursorgaan geen vrijstelling of ontheffing van een bestemmingsplan verlenen, indien een evidente privaatrechtelijke belemmering aan het verlenen van zo’n vrijstelling of ontheffing in de weg staat.

De rechtbank ziet geen grond voor de verwachting dat de zojuist bedoelde jurisprudentie niet geldt als het gaat om het verlenen van een omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo.

Vervolgens constateert de rechtbank dat vergunninghouder handelt in strijd artikel 7 van de overeenkomst, door de woning voor permanente bewoning te gebruiken. Artikel 7 – voor zover thans relevant – bepaalt dat permanente bewoning van het verblijf niet is toegestaan.

In zoverre wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Harderwijk, van 15 februari 2012 met zaaknummer 454661 CV-EXPL 11-1847.

Naar het oordeel van de rechtbank moet het handelen in strijd met artikel 7 van de overeenkomst worden aangemerkt als een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan het verlenen van een omgevingsvergunning in de weg staat. Dit oordeel wijzigt niet doordat de kantonrechter een tussentijdse ontbinding van de pachtovereenkomst niet gerechtvaardigd acht. Het in stand blijven van de overeenkomst laat immers onverlet dat vergunninghouder tekort schiet in de nakoming van haar verplichtingen jegens eiseres, en dat eiseres mogelijkheden heeft om hieraan consequenties te verbinden.

Reeds het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de op 14 januari 2011 gevraagde omgevingsvergunning niet had mogen verlenen. Daarom kan en zal thans in het midden blijven of vergunninghouder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voldeed aan alle in artikel 4, tiende lid, van de Bijlage genoemde voorwaarden.

2.5 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Verder zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien, door het primaire besluit te herroepen en te vervangen door een weigering van de op 14 januari 2011 gevraagde omgevingsvergunning. De uitspraak treedt in de plaats van het bestreden besluit.

Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, dient het griffierecht aan eiseres te worden vergoed. Verder zal de rechtbank verweerder veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eiseres tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure heeft gemaakt, met toepassing van respectievelijk artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 7:15, tweede en derde lid, van deze wet. De rechtbank stelt deze kosten krachtens het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van in totaal (2 x 874,-- =) € 1.748,--wegens de door mr. Janssen verleende rechtsbijstand (in beide gevallen: 1 punt voor het indienen van het rechtsmiddel en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- weigert de op 14 januari 2011 door vergunninghouder gevraagde omgevingsvergunning;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 302,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van in totaal

€ 1.748,-- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. L.M. Koenraad. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2012.