Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW7498

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
06/940383-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan verdachte is poging tot doodslag, dan wel poging tot zware mishandeling, dan wel mishandeling ten laste gelegd. Hij zou een medeverdachte met een mes in/tegen het achterhoofd/schouder/nek hebben gestoken. De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde, nu geen feitelijke gang van zaken kan worden vastgesteld aan de hand van de voorliggende stukken en verklaringen. Er is dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig voor het ten lastse gelegde. Aan een beroep op noodweer (waartoe de officier van justitie heeft gerekwireerd en waarop door de raadsman een beroep is gedaan) komt de rechtbank dan ook niet toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940383-11

Uitspraak d.d.: 5 juni 2012

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Nederlandse Antillen) op [1974],

thans verblijvende in het huis van bewaring Arnhem Zuid te Arnhem.

Raadsman mr. B.J. Schadd te Arnhem.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 mei 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 september 2011 te Zutphen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een aantal maal die [slachtoffer]

met een mes in/tegen diens (achter)hoofd en/of in diens (linker) schouder

en/of in diens nek/hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 16 september 2011 te Zutphen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet een aantal maal die [slachtoffer] met een mes in/tegen diens

(achter)hoofd en/of in diens (linker) schouder en/of in diens nek/hals heeft

gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 16 september 2011 te Zutphen,

opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer],

een aantal maal met een mes in/tegen diens (achter)hoofd en/of in diens

(linker) schouder en/of in diens nek/hals heeft gestoken, waardoor deze letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde en bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie aangegeven welke bewijsmiddelen daartoe voorhanden zijn. De officier van justitie heeft voorts gesteld dat niet met zekerheid te zeggen is dat zich hier geen noodweersituatie heeft voorgedaan en dat derhalve tot ontslag van alle rechtsvervolging moet worden geconcludeerd.

B. Standpunt van de verdediging

Door de raadsman is vrijspraak van het primair en subsidiair bewezen verklaarde bepleit. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het meer subsidiaire noodweer/noodweerexces aan de orde is.

C. Beoordeling door de rechtbank

Vaststaat dat aangever naar de cel van verdachte is gegaan naar aanleiding van het feit dat hij zich beledigd voelde door een uitlating van verdachte in zijn richting eerder die dag. Wat hierna is gebeurd is niet duidelijk, nu het relaas van verdachte hierover recht tegenover het relaas van aangever staat. Aangever stelt dat verdachte dadelijk een mes greep en op aangever instak, waarna een worsteling volgde. Verdachte verklaart daarentegen dat het aangever was die een mes pakte en verdachte wilde steken. Verdachte verklaart vervolgens de hand van aangever, waarin deze het mes vasthield, te hebben vastgepakt en met aangever te hebben geworsteld om zich te verdedigen tegen de aanval van aangever. Er zijn van het steken geen getuigen, nu de enige getuige die hierover bij de politie heeft verklaard, te weten de heer [naam], bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting heeft aangegeven zich enkel de worsteling tussen verdachte en aangever te herinneren en niet het steken met een mes door verdachte. Hij heeft met betrekking tot het mes verklaard zich enkel te kunnen herinneren dat hij het later op de grond heeft zien liggen.

Duidelijk is dat verdachte en aangever hebben geworsteld, dat er een mes in het spel is geweest en dat aangever door dit mes is geraakt. Niet duidelijk is wie in eerste instantie het mes heeft gepakt en hoe de verwondingen van aangever precies zijn toegebracht. Het letsel van aangever is niet specifiek en de letselrapportage kan hierover ook geen verdere duidelijkheid bieden. Het kan niet worden uitgesloten dat aangever in de worsteling door het mes is geraakt terwijl hij het zelf nog in handen had.

Door de officier van justitie is gerequireerd tot ontslag van alle rechtsvervolging nu verdachte een beroep op noodweer toekomt. De rechtbank is echter van oordeel dat aan de hand van de voorliggende stukken en verklaringen geen feitelijke gang van zaken kan worden vastgesteld. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank dan ook van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor de onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten. Aan een beroep op noodweer komt de rechtbank dan ook niet toe.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten.

Vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 1.045,- gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het onder primair/subsidiair/meer subsidiair tenlastegelegde.

Deze benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, nu verdachte is vrijgesproken van het tenlastegelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

In beslag genomen voorwerpen

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven bestekmes dient te worden onttrokken aan het verkeer, nu dit bij gelegenheid van het onderzoek naar het aan verdachte verweten misdrijf werd aangetroffen en dit aan verdachte toebehorende voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de scheenbeschermers, de zwarte trui en diverse kledingstekken aan de verdachte dan wel de rechthebbende.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een bestekmes;

* gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan de rechthebbende, te weten: scheenbeschermers, een zwarte trui en diverse kledingstukken;

* verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering;

* heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Heenk en Draisma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Oosten-Boksem, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juni 2012.