Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW7270

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
125662 FA RK 11-2108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen: 1:400 en 401 BW

Kinderalimentatie, nieuwe partner, inkomensachteruitgang

Vader voert aan dat nieuwe partner na een fietsongeluk ernstig letsel heeft opgelopen en daardoor niet meer kan werken. Partner is ook naar het oordeel van de rechtbank niet in staat in eigen levensonderhoud te voorzien. Daarom wordt bij de berekening van de draagkracht van de vader uitgegaan van de bijstandsnorm van een echtpaar en een beschikbaar percentage van 50. Met het kind van de vader en de nieuwe partner wordt niet nog eens afzonderlijk gerekend, zodat de draagkracht alleen wordt verdeeld over de twee kinderen van partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 125662 FA RK 11-2108

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 1 juni 2012

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [plaats, gemeente],

verzoeker, verder te noemen de man,

advocaat: mr. K.A. Nibbeling te Goor,

e n

[verweerster],

wonende te [plaats],

verweerster, verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg te Maastricht.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 17 oktober 2011;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, ingekomen op 23 december 2011;

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 3 januari 2012;

- het journaalbericht met bijlagen van 19 januari 2012 van mr. Nibbeling;

- het journaalbericht met bijlagen 2 februari 2012 van mr. Nibbeling, tevens houdende een wijziging van het verzoek;

- het journaalbericht met bijlagen van 2 februari 2012 van mr. Reijntjes-Wendenburg, het journaalbericht met bijlagen van 13 februari 2012 van mr. Nibbeling;

- het journaalbericht met bijlagen van 15 februari 2012 van mr. Reijntjes-Wendenburg;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 17 februari 2012.

De feiten

Partijen zijn gehuwd op [1996] te [plaats, gemeente], Turkije. Tussen partijen is de echtscheiding uitgesproken bij beschikking van deze rechtbank van 27 juli 2000. Die beschikking is op 3 november 2000 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van ‘s-Gravenhage.

Uit het huwelijk is geboren: [kind A], geboren op [1998 te plaats]. Partijen hebben voorts het navolgende minderjarige kind: [kind B], geboren op [2002, plaats, provincie]. De man heeft [kind B] erkend. De vrouw oefent het ouderlijk gezag over haar alleen uit.

Bij voormelde echtscheidingsbeschikking is onder meer bepaald dat de vrouw na ontbinding van het huwelijk het ouderlijk gezag over de minderjarige [kind A] alleen uitoefent en dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige € 158,82 per maand aan de vrouw zal betalen.

De minderjarige kinderen [kind A] en [kind B] hebben de gewone verblijfplaats bij de vrouw.

Bij beschikking van de rechtbank Almelo van 24 december 2008 is onder meer bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide minderjarige kinderen met ingang van 1 september 2008 aan de vrouw € 267,-- per kind per maand zal betalen. Bij vaststellingsovereenkomst van 26 februari 2009 hebben partijen de bij voormelde beschikking vastgestelde kinderalimentatie gewijzigd en zijn zij met elkaar overeengekomen dat de man met ingang van 1 januari 2009 als bijdrage voor de beide minderjarigen € 200,-- per kind per maand zal betalen en dat de wettelijke indexering voor het eerst zal plaatsvinden op 1 januari 2010. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de bijdrage voor de minderjarigen thans € 206,44 per kind per maand.

Het verzoek

De man verzoekt - na wijziging en aanvulling - dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking van 24 december 2008 in die zin zal wijzigen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift op nihil zal worden bepaald, dan wel die bijdrage zal bepalen op € 36,-- per kind per maand, althans een zodanige bijdrage zal vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift als de rechtbank juist acht.

De man stelt dat de beschikking van 24 december 2008 door wijziging van omstandigheden niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Het verweer tevens zelfstandig verzoek

De vrouw verzoekt dat de rechtbank bij beschikking:

- het verzoek van de man tot vermindering van de kinderalimentatie niet-ontvankelijk zal verklaren, althans zal afwijzen, althans de kinderalimentatie tot een in goede justitie te bepalen bedrag zal verminderen vanaf de datum van de beschikking;

- zal bepalen dat de man aan de vrouw maandelijks bij vooruitbetaling een in goede justitie te bepalen hogere kinderalimentatie dient te voldoen;

- de man zal veroordelen in de kosten op de tenuitvoerlegging gevallen indien hij niet vrijwillig voldoet aan de veroordeling ter zake van de kinderalimentatie,

kosten rechtens.

De beoordeling

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

De rechtbank overweegt dat de man oorspronkelijk wijziging van de overeenkomst van 26 februari 2009 heeft verzocht. Nadat de vrouw heeft betoogd dat dit verzoek niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat de man wijziging van de beschikking uit 2008 had moeten vragen, heeft de man het verzoek in die zin aangepast.

Artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek regelt slechts dat een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd. Hieraan wordt door partijen de conclusie verbonden dat de overeenkomst uit 2009 de uitspraak uit 2008 niet wijzigt. Wanneer dan vervolgens de overeenkomst wordt gewijzigd, zou de uitspraak uit 2008 herleven. Vanuit die visie dient dan ook tevens wijziging van de uitspraak uit 2008 te worden verzocht. De rechtbank zal binnen de grenzen van de rechtsstrijd van partijen op de verzoeken dienen te beslissen, en in het midden laten of een andere visie mogelijk is, waarvoor (wellicht ten overvloede) wordt verwezen naar HR 24 december 2010, RFR 2011/29. Het verzoek van de man zal daarom als een aanvulling worden beschouwd en niet als een intrekking van het oorspronkelijke verzoek.

Gebleken is dat de man opnieuw is gehuwd en dat uit het huwelijk van de man en zijn huidige partner op [2011] een kind is geboren: [kind C]. Dit is een relevante wijziging van omstandigheden die een onderzoek naar de behoefte en de draagkracht noodzakelijk en gerechtvaardigd maakt. De man is immers thans onderhoudsplichtig jegens drie kinderen.

Als voor de hand liggende data om een wijziging te doen ingaan gelden de dag dat de gewijzigde omstandigheden zijn ingetreden, de datum van indiening van het verzoekschrift of de dag waarop de beschikking wordt gegeven. Nu sprake is van een samenstel van gewijzigde omstandigheden die na elkaar hebben plaatsgevonden, ligt het niet voor de hand om bij de eerstgenoemde datum aan te knopen. Dat geldt ook voor de datum van deze beschikking, omdat de vrouw reeds met een wijziging van de betalingsverplichting van de man rekening kon houden. Daarom zal de rechtbank de ingangsdatum bepalen op de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het verzoekschrift is ingediend, in dit geval 1 november 2011. De vrouw heeft met ingang van die datum rekening kunnen en moeten houden met een eventuele verlaging of nihilstelling van de door de man te betalen kinderalimentatie.

De man stelt de behoefte van de beide minderjarige kinderen van partijen op € 305,-- per kind per maand. Nu de vrouw die behoefte niet langer heeft betwist, zal de rechtbank daarvan uitgaan. In beginsel dienen beide ouders naar rato van de draagkracht in de behoefte van de kinderen te voorzien.

Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man.

De man heeft als wijziging van omstandigheden aangevoerd dat zijn inkomen is verminderd. Als reden voor de inkomensachteruitgang heeft de man naar voren gebracht dat zijn huidige partner in juli 2011 een fietsongeluk heeft gehad, waardoor zij ernstig letsel aan haar rechterenkel heeft opgelopen. Blijkens informatie van de medisch maatschappelijk werkster in het ziekenhuis in Hengelo hebben de specialisten in het ziekenhuis de situatie in het begin, na het ongeval van de partner van de man, enigszins onderschat. Pas na een aantal maanden is aan het licht gekomen dat het letsel van de partner van de man veel ernstiger is dan in eerste instantie geconstateerd. De partner van de man is thans onder behandeling bij een orthopeed en een revalidatiearts. De arbeidsovereenkomst van de partner van de man voor bepaalde tijd tot 6 september 2011 is niet verlengd. De man voert aan dat zij thans geen inkomsten uit arbeid ontvangt. Hij heeft voorts naar voren gebracht dat het herstel van zijn partner waarschijnlijk twee à drie jaar kan duren en dat hij thans volledig de zorg voor de minderjarige [kind C] draagt. Daarnaast heeft de man naar voren gebracht dat hij ten gevolge van de extra zorg voor zijn partner en dochter en wegens de economische recessie geen overuren meer kan maken bij zijn werkgever.

Nu de man voldoende met stukken heeft onderbouwd dat zijn partner als gevolg van gezondheidsproblemen niet in staat is in de kosten van haar eigen levensonderhoud te voorzien, zal de rechtbank in de hierna te melden draagkrachtberekening de bijstandsnorm voor een echtpaar hanteren.

Daarnaast zal de rechtbank 50% van de draagkrachtruimte aanwenden voor betaling van kinderalimentatie.

Gebleken is dat de partner van de man een Ziektewetuitkering van € 138,70 bruto per week ontvangt. Dit komt neer op € 569,58 netto per maand.

Nu de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van hem onder de huidige omstandigheden niet kan worden gevergd dat hij structureel meer dan 40 uren per week werkzaam is bij zijn werkgever, zal de rechtbank, mede gelet op de overgelegde verklaring van de werkgever van de man van 24 oktober 2011, ter beoordeling van de draagkracht van de man uitgaan van de overgelegde salarisspecificaties over de periodes 9 tot en met 13 van 2011. Het bruto loon van de man bedroeg in die periodes achtereenvolgens € 2.160,64, € 2.161,36, € 2.162,62, € 2.144,57 en € 2.130,53 (exclusief eindejaarsuitkering), aldus gemiddeld € 2.151,94 per vier weken. Dit bedrag wordt vermeerderd met 8% vakantiegeld en de eindejaarsuitkering van € 224,-- bruto. Aldus gerekend bedraagt het bruto jaarinkomen van de man € 30.438,--.

Rekening houdend met alles op jaarbasis - de pensioenpremie, berekend op € 1.510,--, de inkomensafhankelijke bijdrage inzake de Zorgverzekeringswet ad € 2.054,--, het eigenwoningforfait ad € 825,--, de hypotheekrente ad € 8.150,--, het kindgebonden budget, ambtshalve berekend op € 300,--, de algemene heffingskorting ad € 2.033,--, de arbeidskorting ad € 1.611,-- en de inkomensheffing berekent de rechtbank het besteedbare inkomen van de man, onder bijtelling van het netto inkomen van zijn partner en na aftrek van voormelde inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, op € 2.621,-- per maand.

Voor de bepaling van het draagkrachtloze inkomen van de man gaat de rechtbank uit van de bijstandsnorm voor een echtpaar van € 1.336,-- per maand minus de wooncomponent van € 213,-- en van de navolgende lasten, op maandbasis:

- de hypotheekrente ad € 679,14;

- de premie levensverzekering ad € 207,45;

- het forfait overige eigenaarslasten ad € 95,--;

- de totale premie Zorgverzekeringswet ad € 149,05, zijnde de basis- en aanvullende premie ad € 286,72 te vermeerderen met het verplichte eigen risico van € 18,33 per maand (nu voor de partner voldoende aannemelijk is dat dit wordt opgemaakt) en te verminderen met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie Zvw ad € 93,-- per maand en de zorgtoeslag, ambtshalve berekend op € 63,--;

- de kosten van de omgangsregeling ten aanzien van de man en de minderjarige [kind B] ad € 39,--.

Met betrekking tot de premie levensverzekering overweegt de rechtbank dat alleen rekening wordt gehouden met de polis Erasmus leven, waarvan het maandbedrag bestaat uit € 126,76 premie, € 72,15 eerste kosten, en € 6,-- + 2% van € 126,76 (zijnde in totaal € 8,54) doorlopende kosten. Van deze polis is de samenhang met de hypotheekschuld voldoende komen vast te staan. Van Cardiff is alleen een aanvraagformulier overgelegd, zodat de stelling dat de man terzake lasten voldoet niet is onderbouwd.

Daargelaten dat de noodzaak voor het aangaan van de schuld aan de ANWB is betwist, is de rechtbank van oordeel dat het niet redelijk kan worden geacht om met deze schuld in de verhouding tot de kinderen rekening te houden. Het grote belang dat wordt gehecht aan de betaling van kinderalimentatie, zoals ook tot uitdrukking komt in de voorrangsregeling van artikel 1:400 Burgerlijk Wetboek, maakt dat aanleiding wordt gezien de aflossing van de desbetreffende schuld buiten beschouwing te laten.

Van de draagkrachtruimte ad € 328,-- per maand is 50 % beschikbaar voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide kinderen van partijen. De rechtbank is van oordeel dat met de belangen van de minderjarige [kind C] al voldoende rekening wordt gehouden door de hantering van de gezinsnorm en het percentage van 50, zodat de draagkracht niet over drie kinderen, maar over de twee kinderen van partijen verdeeld zal worden.

Aldus gerekend heeft de man draagkracht voor betaling van een bijdrage van € 82,-- per kind per maand. Die bijdrage is naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal zij toewijzen.

Nu de vrouw onlangs ontslag is aangezegd en de vrouw, voor zover haar draagkracht toelaat, reeds een substantieel deel van de behoefte van de kinderen voor haar rekening dient te nemen, zal een draagkrachtvergelijking achterwege worden gelaten.

De rechtbank zal het verzoek te bepalen dat de man de kosten van de tenuitvoerlegging zal voldoen als hij de alimentatie niet vrijwillig betaalt, afwijzen. Dit verzoek is niet op de wet gegrond. Executiekosten moeten immers worden verhaald door de executie zelf. Voor zover met de executiekosten wordt gedoeld op nakosten in de zin van artikel 237 lid 4 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering, geldt dat voor toewijzing daarvan geen grond is, nu geen proceskostenveroordeling wordt uitgesproken. Omdat de man en de vrouw elkaars gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank de kosten als volgt compenseren.

De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Almelo van 24 december 2008 en de vaststellingsovereenkomst van 26 februari 2009 en bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:

[kind A], geboren op [1998 te plaats], en

[kind B], geboren op [2002, plaats, provincie],

met ingang van 1 november 2011 de som van € 82,-- (tweeëntachtig euro) per kind per maand aan de vrouw zal betalen, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van dit geding aldus, dat zowel de man als de vrouw met de eigen kosten belast blijft;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.