Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW6828

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
06/820392-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vechtpartij met meerdere verdachten bij een Paasvuur in Eibergen op 24 april 2011 leidt voor verdachte D tot een werkstraf van 100 uur, waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en het betalen van schadevergoeding aan de slachtoffers. Daarnaast is deze verdachte veroordeeld wegens het rijden onder invloed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector strafrecht

Meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

Parketnummer: 06/820392-11

Uitspraak d.d.: 29 mei 2012

Tegenspraak/dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte D]

Geboren te [plaats, 1993],

wonende te [adres]

raadsman: mr. J.P. Wolters te Lichtenvoorde

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzitting van 15 mei 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 24 april 2011 te Eibergen,

gemeente Berkelland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een persoon genaamd [slachtoffer A], (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht)

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen de mond en/of het gezicht, althans het

hoofd heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een bierfles op het achterhoofd heeft/hebben

geslagen en/of

- meermalen, althans eenmaal, een knietje op/tegen de mond, althans het

gezicht heeft/hebben gegeven en/of

- meermalen, althans eenmaal, op/tegen de zij en/of de buik en/of de rug,

althans het lichaam heeft/hebben getrapt en/of geschopt en/of

- met een mes in de richting van de borst, althans het lichaam, heeft/hebben

uitgehaald en/of gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(Incident 1)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 24 april 2011 te Eibergen,

gemeente Berkelland, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, De

Maat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld

heeft gepleegd tegen [slachtoffer A], welk geweld bestond uit

- het omsingelen en/of (vervolgens) dreigend op hem aflopen en/of zeer dicht

op hem gaan staan en/of

- het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen op/tegen de mond en/of

het gezicht, althans het hoofd en/of

- het meermalen, althans eenmaal, slaan met een bierfles op het (achter)hoofd

en/of

- het meermalen, althans eenmaal, geven van een knietje op/tegen de mond,

althans het gezicht en/of

- het meermalen, althans eenmaal, trappen en/of schoppen op/tegen de zij en/of

de buik en/of de rug, althans het lichaam en/of

- het meermalen, althans eenmaal, met een mes uithalen en/of steken in de

richting van de borst, althans het lichaam;

(Incident 1)

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 24 april 2011 te Eibergen,

gemeente Berkelland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, aan een persoon, (te weten [slachtoffer B]), opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel (deuk in de schedel, meerdere scheuren in de schedel en

meerdere bloedingen/bloeduitstortingen), heeft/hebben toegebracht, door deze

opzettelijk (met kracht) meermalen, althans eenmaal, met (de achterkant van)

een beugelfles, althans een bierfles, op/tegen het (achter)hoofd te slaan;

(Incident 2)

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 24 april 2011 te Eibergen, gemeente Berkelland, met een

ander of anderen, op of aan de openbare weg, De Maat, in elk geval op of aan

een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer B], welk geweld bestond uit

- het omsingelen en/of (vervolgens) dreigend op hem aflopen en/of zeer dicht

op hem gaan staan en/of

- het meermalen, althans eenmaal, slaan met (de achterkant van) een

beugelfles, althans een bierfles, op/tegen het (achter)hoofd en/of

- het meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen op/tegen het gezicht,

althans het hoofd;

(Incident 2)

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 24 april 2011 [adres], gemeente Berkelland, als bestuurder

van een motorrijtuig (snorfiets) voor het besturen waarvan een rijbewijs was

vereist, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een

onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 445 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl sedert de datum

waarop aan verdachte voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen

vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs op of na 30

maart 2002 heeft plaatsgevonden;

(Parketnummer 820363-11 gevoegd bij parketnummer 820392-11)

art 8 lid 3 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van feit 1 subsidiair en

feit 2 subsidiair, alsmede feit 3. Ter zitting heeft hij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 primair en subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om verdachte te veroordelen voor de onder feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde feiten. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de handelingen van verdachte niet gericht waren op de poging de slachtoffers [slachtoffer A] en [slachtoffer B] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

De verdachte behoort van feit 1 primair en feit 2 primair te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

De rechtbank acht het tenlastegelegde onder feit 1 subsidiair wettig en overtuigend bewezen en acht voor haar bewijsoordelen de volgende bewijsmiddelen redengevend:

De aangifte1 van [slachtoffer A] waarin hij heeft verklaard dat hij samen met zijn neef, [slachtoffer B] op 24 april 2011 in het wandelpark de Maat te Eibergen door een groep van circa tien jongens werd omsingeld, die dreigend op hem af kwam lopen en dicht op hem ging staan, dat hij voelde dat hij van een persoon uit de groep een vuistslag in zijn gezicht kreeg, half op zijn rechter oog en slaap en dat het een harde klap was, die pijn deed, dat de overige jongens hem aanvielen, dat hij voelde en zag dat hij in zijn gezicht werd getrapt door een jongen, dat hij voelde dat zijn mond vol bloed stond en dat zijn voortanden scheef waren komen te staan, dat hij direct na die klap links en rechts met vuistslagen op zijn hoofd werd geslagen waardoor hij behoorlijke pijn voelde, dat hij zag hoe één van de knapen een mes pakte en open vouwde, dat hij zag hoe de jongen met het mes uithaalde ter hoogte van zijn borstkas en een zwaaiende beweging maakte met het mes, dat hij naar achteren was uitgeweken en zag dat het mes hem daarom net niet raakte, dat hij door de trap tegen zijn mond een tand heeft verloren.

Van de verwondingen aan de mond van [slachtoffer A] bevinden zich foto's in het dossier.2

De verklaring van [verdachte A]3 waarin hij heeft verklaard dat hij op 24 april 2011 in Eibergen was bij het Paasvuur op de Maat en daar van [slachtoffer A] een trap heeft gekregen omdat die [slachtoffer A] dacht dat verdachte hem uitdaagde, dat verdachte hierdoor ten val kwam en hierdoor kwaad werd, dat hij [slachtoffer A] heeft uitgescholden en aan zijn vrienden vertelde dat hij was geschopt door [slachtoffer A], dat hij gezien heeft hoe verdachte en medeverdachte [verdachte B] [slachtoffer A] voluit hebben geslagen.

De verklaring van [getuige A]4 waarin hij heeft verklaard dat hij op 24 april 2011 op de Maat te Eibergen zag dat [slachtoffer A] een vuistslag in zijn gezicht kreeg en dat hij links en rechts om zijn oren werd geslagen door de hele groep jongens, die dicht om hem heen stond, dat hij volop met vuisten werd geslagen, dat hij, toen [slachtoffer A] wegliep zag dat hij overal bloed in zijn gezicht had en dat hij na de vechtpartij heeft gezien dat er tandafdrukken en stukjes tand van [slachtoffer A] in de trainingsbroek van medeverdachte [verdachte B] zaten, dat de groep die ruzie had met deze [slachtoffer A] bestond uit onder meer verdachte, [verdachte B], [verdachte E], [verdachte C] en [verdachte A].

De verklaring van [verdachte C]5, waarin hij heeft verklaard dat hij op 24 april 2011 te Eibergen zag hoe een groep van ongeveer 15 personen om [slachtoffer A] heen stond en dat deze [slachtoffer A] werd geslagen door [verdachte B], die hem met zijn vuist sloeg, en verdachte, die hem op zijn hoofd sloeg, dat hij, medeverdachte, aangever heeft geschopt met zijn rechtervoet en hem ergens tegen zijn been raakte, dat hij heeft gezien dat een aantal leden van de groep aangever geschopt en/of geslagen heeft.

De verklaring van [verdachte B]6 waarin hij heeft verklaard dat hij op 24 april 2011 in Eibergen bij het Paasvuur was met een groep jongens en dat hij heeft gezien dat een groep jongens aangever [slachtoffer A] insloten en dat verschillende leden van deze groep aangever hebben geslagen en geschopt, dat hij heeft gezien hoe aangever werd geschopt ter hoogte van zijn maag of borst en dat hij in zijn zij werd geschopt, dat hij heeft geprobeerd de vechtpartij te sussen, dat hij toen een klap van aangever kreeg, dat hij aangever daarop een knietje heeft gegeven7.

De verklaring van [getuige B]8 waarin hij heeft verklaard dat hij op 24 april 2011 te Eibergen bij het Paasvuur op de Maat zag hoe een groep jongens bezig was met [slachtoffer A], dat de groep onder andere bestond uit verdachte, [verdachte C], [verdachte E], [naam A] en [verdachte A], dat hij zag dat [verdachte A] in een groepje van drie jongens stond die dicht bij [slachtoffer A] stond, dat die drie jongens aan het schelden waren tegen [slachtoffer A], dat [slachtoffer A] uithaalde richting [verdachte B], dat hierdoor de vechtpartij begon, dat verdachte, [verdachte C], [verdachte E] en [verdachte B] het slachtoffer sloegen, dat ze hem op zijn hoofd sloegen en op zijn hele lichaam schopten, dat ze sloegen met kracht en met gebalde vuisten en met kracht schopten op die [slachtoffer A], dat die [slachtoffer A] wel een stuk of 15 rake klappen van die jongens heeft gehad, dat hij vervolgens een knietje van [verdachte B] kreeg, waardoor er bloed uit zijn mond kwam, dat dat echt heel hard ging, dat hij zag dat [naam A] een mes trok toen ze de spullen van [slachtoffer A] bij elkaar gingen zoeken, dat die [naam A] daarmee recht vooruit stak, met de punt in de richting van die [slachtoffer A], dat de afstand ongeveer 1,5 meter was en dat hij zei, terwijl hij dat mes naar voren stak: 'nu wegwezen hier', dat hij, getuige, het mesje herkende als het mesje van die [naam A], dat hij zag dat [slachtoffer A] een stap achteruit deed en dat hij zag aan zijn houding dat die [slachtoffer A] schrok van het mes.

De verklaring van [getuige C]9, waarin hij heeft verklaard dat hij op 24 april 2011 te Eibergen op de Maat aanwezig is geweest bij de vechtpartij en zijdelings heeft gezien heeft dat [naam A] een mes uit zijn broekzak pakte tijdens de vechtpartij en achter de jongen met de roze blouse ([slachtoffer A]) aanrende met dit mes.

De verklaring10 van [slachtoffer B], waarin hij heeft verklaard dat hij op 24 april 2011 te Eibergen samen met zijn neef [slachtoffer A] op het paasvuurterrein was, dat hij, nadat hij zelf geslagen was met een bierfles op zijn achterhoofd van een afstand zag hoe zijn neef van de groep veel klappen kreeg.

De verklaring van verdachte11 waarin hij heeft verklaard dat hij heeft gezien hoe [verdachte B] [slachtoffer A] een vuistslag in het gezicht gaf en dat [verdachte E] [slachtoffer A] een trap gaf in de zij of in de maag. Dat hij niet meer weet of hij zelf die [slachtoffer A] heeft geslagen of geschopt, maar dat hij niet uitsluit dat hij hem heeft geslagen.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door het slachtoffer [slachtoffer A] met de groep te omsingelen en vervolgens dreigend op hem af te lopen en om hem heen te gaan staan, door hem te hebben geslagen en zich niet te distantiëren van deze groep, actief heeft bijgedragen aan het op deze [slachtoffer A] uitgevoerde geweld.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

De rechtbank acht het tenlastegelegde onder feit 2 subsidiair wettig en overtuigend bewezen en acht voor haar bewijsoordelen de volgende bewijsmiddelen redengevend:

De aangifte12 van [slachtoffer B], waarin hij heeft verklaard dat hij op 24 april 2011 op de Maat te Eibergen samen met zijn neef [slachtoffer A] op het paasvuurterrein was en daar door een jongen werd uitgescholden, dat die jongen dronken was en dat er een groep vrienden van die jongen aankwam, dat die jongen zei dat hij een grote groep vrienden had en dat hij niet bang was, dat hij hoorde hoe iemand uit de groep zei dat ze hem en zijn neef gingen pakken, dat ze door een groep van circa tien jongens werden omsingeld en dat die jongens heel dicht om hen heen gingen staan en dat dit zeer bedreigend bij hem over kwam en dat enkele jongens in de omsingeling een bierfles van het merk Grolsch in hun handen hadden en dat ze de fles bij de hals beet hadden, dat de groep agressief werd naar hem en zijn neef, dat hij op zijn achterhoofd werd geslagen dat hij hevige pijn voelde en zag dat er glas in het rond vloog, dat hij verder met rust werd gelaten en weg kon lopen, dat hij voelde dat hij een deuk in zijn schedel had.

Een geneeskundige verklaring13 waaruit blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer B] op 25 april 2011 is onderzocht door neuroloog J.A.F. Van der Hoek,die als uitwendig letsel heeft waargenomen: "deuk behaarde hoofdhuid + schedel" en dat hij een schedelbreuk had opgelopen en dat er sprake is van psychische stoornissen en storing in het bewustzijn.

De verklaring14 van [slachtoffer A] waarin hij heeft verklaard dat hij samen met zijn neef [slachtoffer B] op 24 april 2011 op de Maat te Eibergen door een groep personen werd omsingeld, dat hij zag hoe één van de personen zijn neef met een bierfles op zijn achterhoofd sloeg, dat hij zag hoe de fles uit elkaar spatte.

De verklaring van [getuige A]15 waarin hij heeft verklaard dat hij zag dat [verdachte E] een bierfles kapotsloeg op het hoofd van aangever [slachtoffer B].

De verklaring van [verdachte E]16 waarin hij heeft verklaard dat hij op 24 april 2011 op de Maat te Eibergen aangever [slachtoffer B] met een bierfles op zijn hoofd heeft geslagen, dat hij hem niet goed had geraakt en hem vervolgens nogmaals heeft geslagen, links achter op zijn hoofd, dat hij hem opzettelijk en met volle kracht met zijn rechter gebalde vuist in een flitsende beweging op zijn hoofd heeft geslagen, dat ten gevolge van de klap de fles op het hoofd van aangever uit elkaar is gespat, dat dat betekent dat hij hem goed heeft geraakt en dat hij dat ook wilde.

De verklaring van verdachte17 waarin hij heeft verklaard dat hij het slachtoffer [slachtoffer B] tweetal met een gebalde vuist heeft geslagen.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door het slachtoffer [slachtoffer B] met de groep te omsingelen en vervolgens dreigend op hem af te lopen en om hem heen te gaan staan en zich niet te distantiëren van deze groep, actief heeft bijgedragen aan het op deze [slachtoffer B] uitgevoerde geweld.

Feit 318:

De rechtbank acht het tenlastegelegde onder feit 3 wettig en overtuigend bewezen en acht voor haar bewijsoordelen de volgende bewijsmiddelen redengevend. Nu verdachte dit feit ter zitting duidelijk en ondubbelzinnig heeft erkend, is volstaan met een opgave van bewijsmiddelen:

1. het proces-verbaal van bevindingen van de politie19;

2. een als bijlage20 bij voornoemd proces-verbaal, gevoegd op naam van verdachte staand ademanalyseformulier;

3. de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 15 mei 2012, waarin hij heeft verklaard dat hij alcoholhoudende drank had genuttigd op zondag 24 april 2011 en vervolgens is gaan rijden op een snorfiets, dit terwijl hij nog geen vijf jaar lang in het bezit was van een rijbewijs.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 24 april 2011 te Eibergen, gemeente Berkelland, met anderen, op of aan de openbare weg, De Maat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer A], welk geweld bestond uit:

- het omsingelen en vervolgens dreigend op hem aflopen en zeer dicht op hem gaan staan en

- het meermalen slaan tegen het hoofd en

- het geven van een knietje op/tegen de mond en

- het meermalen trappen en/of schoppen op/tegen de zij, althans het lichaam en

- het met een mes uithalen en/of steken in de richting van de borst;

2.

hij op 24 april 2011 te Eibergen, gemeente Berkelland, met een anderen, op of aan de openbare weg, De Maat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer B], welk geweld bestond uit:

- het omsingelen en vervolgens dreigend op hem aflopen en zeer dicht op hem gaan staan en

- het slaan met de achterkant van een beugelfles op/tegen het achterhoofd;

3.

hij op 24 april 2011 [adres], gemeente Berkelland, als bestuurder van een motorrijtuig (snorfiets) voor het besturen waarvan een rijbewijs was vereist, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 445 microgram, in elk geval hoger dan 88 microgram

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl sedert de datum waarop aan verdachte voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van dat rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair

telkens:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Feit 3

Overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot

een werkstraf van 100 uur subsidiair 50 dagen jeugddetentie, waarvan 50 uur voorwaardelijk subsidiair 25 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar waaraan de bijzondere voorwaarde dient te worden gekoppeld dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen hem te geven door de jeugdreclassering. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd verdachte te veroordelen tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de periode van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte een werkstraf op te leggen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft in het bijzonder in de door haar op te leggen straf meegewogen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een forse geweldpleging, waarbij ernstige schade is toegebracht aan de slachtoffers. Verdachte heeft, door zich niet te distantiëren toen de vechtpartij begon en daaraan actief deel te nemen, een aanzienlijk aandeel gehad in deze voor de slachtoffers geleden psychische en fysieke schade.

De rechtbank heeft ten voordele van verdachte meegewogen dat de behandeling van de zaak lang op zich heeft laten wachten.

De rechtbank heeft in haar oordeel meegewogen het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 1 juli 2011, waarin geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering (William Schrikker stichting). De Raad komt tot de conclusie dat het delictgedrag verklaard kan worden door het impulsief gedrag van verdachte en het niet nadenken over de gevolgen van dit impulsieve gedrag, mogelijk gekoppeld aan het ontwikkelingsniveau van verdachte. De kans op recidive wordt dan ook als gemiddeld ingeschat, waardoor de maatregel van hulp en steun is geïndiceerd.

Alles in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, waarvan 50 uur, subsidiair 25 dagen jeugddetentie voorwaardelijk een passende straf is voor verdachte. Aan het voorwaardelijk deel van de werkstraf koppelt zij een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de Jeugdreclassering (William Schrikker Groep). Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een rijontzegging van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar een passende straf is voor de overtreding van de Wegenverkeerswet.

Vordering tot schadevergoeding

Feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair

De benadeelde partij [slachtoffer A], wonende [adres], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.349,24 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde.

De benadeelde partij [slachtoffer B] wonende [adres], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.394,42 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vorderingen vermeerderd met de wettelijke rente en hoofdelijk dienen te worden toegewezen tot de gevorderde bedragen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de vorderingen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Feit 1 subsidiair

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer A], wonende [adres], als gevolg van het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot in ieder geval een bedrag van €349,24 (materiële kosten) en € 1.000,- (immateriële kosten) en waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient hoofdelijk tot dit bedrag bij wijze van voorschot te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan.

Feit 2 subsidiair

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer B], wonende [adres], als gevolg van het onder feit 2 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot in ieder geval een bedrag van € 394,42 (materiële kosten) en € 2.100,- (immateriële kosten) en waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient hoofdelijk tot dit bedrag bij wijze van voorschot te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerderd met de wettelijke rente.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemde slachtoffers met dien verstande dat indien de mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Omdat de vorderingen hoofdelijk zijn toegewezen in zaken tegen vijf verdachten, bestaat er aanleiding om de vervangende hechtenis welke is gekoppeld aan de schadevergoedingsmaatregel aanzienlijk te beperken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 27, 36f, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 91 en 141 van het Wetboek van Strafrecht en van de Wegenverkeerswet 1994 de artikelen 8, 176, 178 en 179.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan.

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

Feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair:

telkens:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Feit 3:

Overtreding van artikel 8, derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 100 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

* bepaalt, dat een gedeelte van de werkstraf te weten 50 uur, subsidiair 25 dagen jeugddetentie, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde

o zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg Gelderland, afdeling jeugdreclassering , uit te voeren door de William Schrikker Groep;

* geeft voormelde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te verlenen;

* ontzegt verdachte ten aanzien van het onder feit 3 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden;

* bepaalt, dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 subsidiair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer A], voornoemd, van een bedrag van € 1.349,24 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan en met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A] een bedrag te betalen van € 1.349,24 met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 4 dagen jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat indien de mededader betaalt, veroordeelde in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 subsidiair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer B], voornoemd, van een bedrag van € 2.394,42 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan en met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B] een bedrag te betalen van € 2.394,42 met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 6 dagen jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat indien de mededader betaalt, veroordeelde in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Aldus gewezen door mrs. Van Valderen, voorzitter, tevens kinderrechter en Ouweneel en Moolenburgh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. van Erp-Noordenbos, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 mei 2012.

Eindnoten

1 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer A], pag. 157, laatste twee alinea's, 158 en 159

2 Foto's verwondingen [slachtoffer A], pag. 164 en 166

3 Proces-verbaal verklaring medeverdachte [verdachte A], pag. 181 en 248

4 Proces-verbaal verklaring getuige [getuige A], pag. 172

5 Proces-verbaal verklaring medeverdachte [verdachte C], pag. 206, 4e alinea en 207 2e alinea

6 Proces-verbaal verklaring verdachte [verdachte B], pag. 193, derde alinea

7 Proces-verbaal verklaring verdachte [verdachte B], pag. 197, 4e alinea

8 Proces-verbaal getuigenverklaring [getuige B], pag. 221

9 Proces-verbaal getuigenverklaring [getuige C], ingevoegd voorafgaand aan pag. 1

10 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer B] pag. 255, 256

11 Proces-verbaal verklaring verdachte, pag. 209

12 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer B] pag. 255, 256

13 Geneeskundige verklaring [slachtoffer B], pag. 257

14 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer A], pag. 157, laatste twee alinea's, 158 en 159

15 Proces-verbaal verklaring getuige [getuige A], pag. 172

16 Proces-verbaal verklaring medeverdachte [verdachte E], pag. 264, derde alinea

17 Proces-verbaal verklaring verdachte, pag. 209

18Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van de in de wettelijke vorm

opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nr. PL06452011054798 Regio Noord- en Oost Gelderland, District Achterhoek, Team Berkelland, gesloten en ondertekend op 2 mei 2011 te Borculo.

19 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 8, 9 en 10

20 Proces-verbaal bijlage ademanalyseformulier, pag. 15