Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW6471

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
23-05-2012
Zaaknummer
11/1684 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

UWV heeft in redelijkheid kunnen komen tot zijn weigering om terug te komen van het eerder genomen besluit. Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Voorts is niet gebleken van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 11/1684 WAO

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te Apeldoorn,

eiser,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

te Zwolle,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2011 heeft verweerder eiser medegedeeld niet terug te komen van het besluit van 3 juli 2006 alsmede geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid toe te kennen.

Bij besluit van 6 oktober 2011 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 5 april 2012, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door H. Middelkamp, werkzaam bij milieu-adviesbureau Middelkamp, en G. Gökkaya. Namens verweerder is verschenen J.L. Gerritsen.

2. Overwegingen

2.1 Eiser was werkzaam als medewerker van een wasserij toen hij op 1 oktober 1985 uitviel met diverse lichamelijke klachten. Met ingang van 1 oktober 1986 is hem een WAO- uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 3 juli 2006 heeft verweerder deze uitkering per 30 augustus 2006 ingetrokken op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van eiser per datum onderzoek is afgenomen naar minder dan 15%. Bij besluit van 29 september 2006 heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen geen beroep ingesteld.

2.2 Bij brief van 24 april 2011 heeft eiser verweerder verzocht om terug te komen van het besluit om zijn uitkering in te trekken, omdat deze in 2006 genomen beslissing onterecht is geweest. Voorts heeft eiser in deze brief aangegeven dat zijn klachten sinds het intrekken van zijn uitkering zijn toegenomen.

Bij besluit van 24 juni 2011 heeft verweerder medegedeeld geen aanleiding te zien om van dit besluit terug te komen, omdat dit besluit onherroepelijk is en niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Voorts heeft verweerder te kennen gegeven dat eiser geen recht heeft op een uitkering op grond van artikel 43a van de WAO (de zogenoemde Amber-regeling) omdat geen sprake is van toegenomen beperkingen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze standpunten onverkort gehandhaafd.

2.3 In geschil is allereerst de vraag of verweerder terecht heeft geweigerd terug te komen van het besluit van 29 september 2006. Dit ambtshalve genomen besluit staat thans in rechte vast. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraak van 14 februari 2006 LJN: AV1645, is artikel 4:6 van de Algemene wet bestuurrecht (hierna: Awb) van overeenkomstige toepassing op een verzoek om terug te komen van een dergelijk besluit. Om aan een dergelijk verzoek tegemoet te kunnen komen, dient derhalve sprake te zijn van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die, indien deze in 2006 bekend waren geweest, tot een andere uitkomst van het toen genomen besluit hadden geleid.

2.4 Eiser heeft eerst ter zitting als nieuw feit aangevoerd dat onduidelijk is of de verzekeringsarts die bij de procedure in 2006 was betrokken in het BIG-register stond geregistreerd als verzekeringsarts. Nu eiser dit feit niet eerder dan ter zitting heeft aangevoerd, heeft verweerder hiermee in de bestreden besluitvorming geen rekening kunnen houden. Afgezien daarvan heeft eiser niet met zekerheid kunnen stellen dat de betreffende arts niet geregistreerd stond, en brengt een eventuele afwezigheid van registratie niet met zich mee dat, ware die omstandigheid destijds bekend geweest, dit tot een andere uitkomst van het besluit had geleid.

Eiser heeft voor het overige geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. Verweerder heeft zich, na onderzoek door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, op het standpunt gesteld dat hiervan ook niet is gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om aan dit standpunt van verweerder te twijfelen. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid kunnen komen tot zijn weigering om terug te komen van het besluit van 29 september 2006.

2.5 Voorts is in geschil de vraag of sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van dezelfde klachten als waarvoor destijds een uitkering is aangevraagd en of verweerder in verband daarmee eiser op grond van artikel 43a, eerste lid, van de WAO een arbeidsongeschiktheiduitkering had dienen toe te kennen.

Verweerder heeft onderzoek verricht naar de huidige arbeidsongeschiktheid van eiser. In het kader van dat onderzoek heeft de verzekeringsarts de door de huisarts overgelegde medische gegevens bestudeerd en is eiser lichamelijk onderzocht. Naar aanleiding hiervan heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat niet is gebleken van een toename van de reeds bekende aandoeningen of van nieuwe aandoeningen die aanleiding geven tot verzwaring van de destijds vastgestelde beperkingen, zodat geen aanleiding bestaat om de belastbaarheid van eiser in termen van de FML te wijzigen. In bezwaar is de verzekeringsarts bezwaar en beroep na het bestuderen van de dossiergegevens en de hoorzitting tot de conclusie gekomen dat geen reden is om af te wijken van de primaire beoordeling van de verzekeringsarts. Op grond van deze bevindingen is verweerder tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van toegenomen medische beperkingen.

2.6 Gelet op de overgelegde medische gegevens en de bevindingen van beide verzekeringsartsen is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder de gezondheidstoestand van eiser onjuist heeft ingeschat. De rechtbank merkt daarbij op dat uit de medische rapportages volgt dat de bijwerkingen van de door eiser gebruikte medicatie door beide artsen zijn meegenomen in hun oordeel. Eiser heeft ook geen feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om aan de bevindingen van de verzekeringsartsen te twijfelen. De stelling van eiser dat hij het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep elf dagen voor de hoorzitting had behoren in te zien, vindt geen steun in het recht.

Verweerder is dan ook op goede gronden tot het oordeel gekomen dat er geen sprake was van toegenomen medische beperkingen. Een arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid kon dan ook achterwege blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat aan eiser aan het bepaalde in artikel 43a van de WAO geen aanspraak op WAO-uitkering kan ontlenen.

2.7 Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.J.M. Weyers. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2012.