Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW6469

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
23-05-2012
Zaaknummer
11/1887 WOZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PROCESKOSTENVERGOEDING. Nu in dit geval een transactiecijfer van de woning bekend was dat vijftien maanden (transport van de akte) na de waardepeildatum ligt en dertien maanden na de datum van de koopovereenkomst, geeft dit transactiecijfer in redelijkheid een juiste indicatie van de waarde van de woning. Eiser had in deze situatie in eerste instantie kunnen volstaan met de vermelding daarvan in het bezwaarschrift. De Rb. oordeelt om die reden dat het om een “licht” bezwaar gaat waarbij de wegingsfactor 0,5 van toepassing is. Hieruit volgt ook dat het opmaken van een taxatierapport in die fase voorshands niet nodig was ter motivering van het bezwaar. Het maken van deze kosten is volgens de Rb. dan ook niet redelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige belastingkamer

Reg.nr.: 11/1887 WOZ

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

Te Doorwerth,

eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Apeldoorn

verweerder.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 31 mei 2011 heeft verweerder de WOZ-waarde van de onroerende zaak [adres] te Hoog Soeren (hierna: de woning) vastgesteld op € 209.000 per waardepeildatum 1 januari 2010.

Namens eiser heeft A. Oosters, werkzaam bij WOZ-Consultants te Heteren daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 11 november 2011 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, de vastgestelde waarde verlaagd tot € 190.000 en aan eiser een proceskostenvergoeding van € 129,71 toegekend.

Namens eiser heeft beroep A. Oosters beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 17 april 2012, waar namens eiser S. Smis-van Dijk, daartoe gemachtigd door A. Oosters, is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.N van Houts.

2. Overwegingen

2.1 In geschil is uitsluitend de hoogte van de toegekende proceskostenvergoeding in bezwaar, in het bijzonder de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van het inschakelen van een deskundige en de door verweerder ter zake van de kosten rechtsbijstand gehanteerde wegingsfactor van 0,5 (licht).

2.2 In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding gedeeltelijk afgewezen. Slechts voor kosten van rechtsbijstand heeft hij 0,5 x € 218 = € 109, vermeerderd met omzetbelasting toegekend. De door eiser geclaimde kosten van een taxatierapport en kadastrale uittreksels heeft hij niet vergoed omdat die ten onrechte zijn gemaakt, aldus verweerder.

Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat het niet redelijk is in de onderhavige situatie een taxatierapport te laten opstellen om het bezwaar te motiveren. Ten tijde van de datum van de WOZ-beschikking waren eiser en diens gemachtigde al op de hoogte van de transactieprijs van de woning. Het moet eiser en zeker diens gemachtigde in één oogopslag duidelijk zijn geweest dat de WOZ-waarde op een te hoog bedrag is vastgesteld. Hier is geen hogere wiskunde voor nodig, aldus verweerder.

Wat de kosten van verleende rechtsbijstand betreft is er sprake van een “lichte zaak” omdat een recent verkoopcijfer van de woning bekend is. Daarom heeft verweerder de wegingsfactor 0,5 toegepast. Ten onrechte is deze vergoeding vermeerderd met omzetbelasting, aldus verweerder in zijn verweerschrift.

2.3 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet de factor “gemiddeld” heeft gehanteerd bij het toekennen van de vergoeding voor rechtsbijstand en ten onrechte omzetbelasting over dat bedrag heeft vergoed. Nu het transactiecijfer van de woning 15 maanden na de waardepeildatum is gerealiseerd en de woning op de waardepeildatum in een slechte onderhoudstoestand verkeerde was het redelijk een taxateur in te schakelen. Ter zitting heeft gemachtigde van eiser nog verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 december 2011, LJN: BV3424, waarin de rechtbank het redelijk oordeelde dat eiser een taxatierapport liet opstellen in de situatie dat het transactiecijfer haast 24 maanden na de waardepeildatum is gerealiseerd.

Eiser bepleit een vergoeding van € 218 voor rechtsbijstand alsmede de kosten van het taxatierapport en kadastrale uittreksels tot een bedrag van € 148,70 inclusief omzetbelasting.

Hierbij is uitgegaan van 1,5 uur werk met een tarief van € 80 exclusief omzetbelasting.

2.4 Met betrekking tot de door verweerder gehanteerde wegingsfactor van 0,5 overweegt de rechtbank als volgt.

2.4.1 Op de proceskostenvergoeding in bezwaar is het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) van toepassing.

Onderdeel C1 van de Bijlage bij het Bpb onderscheidt voor de bepaling van het gewicht van een zaak vijf categorieën met een bijbehorende wegingsfactor, maar kent aan geen van die categorieën een bijzondere positie toe.

2.4.2 De toelichting op het Bpb van 22 december 1993, Stb. 763 vermeldt op blz. 8-9:

"Het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in wegingsfactor C1, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door het - al dan niet in geld uit te drukken - belang en de ingewikkeldheid. Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. (...) Het opnemen van factor C1 berust op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde."

2.4.3 De toelichting op de wijziging van het Bpb van 25 februari 2002, Stb. 113 vermeldt op blz. 6:

"Het gewicht van de zaak kan nader tot uiting worden gebracht in de wegingsfactoren. Dit kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. De uitkomst dient steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener."

De rechter dient ambtshalve - op grond van een eigen waardering - te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 23 september 2011, LJN: BT 2293.

2.5 De rechtbank oordeelt als volgt:

2.5.1 De rechtbank stelt voorop dat iedere zaak op zichzelf moet worden beoordeeld naar aard, belang en ingewikkeldheid en omvang van de in het kader van de verleende rechtsbijstand te verrichten werkzaamheden. Deze factoren dienen tot uitdrukking te komen in de voor die zaak te bepalen wegingsfactor.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, nu een transactiecijfer van de woning bekend was dat vijftien maanden (transport van de akte) na de waardepeildatum ligt en dertien maanden na de datum van de koopovereenkomst, in redelijkheid dit transactiecijfer een juiste indicatie geeft van de waarde van de woning. Eiser heeft niet gesteld dat de transactieprijs te hoog was. In deze situatie had gemachtigde van eiser in alle redelijkheid kunnen en moeten begrijpen dat hij in eerste instantie kon volstaan met vermelding van die transactie in het bezwaarschrift. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het om een “licht” bezwaar gaat waarbij de wegingsfactor 0,5 van toepassing is.

2.6 Met betrekking tot de kosten van de in de bezwaarfase ingeschakelde taxateur overweegt de rechtbank als volgt.

2.6.1 Ingevolge artikel 1, aanhef en onderdeel b Bpb kan een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (onder meer) betrekking hebben op kosten van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.

In bezwaar gemaakte kosten komen naar vaste rechtspraak alleen voor vergoeding op grond van artikel 7:15, tweede lid, Awb in aanmerking wanneer voldaan is aan de zogenoemde dubbele redelijkheidtoets: niet alleen de kosten zelf moeten redelijk zijn, maar het maken van de kosten als zodanig moet eveneens redelijk zijn.

2.6.2 Uit de overweging 2.5.1 volgt dat eiser in eerste (en waarschijnlijk laatste) instantie had kunnen en moeten volstaan met de vermelding van de transactieprijs in het bezwaarschrift en dat het opmaken van een taxatierapport in die fase voorshands niet nodig was ter motivering van het bezwaar. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat het maken van de kosten niet redelijk is, behoeft de hoogte van daarvan geen beoordeling meer.

2.7 Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Baaren. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2012.