Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW6244

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-05-2012
Datum publicatie
22-05-2012
Zaaknummer
12/563
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot de weigering om handhavend op te treden tegen kleiduivenschietvereniging in Didam is afgewezen in verband met de lopende, tot legalisatie strekkende, vergunningprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nr.: 12/563

Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker]

te [plaats],

verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Montferland

verweerder.

Kleiduivenschietvereniging Baerlebosch

te Didam,

derde-partij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2012 heeft verweerder het verzoek van 14 november 2006 van verzoeker om handhavend op te treden tegen de derde-partij afgewezen.

Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 10 mei 2012, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. drs. R.T.M. Lagerweij, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.W Weiss en S.J.M. Teunissen. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van Deutekom, advocaat te Arnhem.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

2.2 De derde-partij exploiteert sinds 1967 een schietinrichting aan de Baarleweg te Didam. Sinds 1980 is derde-partij gevestigd aan de Baarleweg 8. Op basis van de activiteiten die in het verleden plaatsvonden is in 1983 een vergunning op grond van de Hinderwet en in 2002 een vergunning op grond van de Wet milieubeheer aan de derde-partij verleend. In deze vergunningen zijn voorschriften opgenomen om de geluidhinder op de omgeving te beperken.

2.3 Vaststaat en tussen partijen niet in geschil is dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming is met de thans geldende milieuvergunning. Verweerder is derhalve bevoegd om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden.

2.4 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5 Op 1 november 2011 is door de derde-partij op basis van de in het verleden vergunde activiteiten een aanvraag voor een nieuwe, de gehele inrichting omvattende, omgevingsvergunning (revisievergunning milieu) bij verweerder ingediend. Verweerder is voornemens positief op deze aanvraag te beslissen en streeft er naar om thans op heel korte termijn een daartoe strekkend ontwerp van het te nemen besluit ter inzage te leggen.

2.6 Verzoeker heeft betoogd ernstige overlast van de schietinrichting te ondervinden. In het betoog van verzoeker heeft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de omgevingsvergunning zoals aangevraagd niet kan worden verleend. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat doorbreking of beperking van bestaande rechten niet zonder meer mogelijk is.

2.7 Onder deze omstandigheden heeft verweerder het verzoek om handhaving van verzoeker naar voorlopig oordeel kunnen afwijzen op de grond dat concreet zicht op legalisatie bestaat. Derhalve kan niet worden gezegd dat, onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

2.8 Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2012.