Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW4872

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
04-05-2012
Datum publicatie
04-05-2012
Zaaknummer
06/950076-11, 06/850337-11 (gevoegd), 06/850682-11 (gevoegd) en 05/720020-10 (tul)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BY0666, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt 22-jarige man uit Lochem tot een gevangenisstraf van 8 jaar en 9 maanden. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal ‘overvallen’, te weten (1) op een man die van zijn Porsche is beroofd, midden in de nacht, op de openbare weg, (2) op een echtpaar op hoge leeftijd in hun woning en (3) samen met een ander op een taxichauffeur, zij het dat het bij een poging is gebleven.

Verdachte wordt verdacht van het plegen van meerdere feiten. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het grootste deel van deze feiten. De raadsman heeft ten aanzien van feit 5 (06/850337-11) bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu uit het bekijken en beluisteren van de audiovisuele opnamen is gebleken dat de antwoorden van verdachte niet juist op papier zijn gezet en is naar de mening van de raadsman gehandeld in strijd met artikel 29 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering, waarin is bepaald op welke wijze een proces-verbaal dient te worden opgemaakt en aan welke vereisten het dient te voldoen.

Voor het overige heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De rechtbank is – met de raadsman – van oordeel dat het verzuim niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leidt, maar wel rechtsgevolgen voor de hoogte van de straf moet hebben. De op te leggen zal met drie maanden gevangenisstraf worden verlaagd. De overige verweren welke de raadsman heeft aangevoerd, worden door de rechtbank verworpen. Verdachte is geobserveerd in het Pieter Baan Centrum, maar hij heeft geweigerd mee te werken. Op grond van de rapporten kan geen sluitende conclusie worden getrokken over de vraag of er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens.

Ook de vraag naar de mate van toerekenbaarheid kan niet worden beantwoord. De rechtbank houdt het er dan ook voor, dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is. De officier van justitie gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) jaren. Gelet op de ernst van de strafbare feiten, verdachtes enorme strafblad waaruit een aanzienlijk recidivegevaar kan worden afgeleid en de omstandigheid dat geen inzicht is gekregen in de achterliggende redenen van het delictgedrag van verdachte, kan ter bescherming van de maatschappij niet anders dan met een aanzienlijke vrijheidsstraf worden volstaan.

Alles overwegende komt de rechtbank tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) jaren. Gelet op het voorgaande ten aanzien van de geconstateerde schendingen in een aantal van de politieverhoren, zal een strafkorting van drie (3) maanden worden toegepast. Dit leidt aldus tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) jaren en negen (9) maanden. De vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden zal worden toegewezen. De vorderingen van de benadeelde partijen zullen – nu deze niet zijn weersproken – worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummers: 06/950076-11, 06/850337-11 (gevoegd), 06/850682-11 (gevoegd) en 05/720020-10 (tul)

Uitspraak d.d.: 4 mei 2012

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Angola) op [1990],

wonende te [plaats],

thans verblijvende in het PPC te Amsterdam.

Raadsman: mr. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

20 april 2012. Het onderzoek is op deze zitting opnieuw aangevangen.

Zowel op de terechtzitting van 2 augustus 2011 als op die van 20 april 2012 is de tenlastelegging gewijzigd.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijzigingen van de tenlastelegging - ten laste gelegd dat:

Parketnummer 06/950076-11

hij op of omstreeks 24 januari 2011 te Zutphen, in elk geval in Nederland, op de openbare weg (de Coehoornsingel) en/of tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto, merk Porsche, type Cayman, kenteken [kenteken 1], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te

verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of één of meer van zijn mededaders die [slachtoffer A] heeft/hebben laten struikelen en/of (vervolgens), toen die [slachtoffer A] op de grond lag, meermalen, althans eenmaal op/tegen diens lichaam en/of diens hoofd heeft/hebben geslagen en/of geschopt;

art 312 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer 06/850337-11

1.

hij op of omstreeks 03 november 2010 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, een vuurwapen van categorie I onder 7° en/of van categorie II en/of van categorie III, te weten een revolver, althans een gas/alarm revolver (merk Rohm), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

2.

hij op of omstreeks 03 november 2010 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand aan de [adres] (nachtopvang [nachtopvang]) heeft weggenomen een of meerdere papieren bescheiden en/of een Playstation en/of een of meerdere andere goed(eren) naar zijn gading, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (het betreden van het gebouw via de brandtrap en/of een openstaand raam);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 03 november 2010 te Nijmegen, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen aan de [adres] (nachtopvang [nachtopvang]) en in gebruik bij [naam], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte;

art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 06 tot en met 07 oktober 2010 te Arnhem, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een auto (Renault Megane Scenic, kenteken [kenteken 2]) en/of een televisietoestel (merk Sony), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming (een voor het gebruik van die auto bestemde sleutel, terwijl verdachte niet tot het gebruik van die sleutel gerechtigd was);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in of omstreeks 06 tot en met 13 oktober 2010 te Arnhem, in elk geval in Nederland, een auto (Renault Megane Scenic, kenteken [kenteken 2]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof;

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks 11 en/of 12 oktober 2010 te Arnhem en/of te Putten, in elk geval in Nederland, opzettelijk een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) benzine, in elk geval een hoeveelheid brandstof, geheel of ten dele toebehorende aan [tankstation A] en/of [tankstation B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welke benzine verdachte bij een voor zelfbediening ingerichte benzinepompinstallatie, gelegen aan de Apeldoornseweg 300 te Arnhem en/of de rijksweg A28 ter hoogte van Putten, had getankt, onder gehoudenheid die benzine te betalen en welke benzine verdachte aldus en in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in of omstreeks 11 en/of 12 oktober 2010 te Arnhem en/of te Putten, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) benzine, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [tankstation A] en/of [tankstation B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 21 oktober 2010 te Arnhem, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] heeft gedwongen tot de afgifte van een bankpas, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, een revolver, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer C] en/of die de [slachtoffer D] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of (vervolgens) de [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] heeft gedwongen om op de grond te gaan liggen, waarbij hij, verdachte voornoemde [slachtoffer C] meermalen, althans eenmaal heeft gevraagd om de afgifte van geld en/of zijn zijn autosleutels;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 21 oktober 2010 te Arnhem, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, een revolver, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer C] en/of die de [slachtoffer D] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of (vervolgens) de [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] heeft gedwongen om op de grond te gaan liggen, waarbij hij, verdachte voornoemde [slachtoffer C] meermalen, althans eenmaal heeft gevraagd om de afgifte

van geld en/of zijn zijn autosleutels;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 21 oktober 2010 te Arnhem, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij die/dat weg te nemen geld onder zijn bereik te

brengen door middel van een valse sleutel, te weten de bankpas van die [slachtoffer C] en/of die De [slachtoffer D], terwijl verdachte niet tot het gebruik van die bankpas gerechtigd was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Parketnummer 06/850682-11

hij op of omstreeks 14 oktober 2010 te Arnhem, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een autosleutel (behorende bij een personenauto, merk Mercedes-Benz, kenteken [kenteken 3]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [taxibedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer E], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/zijn mededader(s) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer E] heeft/hebben gericht en/of gericht heeft/hebben gehouden en/of die [slachtoffer E] (daarbij) dreigend de woorden "ik wil je geld man", althans woorden van gelijke aard en/of

strekking, heeft/hebben toegevoegd en/of (vervolgens) die [slachtoffer E] een knietje tegen die kin heeft/hebben gegeven;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 14 oktober 2010 te Arnhem, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voornemen van het misdrijf, om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of een autosleutel en/of een personenauto Mercedes-Benz, [kenteken 3], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [taxibedrijf] en/of de heer [slachtoffer E], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet werd voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer E] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en/of zijn mededader een op een vuurwapen gelijkend voorwerp richtten en/of gericht hielden op [slachtoffer E] en/of hem daarbij dreigend de woorden 'ik wil je geld man', althans woorden van gelijke aard of strekking, heeft toegevoegd en vervolgens die [slachtoffer E] een knietje tegen zijn kin heeft/hebben gegeven.

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 5 (parketnummer 06/850337-11) de niet-ontvankelijkheid bepleit van het Openbaar Ministerie. Daartoe is onder meer het volgende aangevoerd.

Uit het beluisteren en bekijken van de audiovisuele opnamen volgt dat verdachte niet heeft toegegeven dat hij de pinnende man op de foto's/beelden is terwijl verdachte wel heeft ontkend dat hij (gezegd heeft dat hij) de man op die foto's is. Het moet er dus voor worden gehouden dat herhaalde vermeldingen in het proces-verbaal dat verdachte op dat belangrijke punt een bekentenis heeft afgelegd, onjuist zijn.

Hier wordt, zie ook het vonnis van de rechtbank Breda van 27 januari 2010 (BL0898), een wezenlijke kwestie geraakt, namelijk de betrouwbaarheid van de inhoud van ambtsedige processen-verbaal. Verdachte geeft niet toe dat hij op de beelden te zien is. Dat moet dus ook niet worden opgeschreven. Verdachte ontkent dat hij (gezegd heeft dat hij) op de beelden te zien is. Dat had wel moeten worden opgeschreven. Verbalisanten weten wat zij opschrijven. Er is dus gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 29 lid 3 Wetboek van Strafvordering (Sv.), waarin is bepaald dat de verklaringen van een verdachte zo veel mogelijk in zijn eigen woorden moeten worden opgenomen en de artikelen 152 en 153 lid 2 Sv., waarin is bepaald op welke wijze een proces-verbaal dient te worden opgemaakt en aan welke vereisten het dient te voldoen. Dit kan niet per ongeluk zijn gebeurd, dus moet het er voor worden gehouden dat de verbalisant hier bewust de hiervoor bedoelde bepalingen heeft geschonden. Het Openbaar Ministerie is verantwoordelijk voor de integriteit van de opsporing door de politie. Uit de jurisprudentie volgt dat als onomstreden uitgangspunt heeft te gelden dat de rechter blind moeten kunnen vertrouwen op de juistheid van de inhoud van de op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Dit belang stijgt uit boven het strafvorderlijke individuele belang van een verdachte. Het raakt de rechtspleging immers in haar kern. De conclusie kan niet anders zijn dan dat, nu een zo fundamenteel belang is geschonden, het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aldus de raadsman.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie en de politie hebben geen ernstige inbreuk gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Uit de schriftelijke weergave van het verhoor is niet klip en klaar af te leiden dat verdachte het feit heeft bekend. Verdachte weet hoe een verhoorsituatie in zijn werk gaat en in de verhoorsituatie is er met verdachte een discussie aangegaan en is er druk op hem uitgeoefend. De vraag is of hem bewust verkeerde woorden in de mond zijn gelegd. Dat is niet het geval. Op een van de vragen staat als antwoord genoteerd "ja". De rechtbank heeft ter zitting vastgesteld "mwoh" te horen en de raadsman heeft het over "mwa". Volgens de officier van justitie kunnen de verbalisanten ook "ja" hebben gehoord. Er hebben geen onregelmatigheden plaatsgehad. Niet-ontvankelijkheid is niet aan de orde, hoogstens bewijsuitsluiting van delen van verdachtes verklaring, aldus de officier van justitie.

Beoordeling door de rechtbank

De gemeenschap heeft een wezenlijk belang bij eerlijke en volledige verbalisering door de politie, goede invulling van diens verantwoordelijkheid voor de opsporing door het openbaar ministerie en juiste informering van de rechter.

Met de raadsman kan vastgesteld worden dat enkele passages die aan verdachte zijn toegeschreven in de schriftelijke weergave van de verhoren die hebben plaatsgehad op 22 december 2010 (het tweede verhoor) en 23 december 2010 (het derde verhoor) niet geheel overeenkomstig verdachtes woordelijke verklaring zijn. Een en ander is aan het licht gekomen toen de raadsman de audiovisuele opnamen van de beide verhoren heeft bekeken. De rechtbank heeft dit ook voorafgaand aan de zitting gedaan. De rechtbank sluit zich aan bij de voorbeelden die door de raadsman op dit punt zijn gegeven in zijn pleitnota.

Anders dan de raadsman is de rechtbank evenwel van oordeel dat het merendeel van de voorbeelden, waarin door verdachte in werkelijkheid iets anders wordt gezegd dan geverbaliseerd, onder een zakelijke weergave van de woordelijke verklaring van verdachte kan worden geschaard. Van een oneerlijke en onvolledige verbalisering is de rechtbank op die punten niet gebleken. Dit geldt evenwel niet voor een tweetal punten.

Zo is onjuist de op pagina 9 van het loopproces-verbaal gemaakte opmerking van de verbalisant naar aanleiding van het tweede verhoor, dat door verdachte in deze (tweede) verklaring onder meer zou zijn verklaard dat hij op de hem getoonde beelden ziet dat hij de persoon is die een pintransactie uitvoert. Dat is in werkelijkheid, zo is door de rechtbank met de raadsman aan de hand van de audiovisuele opname vastgesteld, niet het geval.

Op pagina 44 van het betreffende verhoor staat het volgende geverbaliseerd als weergave van de verklaring van verdachte:

"* verbalisant toont bijlage 1, 2 en 2a

V: dat ben jij

A: dat is iemand die op mij lijkt. Die draagt een shawl. En ik draag geen shawl.

V: op deze foto is duidelijk te zien dat jij het bent

A: ja"

In werkelijkheid antwoordt verdachte op deze vragen echter als volgt:

V: (...)

A: wie zegt dat ik dat ben kerel, omdat ie op mij lijkt? Omdat diegene een shawl draagt?

V: (...)

A: mwoh ..."

Met name de weergave dat verdachte "ja" zou hebben gezegd, op de vraag / opmerking van de verbalisant dat op een bepaalde foto duidelijk is te zien dat verdachte het zou zijn, acht de rechtbank kwalijk. Dat de verbalisanten dat verkeerd zouden hebben kunnen verstaan, zoals door de officier van justitie betoogd, acht de rechtbank niet goed voorstelbaar.

Verdachte is door deze onjuiste weergave van zijn antwoord in zijn belangen geschaad, als ook de gemeenschap gelet op voornoemd uitgangspunt.

Bij het voorbereidend onderzoek ten aanzien van dit feit zijn aldus vormen verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld. Dit dient rechtsgevolgen te hebben. Het meest verregaande rechtsgevolg, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, acht de rechtbank evenwel niet aan de orde. Er zijn vormen verzuimd, maar de rechtbank komt niet tot het oordeel dat door dat verzuim ten aanzien van dit feit geen sprake meer kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet. Daarbij betrekt de rechtbank ook de vaststelling dat verdachte volgens het onderhavige proces-verbaal weliswaar op een bepaalde plek in het verhoor zou hebben verklaard dat hij zichzelf herkent op bepaalde beelden, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval is, maar in de verdere weergave van de verhoren is het de rechtbank genoegzaam duidelijk geworden dat die verklaring met de nodige korrels zout moet worden genomen en dat verdachte als een duidelijke ontkennende verdachte kan worden beschouwd. In zoverre zouden de rechtsgevolgen van de onjuiste vermelding van het antwoord "ja" dan ook beperkt zijn gebleven, ook als de raadsman er niet op had gewezen.

Niettemin is de rechtbank van oordeel dat het verzuim rechtsgevolgen voor de hoogte van de na te melden straf moet hebben. De op te leggen straf zal met drie (3) maanden gevangenisstraf worden verlaagd.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 06/950076-11

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft op grond van de verklaring van aangever, de verklaringen van de medebewoners van [naam] en de bevindingen van de politie, geconcludeerd tot bewezenverklaring van het feit. Ter zitting heeft de officier van justitie in een schriftelijk requisitoir de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is onder meer het volgende aangevoerd. De verklaringen van de getuigen [getuige A] en [getuige B] zijn niet betrouwbaar genoeg om tot de conclusie te komen dat verdachte bij deze overval betrokken is geweest. Op grond van de omstandigheid dat de sleutel van de Porsche op de kamer van verdachte is aangetroffen, staat nog niet vast dat hij die sleutel ook gestolen heeft.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het ten laste gelegde feit uit van de volgende feiten en omstandigheden.1 In het dossier bevinden zich onder meer de aangifte, de verklaringen van verdachte, de verklaringen van getuigen en de bevindingen van verbalisanten zoals hierna zakelijk en verhalenderwijs weer te geven:

Aangever [slachtoffer A] heeft verklaard dat er op 24 januari 2011 om 23.50 uur op de Coehoornsingel te Zutphen jegens hem een diefstal van zijn personenauto met geweld werd gepleegd. Hij heeft verklaard dat hij een Porsche Cayman, bouwjaar 2010, kleur zwart en voorzien van kenteken [kenteken 1] leasete van [leasebedrijf]. Hij heeft voorts verklaard dat hij op 24 januari 2011 omstreeks 23:50 uur over de Coehoornsingel te Zutphen liep en dat hij kort daarvoor zijn auto had geparkeerd en afgesloten. Ineens lag hij op de grond omdat hij tot struikelen gebracht was. Terwijl hij op de grond lag, voelde hij dat hij een aantal klappen kreeg van een manspersoon en hij heeft toen geroepen: "waarom dit?". Hij heeft verklaard dat hij voelde dat hij zeven of acht klappen/trappen kreeg, dat hij boven zijn rechteroog werd geraakt en op zijn armen, schouders en lichaam, waarbij hij pijn voelde. Hij heeft verklaard dat hij daarbij een opgezet dik rood oog heeft opgelopen en dat hij een verdikking aan zijn kin op zijn onderkaak voelde. Hij heeft verklaard dat hij in de gaten had dat het om twee manspersonen ging, waarvan één een negroïde man betrof. Hij heeft voorts verklaard dat hij ten tijde van de mishandeling zijn autosleutels heeft laten vallen. Voorts heeft hij verklaard dat de mannen na de 7e of 8e klap ophielden met schoppen en slaan, dat hij vlak daarna zijn autosleutel kwijt was en dat hij naar de auto is gelopen en zag dat de twee mannen daar in zaten. Hij heeft verder verklaard dat de man op die op de bijrijderstoel zat uitstapte en in zijn richting kwam lopen, hetgeen heel dreigend op hem overkwam en dat hij zag dat het de negroïde man betrof.2

Uit het proces-verbaal van bevindingen gedateerd 25 januari 2011 blijkt dat verbalisanten op 25 januari 2011 de betreffende Porsche geparkeerd aantroffen te Eefde.3

Uit het proces-verbaal sporenonderzoek blijkt dat een verbalisant bij het door hem verrichte sporenonderzoek van de betreffende Porsche links van de bestuurderstoel een kruiskopschroevendraaier met een rood handvat zag liggen.4

Uit het proces-verbaal van bevindingen gedateerd 27 januari 2011 blijkt dat aangever heeft medegedeeld dat de sleutel van de gestolen Porsche zilverkleurig is met een kunststof zwart uiteinde, waarop een Porsche-logo staat.5

Uit het proces-verbaal van bevindingen gedateerd 28 januari 2011 blijkt dat aangever een

e-mail heeft gestuurd naar een verbalisant, waarin aangever heeft aangegeven dat de sleutel van de Porsche die afgenomen is aan een sleutelhanger hing met daarin een magneetje met een supermarktmuntje, mogelijk met opschrift van [garage te plaats].6

Uit het proces-verbaal van bevindingen gedateerd 29 januari 2011 blijkt dat bij een doorzoeking van de kamer B8 (de kamer van verdachte) een zwarte jas met daarin een sleutel met een Porsche-logo in beslag is genomen. Tevens blijkt uit dit proces-verbaal dat is vastgesteld dat in kamer B8 de kruiskopschroeven in het hout gedeeltelijk losgedraaid zijn waardoor het raam geopend kan worden.7

Uit het proces-verbaal van bevindingen gedateerd 1 februari 2011 blijkt dat door een verbalisant is vastgesteld dat de autosleutel, gevonden bij de doorzoeking op 28 januari 2011 in de kamer van verdachte, behoort bij de van [slachtoffer A] gestolen Porsche. Verbalisant verklaart voorts dat niet valt uit te sluiten dat de in de auto gevonden schroevendraaier is gebruikt om de schroef uit het hout bij het raam van kamer B8 - de kamer van verdachte - te verwijderen.8

Getuige [getuige A] heeft op 26 januari 2011 - derhalve al vóórdat de bovengenoemde sleutel is gevonden op de kamer van verdachte - verklaard dat hij van medeverdachte [medeverdachte] en verdachte zelf heeft gehoord dat ze een Porsche hebben gestolen van een man. Hij heeft verklaard dat hij op maandag 24 januari of dinsdag 25 januari werd aangesproken door [medeverdachte] en dat hij toen zag dat die een sleutel uit zijn zak haalde en aan hem liet zien.

Hij heeft verklaard dat [medeverdachte] op enig moment tegen hem zei dat hij weg was geweest met verdachte en dat ze 's nachts via een raam naar buiten waren gegaan om geld te maken. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte] tegen hem zei dat hij en [verdachte] een man hadden geslagen, dat er een worsteling had plaatsgevonden en dat ze zijn autosleutels hadden afgepakt. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte] zei dat het een gruwelijk mooie Porsche was en dat verdachte dat beaamde. Hij heeft ook verklaard dat [verdachte] zei dat ze gerend hadden en dat die man riep: "waarom nou, waarom moet dit zo?" Hij heeft tevens verklaard dat [getuige B] later zei dat hij de sleutel van de Porsche had en dat hij die van [medeverdachte] moest weggooien.9

Getuige [getuige B] heeft op 28 januari 2011 verklaard dat hij op dinsdag 25 januari 2011 op de slaapkamer van medeverdachte [medeverdachte] was. Die vertelde aan hem dat hij en [verdachte] op maandag 24 januari 2011, omstreeks 22:45 uur, op de Coehoornsingel te Zutphen hadden gezien dat een man uit een Porsche stapte, dat zij deze man hebben aangepakt en dat die van schrik alles uit zijn handen liet vallen, waaronder zijn autosleutels. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte] aan hem vertelde dat zij de autosleutels hebben gepakt en zijn weggereden in de Porsche. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte] hem vervolgens de autosleutels liet zien en dat de sleutel zwart van kleur was met het Porsche-logo erop en dat er aan de sleutel een label hing van een garage hier uit de buurt. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte] hem de sleutel gaf en zei dat hij deze moest weggooien. Hij heeft verklaard dat hij de volgende ochtend de sleutel aan [medeverdachte] heeft teruggegeven. Hij heeft tevens verklaard dat [medeverdachte] hem vertelde dat ze de man van de Porsche hadden mishandeld en hem allebei klappen hadden gegeven, dat ze de Porsche hadden achtergelaten in Eefde en dat de Porsche zwart was.10

Getuige [getuige C] heeft verklaard dat hij zich de nacht van 24 en 25 januari 2011 nog heel goed herinnert. Hij heeft verklaard dat hij een paar dagen voor die nacht zijn raam had losgedraaid. Hij heeft verklaard dat hij dat met een kruiskopschroevendraaier met een rood handvat heeft gedaan, welke hij van een jongen genaamd [getuige D] uit groep C heeft gekregen. Hij heeft verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte] (hij weet van hen geen achternamen) aan hem vroegen of zij de schroevendraaier mochten lenen om ook het raam open te maken en dat hij deze aan één van hen heeft gegeven op de 22e, 23e of 24e januari. Hij heeft verklaard dat hij de schroevendraaier niet heeft teruggekregen en dat hij de aan hem getoonde schroevendraaier herkent van de foto (getoond is de schroevendraaier, welke in de Porsche is gevonden). Hij heeft verklaard dat [medeverdachte] hem op 24 januari 2011 vóór 22:15 uur vroeg of hij door zijn raam naar buiten mocht die avond en dat [verdachte] erbij kwam en dat ook wilde. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte] uit zijn raam is geklommen en dat deze tegen middernacht is teruggekeerd.11

Getuige [getuige D], die zichzelf [getuige D] noemt, heeft verklaard dat hij [getuige C] (de rechtbank begrijpt: [getuige C]) een schroevendraaier heeft gegeven, dat het een kruiskopschroevendraaier met een rood handvat was en dat hij de schroevendraaier herkent van de foto.12

Medeverdachte [medeverdachte] [medeverdachte] heeft verklaard dat hij op maandag 24 januari 2011 om 22:30 uur naar [getuige C] is toegelopen en tot ongeveer 1:00 uur bij hem op de kamer is gebleven.13 Op beelden van een beveiligingscamera is te zien dat [medeverdachte] op 24 januari 2011 om 22:13 uur over de gang van de kamers B6 tot en met B10 loopt en dat hij 'verdwijnt' in een nis van de kamers van B7 en B8. De kamer van [getuige C] is op B7. Op 25 januari 2011 te 01:08 uur komt [medeverdachte] vervolgens weer uit die nis lopen. Nader onderzoek heeft uitgewezen, dat de exacte tijden 22:24 uur en 01:19 uur moeten zijn (de klok liep namelijk elf minuten achter).14

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank tot een bewezenverklaring worden gekomen van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Door aangever is - kort samengevat - aangifte gedaan van diefstal van zijn Porsche met het gebruik van geweld daarbij in vereniging gepleegd. Aangever heeft verklaard dat hij ten tijde van het geweld jegens hem gepleegd heeft uitgeroepen: "waarom dit?". Voorts is door aangever verklaard dat de sleutel van de Porsche aan een sleutelhanger zat, waarop mogelijk het opschrift stond van [garage]. De gestolen Porsche wordt vervolgens in Eefde aangetroffen en bij het sporenonderzoek van de Porsche wordt daarin een kruiskopschroevendraaier aangetroffen.

Vervolgens hebben twee groepsgenoten van verdachte verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] aan hen verteld heeft dat hij het feit heeft gepleegd samen met verdachte. Uit de verklaring van [getuige A] volgt dat verdachte het ook aan hem heeft verteld. Opvallend in hun verklaringen is dat zij daarin specifieke details vermelden over het gebeuren. [getuige A] heeft verklaard over de uitroep van aangever nadat de daders hem hadden geslagen en beroofd, welke verklaring nagenoeg overeenstemt met de verklaring daarover van aangever. [getuige B] heeft verklaard over de straat waar de beroving heeft plaatsgevonden, de sleutelhanger en de plaats waar de gestolen Porsche door de daders is achtergelaten. Groepsgenoot [getuige C] heeft daarnaast een gedetailleerde verklaring afgelegd, waarbij hij heeft verklaard dat hij de schroevendraaier aan [verdachte] (verdachte) of [medeverdachte] (medeverdachte [medeverdachte]) heeft afgegeven en tevens over hoe medeverdachte [medeverdachte] op de betreffende avond door zijn raam naar buiten is gegaan. Medeverdachte [medeverdachte] heeft zelf ook erkend dat hij de betreffende avond bij [getuige C] op de kamer is geweest.

De verklaringen afgelegd door [getuige A] en [getuige B] vinden voldoende steun in de verklaring van [getuige C], het bewijs betreffende het aantreffen van de schroevendraaier in de Porsche bij het uitvoeren van een sporenonderzoek, het proces-verbaal van bevindingen waarin wordt vastgesteld dat ook het raam van de kamer van [getuige C] bewerkt is, waardoor het geopend kan worden, en het proces-verbaal betreffende het aantreffen van de sleutel van de Porsche bij medeverdachte [verdachte].

De rechtbank heeft, anders dan de verdediging, geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige A] en [getuige B]. Dat hun afgelegde verklaringen bij de politie en bij de rechter-commissaris niet geheel overeenkomen maakt dit niet anders. De verklaringen komen immers telkens in grote lijnen overeen en verschillen slechts in detail van elkaar. Dat er verschillen tussen bestaan, acht de rechtbank verklaarbaar, gelet op het tijdsverloop dat van invloed kan zijn op het herinneringsvermogen van de getuigen. Op de belangrijke (beslis)punten verschillen de verklaringen echter niet.

Ten aanzien van parketnummer 06/850337-11

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 subsidiair (t.a.v. [tankstation B]) en 5 primair ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie in een schriftelijk requisitoir de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Ten aanzien van feit 2 primair, feit 3 primair en feit 4 primair en 4 subsidiair (t.a.v. [tankstation A]) heeft de officier van justitie om vrijspraak verzocht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van alle feiten vrijspraak bepleit. Op de verweren van raadsman wordt hieronder voor zover relevant ingegaan.

Beoordeling door de rechtbank15

Feit 1:

Bij de aanhouding van verdachte op 3 november 2010 te Nijmegen, naar aanleiding van een gerezen verdenking tegen verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit, is in de broeksband van verdachte een niet geladen vuurwapen aangetroffen.16

Het verweer van de raadsman dat er sprake is van een onrechtmatige bewijsgaring, omdat de verbalisanten niet mochten overgaan tot een vordering tot uitlevering ex artikel 52 lid 1 van de Wet wapens en munitie, nu de verkregen informatie, op grond waarvan die vordering is gedaan, te summier was om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden van schuld, wordt verworpen.

Tijdens het opnemen van de aangifte (ter zake van feit 2) is door aangeefster verklaard dat een andere kamerbewoner (van het hierna nog nader te noemen [nachtopvang]) een klein handvuurwapen had gezien bij verdachte. Deze kamerbewoner wilde echter anoniem blijven.17 Deze informatie rechtvaardigde naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk de vordering tot uitlevering. De informatie was voldoende concreet en specifiek.

Het onderzoek van de politie wees uit dat het een revolver betrof met de volgende kenmerken:

- merk: Rohm;

- type: RG77

- kaliber: .22

Het is een voorwerp om projectielen of stoffen door een loop af te schieten en de werking berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Derhalve is deze revolver een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.18

Uit nader technisch onderzoek bleek het volgende. De revolver is een gas/alarmrevolver bestemd om losse flodders mee af te vuren. De hamer en de trekker functioneerden normaal. De revolver was voorzien van een rondsel waarvan de uitwerpplaat ontbrak. Daardoor draaide het rondsel niet door als men de trekker overhaalde om te schieten. Er kwam dus geen nieuwe kamer voor de slagpin. Verder ontbrak de vergrendeling voor het rondsel om deze in vaste positie te houden wanneer de hamer in gespannen toestand staat. Hierdoor komt de kamer niet 100% recht voor de loop te liggen. Door deze defecten kan gesteld worden dat men met enig kunst- en vliegwerk handmatig een patroon voor de slagpin zou kunnen leggen waarna deze dan kan worden afgevuurd. De normale functie van het wapen is echter defect.19

Omdat de normale functie van het wapen defect is, heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu het wapen daardoor niet onder categorie III valt. De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman. Het wapen functioneert weliswaar niet meer volledig, maar het kan nog wel worden gebruikt om te vuren, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de politie. Dat maakt dat het nog steeds een categorie III wapen betreft. Ook een niet goed functionerend wapen kan daaronder vallen. Dat wordt slechts anders indien het overeenkomstig het bepaalde in artikel 18 van de Regeling wapens en munitie onklaar is gemaakt. Dat is in deze niet aan de orde.

Feit 2:

Van feit 2 primair zal verdachte worden vrijgesproken, nu er uit de stukken niet dan wel onvoldoende blijkt, dat er door verdachte goederen zijn gestolen.

Voor de onder 2 subsidiair tenlastegelegde "lokaalvredebreuk" acht de rechtbank wel voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden.

Uit de aangifte van [naam], werkzaam bij het [naam jongerenteam], beter bekend als [nachtopvang], gevestigd aan de [adres te plaats], kan het volgende worden opgemaakt. Toen zij op 3 november 2010 om ongeveer 13:30 uur naar de Nachtopvang Jongeren op de eerste verdieping ging, zag zij dat de toegangsdeur van deze afdeling openstond, wat, aldus [naam 1], ongebruikelijk is gedurende de dag. Het is namelijk een nachtopvang. De openingstijden van de nachtopvang zijn van 17:00 uur tot 08:30 de volgende dag. Toen zij de afdeling binnenging, zag zij ook dat de deur van het kantoor openstond. Binnen het kantoor zag zij verdachte zitten.20

Door verdachte is verklaard dat hij één nacht bij [nachtopvang] heeft geslapen en dat hij daar een eigen kamer had, waar ook zijn eigen spulletjes lagen. Verdachte verklaart voorts dat hij zich na 16:30 uur mag melden bij [nachtopvang] en dat je dan tot de volgende dag tot 08:30 uur mag blijven. Daarna moet je het pand verlaten, aldus verdachte.21

Op de vraag van de voorzitter of hij op 3 november 2010 in het kantoor van [nachtopvang] is geweest, heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij "er" die dag via de voordeur naar binnen is gegaan.

Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 3 november 2010 zonder toestemming van de rechthebbende in een besloten lokaal bij een ander in gebruik is binnengedrongen. Verdachte had in de kantoorruimte, op welk tijdstip dan ook, niets te zoeken. In het midden kan blijven hoe verdachte daar binnen is geraakt.

Feit 3 en 4:

Bij de eerder genoemde aanhouding van verdachte op 3 november 2010 werd onder verdachte, naast een revolver, tevens een fototoestel van het merk Ricoh, type Caplio R40 aangetroffen. Op een geheugenkaartje in die camera werd een aantal foto's aangetroffen, die te herleiden waren naar ene [slachtoffer C].22

Aangever [slachtoffer C] heeft aangifte gedaan van een inbraak in zijn woning, gelegen aan de [adres te plaats], gepleegd tussen 6 en 7 oktober 2010. Uit die aangifte kan worden opgemaakt dat toen onder meer zijn autosleutels zijn gestolen en (vervolgens) ook zijn auto, te weten een Renault Megane Scenic, voorzien van het kenteken [kenteken 2].23

De betreffende auto is op 13 oktober 2010 aangetroffen op een afgelegen parkeerplaats aan de Heijenoordseweg te Arnhem. Een in de buurt van de auto postende verbalisant relateert dat hij op die 13e oktober een persoon zich in rechte lijn naar het voertuig ziet bewegen. Als die persoon het voertuig heeft bereikt, maakt de verbalisant zich bekend. De persoon schrikt, slaakt een kreet en rent bij de verbalisant weg. In de achtervolging die volgt, lukt het de verbalisant niet om de persoon aan te houden. Door de verbalisant wordt het voertuig inbeslaggenomen en onderzocht. Daarbij zijn documenten aangetroffen met daarop persoonsgegevens van verdachte, die niet de rechtmatige eigenaar van het voertuig bleek te zijn. Verbalisant heeft vervolgens een politiefoto van verdachte bekeken. Daarbij herkende hij meteen en met overtuiging verdachte als de persoon die hij die nacht had achtervolgd.24

In de periode tussen de inbraak en diefstal van de auto (van 6 op 7 oktober 2010) en het aantreffen van de auto (op 13 oktober 2010) is er twee keer door een persoon of personen getankt zonder dat er daarna is betaald, eenmaal op 11 oktober 2010 te Arnhem en eenmaal op 12 oktober 2010 te Putten. Bij die gelegenheden is telkens de betreffende Renault Megane gesignaleerd.25

Bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij de inbraak bij [slachtoffer C] op 6 of 7 oktober 2010 is niet voorhanden, zodat vrijspraak moet volgen voor het onder 3 primair tenlastegelegde.

Voor de opzetheling van de auto acht de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. Uit de bewijsmiddelen kan immers worden opgemaakt dat verdachte op 13 oktober 2010 in de buurt van betreffende auto is gezien en dat hij van die auto is weggerend. Bovendien zijn in de auto documenten met persoonsgegevens van verdachte aangetroffen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verdachte de auto toen in gebruik had. Vast staat dat hij niet de rechtmatige eigenaar van de auto is. Uit de omstandigheid dat de verdachte een auto voorhanden had, waarvan hij wist dat deze niet zijn eigendom was, vloeit voort dat hij ten tijde van het verwerven en voorhanden krijgen moet hebben geweten althans bewust het risico op de koop toe moet hebben genomen dat de auto van diefstal afkomstig was. Verdachte heeft immers nagelaten een (redelijke) verklaring te geven, hoe hij aan de bewuste auto is gekomen.

De verklaring van verdachte dat hij de Megane in Arnhem Zuid had meegenomen, waarbij hij met meegenomen kennelijk meegekregen bedoelde, acht de rechtbank niet een redelijke verklaring.26

Van de verduistering dan wel diefstal van benzine op 11 oktober 2010 te Arnhem zal verdachte worden vrijgesproken. Van de betreffende tankbeurt zijn beelden voorhanden, maar daarop is verdachte niet te herkennen. Er naar het oordeel van de rechtbank overigens ook geen toereikende bewijsmiddelen om verdachte met dit feit in verband te kunnen brengen.

Voor de diefstal van benzine op 12 oktober 2010 te Putten bij [tankstation B] acht de rechtbank wel voldoende wettig en bewijs voorhanden. Uit de aangifte volgt dat er door de bestuurder van een Renault Megane Scenic met kenteken [kenteken 2] toen voor

€ 55,57 aan benzine is getankt en dat hij na het tanken direct in zijn voertuig stapte en wegreed.27 Hieruit kan worden opgemaakt, dat die persoon nimmer het plan heeft gehad om voor de benzine te betalen, zodat hij als dief kan worden aangemerkt, zodat er vrijspraak dient te volgen voor de onder 4 primair tenlastegelegde verduistering.

Van de betreffende tankbeurt zijn camerabeelden voorhanden. Op foto's van die beelden is een negroïde man te zien met zichtbaar kort haar.28

De politie herkent verdachte als de persoon die op dat moment daar heeft staan tanken. Het signalement en de afbeelding van de persoon op de fotoprints komt overeen met verdachte, aldus de politie.29 De rechtbank acht dit een redelijke vaststelling. In combinatie met de vaststelling dat verdachte daags na deze tankbeurt gezien is bij de Megane, gaat ook de rechtbank er van uit dat de persoon op de foto's verdachte is geweest en daarmee de dief van de getankte benzine.

Feit 5:

Op 22 oktober 2010 is door de toentertijd 88 jarige, eerder genoemde, [slachtoffer C] aangifte gedaan ter zake van een overval. Uit die aangifte komt naar voren dat er op 21 oktober 2010 omstreeks 19:30 uur werd aangebeld bij zijn woning aan de [adres te plaats]. Op dat moment waren zijn vrouw ([slachtoffer D]) en hij in de woonkamer aanwezig.

Aangever liep naar de voordeur en opende deze. Hij zag een manspersoon voor de deur staan, met een revolver in zijn hand welke op hem werd gericht. De man zei dat hij geld wilde. Aangever moest van de overvaller naar binnen gaan en aangever en zijn vrouw moesten van de overvaller op de grond gaan liggen. Na naar de kluis en de autosleutels te hebben gevraagd, vroeg de overvaller om geld. Hij ging daarop aan aangever zitten, waarop die zijn pinpas gaf. De overvaller vroeg om de pincode en aangever gaf hem een onjuiste pincode, die hij nog twee keer herhaalde. Hierop heeft de overvaller de woning verlaten. Het signalement van de overvaller luidde, onder meer:

- zwarte man, zijn huidskleur was erg donker. Donkerder dan die van een Marokkaan. Het was meer een Congolees;

- droeg donkere, zwarte kleding. Een broek en een zwart shirt;

- zwart haar (...);

- aangever schat de man iets langer dan hijzelf. Hij is 1.75m. Hij schat de overvaller tussen 1.75 en 1.80m lang;

- de man sprak accentloos Nederlands.

Weggenomen is een betaalkaart van de Rabobank met nummer: [nummer]

Met de weggenomen betaalkaart wordt reeds op 21 oktober 2010 te 19:44.20 uur (i.e. 14 minuten na de overval) getracht geld op te nemen, gevolgd door een tweede poging om 19:45.00 uur bij een geldautomaat op de Burgemeester Weertstraat 73 te Arnhem.31 De afstand tussen woning aan de Izaak Evertslaan 70 en de geldautomaat aan de Burgemeester Weertstraat 73 bedraagt ongeveer 450 meter.32

Van voornoemde pintransacties, als ook van een latere pintransactie op diezelfde dag om 23:17 uur bij een geldautomaat op de Kronenburgpromenade 6 te Arnhem33, zijn foto's van de pinnende persoon voorhanden. Van de laatste transactie zijn ook beelden voorhanden, die ter terechtzitting zijn bekeken. De foto's zijn door twee verbalisanten bekeken en zij hebben gerelateerd dat zij verdachte op die foto's herkennen.34

Ter terechtzitting zijn de foto's en beelden getoond. Bij wijze van eigen waarneming heeft de rechtbank vastgesteld dat de persoon op de foto's en de beelden van de pintransactie bijzonder grote gelijkenis vertoont met de in de rechtszaal aanwezige verdachte. Op de foto's van de pintransactie bij een geldautomaat op de Burgemeester Weertstraat 73 valt waar te nemen dat de pinnende persoon een (naar alle waarschijnlijkheid) lichtkleurige shawl draagt.35

Naar aanleiding van de melding van de overval gaan verschillende politieagenten ter plaatse.

Verbalisant [verbalisant 1], een hondengeleider, relateert dat hij van de centralist had doorgekregen dat de verdachte een donker getinte persoon zou zijn, gekleed in donkere kleding. Vervolgens zag hij op de Amsterdamseweg ter hoogte van de Frombergstraat een man lopen met een donkere huidskleur. Die persoon had een lichtblauwe shawl in zijn handen. Die persoon was in het donker gekleed. Vermoedelijk droeg hij onder zijn jas een rood shirt, dat onder zijn jas vandaan kwam. Op het moment dat hij met zijn dienstvoertuig richting de man rijdt, rent de man weg. Op aanroepen van hem reageert de man niet. Na een achtervolging raakt de verbalisant de man uit het oog. Ter hoogte van de Frombergstraat, hoek Frombergdwarsstraat heeft de man zijn blauwe shawl van zich afgegooid, welke door een medewerker van de technische recherche is veiliggesteld.36

Twee andere verbalisanten relateren dat zij op enig moment een donker getinte man hard zien lopen, komend vanaf de rechterzijde van de noordzijde van het station alwaar hij de Brugstraat in gaat. De verbalisanten rennen vervolgens parallel aan de verdachte de Betuwestraat in, richting de Utrechtseweg. Als zij op de Utrechtseweg richting de Brugweg lopen zien zij een donker getinte man met versnelde pas aan komen lopen in hun richting. De man voldeed aan het signalement dat hen door de hondengeleider was opgegeven. Het was een donkergetinte negroïde man van ongeveer 1.80 m. lang met kroeshaar. Hij droeg een zwart glimmende trainingsbroek en een kort zwart eveneens licht glimmend trainingsjackje. Onder dit jasje kwam een strook rode stof uit. Na een korte achtervolging verliezen ook zij de man uit het oog.37

De rechtbank houdt het er voor dat de drie verbalisanten allen achter dezelfde man hebben aangerend.

De inbeslaggenomen shawl is door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzocht op biologische sporen. Van het celmateriaal in de bemonsteringen van de shawl zijn DNA-mengprofielen verkregen. Deze zijn met elkaar en met het DNA-profiel van verdachte vergeleken. De uitkomst daarvan is dat er een zogenaamde match met het DNA-profiel van verdachte is, dat zich al in de databank van het NFI bevond. Juister gezegd: de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met het DNA-profiel van verdachte is kleiner dan één op één miljard.38

Door de raadsman is bepleit dat het NFI-rapport niet bruikbaar is voor de bewijsvoering, nu ondanks het verzoek van de verdediging het voor afgifte van DNA-materiaal vereiste bevel van de officier van justitie niet op tafel is gekomen en het de verdediging daardoor niet mogelijk is gemaakt om te toetsen of een dergelijk bevel wel gegeven kon worden. Dat betekent dat van de onrechtmatigheid van dat deel van de bewijsgaring moet worden uitgegaan en dat het NFI rapport daarvan een verboden vrucht is. Bewijsuitsluiting moet volgen, dan wel aanhouding van de zaak opdat de officier van justitie alsnog in de gelegenheid wordt gesteld om de door de verdediging gevraagde stukken aan het dossier te voegen, aldus de raadsman.

Beide verweren van de raadsman zullen door de rechtbank worden afgewezen. Het NFI-rapport zal door de rechtbank worden gebruikt voor het bewijs. Opname van DNA-profielen in de Nederlandse DNA databank voor strafzaken is strikt gereguleerd. De raadsman heeft geen enkele omstandigheid aangevoerd om tot de slotsom te komen dat de afname van DNA indertijd, in het kader van eerdere strafzaken, niet rechtmatig heeft plaatsgevonden, zodat dit ook niet aannemelijk is geworden.

Deze DNA-match, de herkenning van verdachte door de politie op de foto's en de hierboven weergegeven eigen waarneming van de rechtbank in onderling verband en samenhang beschouwd, brengt de rechtbank er toe om te komen tot de vaststelling dat de persoon die om 19:44 uur heeft gepind aan de Burgemeester Weertstraat 73 te Arnhem verdachte moet zijn geweest.

De rechtbank is zich er van bewust dat de aangever heeft verklaard dat de overvaller donkere kleding aan had en dat de drie verbalisanten ook hebben gerelateerd dat de man waar zij achter aan renden donkere kleding aanhad. De man die staat te pinnen om 19:44 uur, waarvan de rechtbank aanneemt dat het verdachte is, lijkt echter een lichtkleurige jas aan te hebben. Die constatering staat aan het bovenstaande niet in de weg. Immers, of de verdachte heeft zich kort na het pinnen ontdaan van die jas ofwel de idee / waarneming van de rechtbank dat de man op de zwart-wit foto's een lichtkleurige jas aan heeft, is niet juist. Het zou ook kunnen zijn dat het zwart glimmende trainingsjackje - waar de twee verbalisanten gewag van maken - licht opkleurt op de zwart-wit foto's. Bij dit alles neemt de rechtbank in aanmerking dat [verbalisant 1] tevens heeft gerelateerd dat de betreffende man met donkere kleding een blauwe shawl van zich afgooide, dat op de beelden van de eerste pintransactie op de Burgemeester de Weerstraat te Arnhem de pinnende persoon een ten opzichte van de jas lichtkleurige shawl draagt, dat de pinnende persoon op de beelden van de latere pintransactie op de Kronenburgpromenade geen shawl draagt maar schijnbaar dezelfde jas als op de beelden van de eerste pintransactie en dat op de shawl die door [verbalisant 1] is veiliggesteld DNA-materiaal is aangetroffen dat matcht met DNA-materiaal van verdachte.

Samengevat kan vastgesteld worden dat verdachte binnen veertien minuten nadat aangever [slachtoffer C] van zijn pinpas is ontdaan, staat de pinnen met diens pinpas. Die vaststelling laat, bij gebreke van enige redelijke verklaring aan de zijde van verdachte, geen enkele andere conclusie toe dan dat verdachte de overvaller moet zijn geweest.

Ten aanzien van parketnummer 06/850682-11

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit op grond van de aangifte en de DNA-match.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Op de verweren van raadsman wordt hieronder voor zover relevant ingegaan.

Beoordeling door de rechtbank39

Door [slachtoffer E] is aangifte gedaan van een overval op hem en zijn taxi. Hij heeft verklaard dat hij op 14 oktober 2010 werkzaam was als taxichauffeur in Arnhem voor de [taxibedrijf te plaats]. Enkele minuten nadat hij zijn taxi parkeerde op het Nieuwe Plein te Arnhem stapte er aan de passagierszijde een donker gekleurde man in en op de achterbank een blanke man. Als bestemming werd Lombok opgegeven. Toen [slachtoffer E] met zijn taxi in de bocht van de Heijenoordseweg met de Jachthoornlaan was aangekomen, hoorde hij de donkere man zeggen: "Ik wil je geld man". Toen hij naar rechts keek, zag hij dat de man een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand had. Ongeveer 300 meter verder stopte hij zijn taxi. Hij remde en sprong tegelijkertijd uit de taxi. Hij rende niet gelijk weg. Bij de taxi werd hij aangevallen door de blanke man. In de daaropvolgende worsteling krijgt hij een knietje tegen zijn kin. Daarop rent hij hard weg en belt de politie. Als hij later terugkomt bij zijn taxi ziet hij dat er een grote ster in de voorruit zit, die er voor de overval nog niet in zat. Verder constateert hij dat de taxisleutel is verdwenen en verder niets.40

In een aanvullende verklaring verklaart [slachtoffer E] dat taxi's elke dag werden en worden gewassen en schoongemaakt en dat hij als chauffeur de auto na een dienst ook nog schoonmaakt. De autowassers hebben ook de opdracht om de auto van binnen en van buiten dagelijks helemaal schoon te maken; daar horen ook de ramen bij, zowel van binnen als van buiten. De staat van de auto op de dag van de overval was netjes, aldus [slachtoffer E]. Hij verklaart - in aanvulling op zijn aangifte - dat hij op enig moment hard op de rem heeft getrapt. Hij kan zich wel voorstellen dat de overvaller daardoor tegen de voorruit van de taxi is geklapt, waardoor de barst in de voorruit is ontstaan. Op de vraag of de barst ook op een andere manier kan zijn ontstaan, antwoordt hij dat hij niet zou weten hoe, omdat de voorruit daarvoor nog heel en schoon was.41

Door de technische recherche is onderzoek gedaan naar de voorruit in de taxi. In de voorruit van de taxi was aan de binnenzijde rechts een stervormige glasbreuk zichtbaar. Ter hoogte van de glasbreuk zat aan de binnenzijde van de ruit een vettige veeg tegen het gebroken glas. Er heeft een bemonstering aan de binnenzijde van de voorruit rechts van de taxi plaatsgevonden.42

Die bemonstering is door het NFI onderzocht op biologische sporen. Van het DNA in de bemonstering is een DNA-profiel verkregen van een man. Het DNA-profiel van de verdachte, dat zich al in de databank van het NFI bevond, matcht met dit DNA-profiel.43

Het verweer van de raadsman dat ook dit NFI rapport van het bewijs dient te worden uitgesloten, wordt verworpen op de dezelfde gronden als hierboven weergegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen enkele reden te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van aangever, ook niet daar waar hij heeft verklaard dat - kort gezegd - de ster op de voorruit wel moet zijn ontstaan door een botsing van het hoofd van de donker getinte overvaller tengevolge van zijn remactie. Dat hij in zijn latere verklaring anders heeft verklaard over het pakken van het wapen door de overvaller dan in de aangifte, maakt zijn verklaring ook niet onbetrouwbaar. De raadsman lijkt er aan voorbij te gaan, dat zo'n overval bijzonder veel impact maakt op een slachtoffer en dat het volstrekt begrijpelijk is dat een verklaring van enkele maanden later op details iets anders zal luiden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de betreffende periode vaak gebruik maakte van taxi's en dat het kan zijn dat zijn DNA bij een van die gelegenheden in de auto van [slachtoffer E] is achtergebleven.

De rechtbank neemt kennis van de verklaring van verdachte, maar beschouwt die niet als een redelijke verklaring voor de omstandigheid dat zijn DNA in/bij de ster in de voorruit van de taxi is aangetroffen, dit ook gelet op de bovengenoemde verklaring van [slachtoffer E].

De rechtbank houdt het er aldus voor dat verdachte één van de twee overvallers is geweest.

Van de primair tenlastegelegde diefstal met geweld zal verdachte worden vrijgesproken. Er is weliswaar een taxisleutel verdwenen die avond, welke sleutel mogelijk is weggenomen door verdachte en/of zijn mededader, maar het gegeven dat die sleutel mogelijk is weggenomen, is te mager om te oordelen dat er sprake is geweest van een voltooide overval. De rechtbank zal een en ander als een poging kwalificeren.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Parketnummer 06/950076-11

hij op 24 januari 2011 te Zutphen op de openbare weg (de Coehoornsingel) tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto, merk Porsche, type Cayman, kenteken [kenteken 1], toebehorende aan [slachtoffer A], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld

tegen die [slachtoffer A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld hierin bestond dat verdachte en zijn mededader die [slachtoffer A] hebben laten

struikelen en (vervolgens), toen die [slachtoffer A] op de grond lag, meermalen,

tegen diens lichaam en diens hoofd hebben geslagen en/of geschopt.

Parketnummer 06/850337-11

1.

hij op 03 november 2010 te Nijmegen, een vuurwapen van categorie III, te weten een gas/alarm revolver (merk Rohm), voorhanden heeft gehad;

2. subsidiair:

hij op 03 november 2010 te Nijmegen, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen aan de [adres] (nachtopvang [nachtopvang]) en in gebruik bij [naam];

3. subsidiair:

hij in of omstreeks 06 tot en met 13 oktober 2010 te Arnhem, in elk geval in Nederland, een auto (Renault Megane Scenic, kenteken [kenteken 2]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4. subsidiair:

hij op 12 oktober 2010 te Putten, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid benzine, toebehorende aan [tankstation B];

5. primair:

hij op 21 oktober 2010 te Arnhem, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer C] en [slachtoffer D] heeft gedwongen tot de afgifte van een bankpas, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer C], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een revolver, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer C] en die de [slachtoffer D] heeft gericht en gericht gehouden en (vervolgens) [slachtoffer C] en [slachtoffer D] heeft gedwongen om op de grond te gaan liggen, waarbij hij, verdachte voornoemde [slachtoffer C] meermalen, heeft gevraagd om de afgifte van geld en/of zijn autosleutels;

Parketnummer 06/850682-11

Subsidiair:

hij op 14 oktober 2010 te Arnhem, ter uitvoering van het voornemen van het misdrijf, om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld, in elk geval enig goed, toebehorende aan [taxibedrijf] en/of de heer [slachtoffer E], welke poging tot diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer E] voornoemd, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp richtte en/of gericht hield op [slachtoffer E] en hem daarbij dreigend de woorden 'ik wil je geld man', heeft toegevoegd en verdachtes' mededader vervolgens die [slachtoffer E] een knietje tegen zijn kin heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet werd voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Parketnummer 06/950076-11

Diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Parketnummer 06/850337-11

Feit 1:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Feit 2 subsidiair:

In het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Feit 3 subsidiair:

Opzetheling.

Feit 4 subsidiair:

Diefstal.

Feit 5 primair:

Afpersing.

Parketnummer 06/850682-11

Subsidiair:

Poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen een personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent verdachte is op 4 juni 2011 een Pro Justitia rapport opgemaakt door drs. J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog/psychotherapeut en drs. H.T.J. Boerboom, psychiater. Verdachte heeft zijn medewerking aan hun onderzoek geweigerd. Op basis van een eerdere rapportage komen zij tot de conclusie dat verdachte leidende is aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Er is naar hun oordeel sprake van zwakbegaafdheid en in differentiaal diagnostische zin, van een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en antisociale trekken. De vragen hoe dit was ten tijde van het tenlastegelegde en of de stoornis betrokkenes gedragskeuze beïnvloedde (waarbij deze deskundigen alleen gekend waren in de zaak betreffende de Porsche), hebben zij niet kunnen beantwoorden. Ook hebben zij (dus) geen uitspraak kunnen doen over de mate van toerekeningsvatbaarheid.

Over verdachte is vervolgens op 6 april 2012 een rapport opgemaakt door J.P.F. Koning, psychiater en B.H. Boer, klinisch psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht. Hun forensische analyse en beantwoording van de vraagstelling luidt als volgt:

"Betrokkene is een 22-jarige Nederlandse man van Angolese komaf, die deelname aan het

gedragskundig onderzoek consequent heeft geweigerd en de ten laste gelegde feiten ontkent.

Op basis van de beperkte gespreksindrukken en de observaties zijn er geen aanwijzingen

gevonden dat betrokkene op pathologische gronden weigert; er is tijdens de observatie

geen sprake van een psychotisch toestandsbeeld en evenmin sprake van een ontoereikende

intelligentie of een taalbarrière. Ondergetekenden hebben slechts beperkte gesprekken met hem kunnen voeren, waarin niet over forensisch relevante onderwerpen gesproken kon worden. Zo weigerde betrokkene met de onderzoekers te spreken over zijn persoon, over relevante delen van zijn voorgeschiedenis en over de ten laste gelegde feiten. Evenmin heeft betrokkene aan testpsychologisch onderzoek en medisch onderzoek willen meewerken. Daardoor kon geen zicht worden verkregen op zijn cognities, gevoelsleven, gewetensfunctie, agressie- en impulsregulatie en empathisch vermogen. Ook de cognitieve capaciteiten van betrokkene konden gedurende zijn verblijf in het PBC niet voldoende onderzocht worden.

Er zijn tijdens de huidige observatieperiode geen aanwijzingen naar voren gekomen voor

psychopathologie. Betrokkene gedroeg zich tijdens zijn verblijf in het PBC sociaal en aangepast. Volgens de collaterale informatie is er sprake van (onder meer) een gedragsstoornis beginnend in de vroege jeugd en wordt betrokkene vanaf zijn 14e levensjaar veelvuldig veroordeeld vanwege vermogensdelicten, ook met geweld. Daarnaast loopt hij vast op meerdere levensgebieden. Dit zou kunnen wijzen op een persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken. Echter, of deze antisociale gedragingen pathologisch van aard zijn en passen bij een gebrekkige ontwikkeling, is in het onderhavige onderzoek niet te onderzoeken geweest. Uit de collaterale informatie blijkt verder dat betrokkene de afgelopen jaren meerdere intelligentieonderzoeken heeft ondergaan, waarbij zijn cognitieve capaciteiten bij herhaling van benedengemiddeld tot zwakbegaafd niveau waren. Tijdens de huidige observatie waren er geen aanwijzingen voor beperkte intellectuele vermogens, maar doordat betrokkene weigerde mee te werken aan testpsychologisch onderzoek, kunnen ondergetekenden op grond van eigen onderzoek geen uitspraak doen over zijn intelligentieniveau. Gelet op het bovenstaande kunnen ondergetekenden de vraag of er bij betrokkene sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens niet beantwoorden. Ondergetekenden onthouden zich dan ook van een advies met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid, aangezien zij onvoldoende zicht hebben gekregen op de aan- of afwezigheid van pathologie en daarmee op betrokkenes gedrag- en keuzemogelijkheden ten tijde van de ten laste gelegde feiten."

Op grond van de rapporten kan aldus geen sluitende conclusie worden getrokken over de vraag of er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Ook de vraag naar de mate van toerekenbaarheid kan niet worden beantwoord. De rechtbank houdt het er dan ook voor, gelet op de voorgaande rapporten, dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

1. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) jaren.

2. De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

3. Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

4. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal 'overvallen', te weten (1) op een man die van zijn Porsche is beroofd, midden in de nacht, op de openbare weg, (2) op een echtpaar op hoge leeftijd in hun woning en (3) samen met een ander op een taxichauffeur, zij het dat het bij een poging is gebleven. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan een het bezit van een vuurwapen, een lokaalvredebreuk, opzetheling van een personenauto en een diefstal van benzine. Vooral de overvallen zijn bijzonder ernstige feiten, waardoor de rechtsorde en de slachtoffers die het hebben moeten ondergaan ernstig zijn geschokt. Het behoeft nauwelijks betoog dat slachtoffers van dergelijke feiten daarvan nog lang de psychische gevolgen kunnen ondervinden. Ook het bezit van een wapen rekent de rechtbank de verdachte zwaar in. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke wapens is bijzonder laakbaar. Het betreft immers voorwerpen waarmee zeer eenvoudig en zonder veel kennis van zaken ernstig letsel kan worden toegebracht, terwijl deze ook voor afdreiging geschikt zijn.

5. Ten nadele van verdachte spreekt het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 maart 2012, dat een negentiental pagina's bedraagt. Het uittreksel behelst een reeks van veroordelingen terzake vermogensmisdrijven. Aan die veroordelingen en de daarin begrepen waarschuwingen laat verdachte zich blijkbaar niets gelegen liggen.

6. Gelet op de ernst van de strafbare feiten, verdachtes enorme strafblad waaruit een aanzienlijk recidivegevaar kan worden afgeleid en de omstandigheid dat geen inzicht is gekregen in de achterliggende redenen van het delictgedrag van verdachte kan ter bescherming van de maatschappij niet anders dan met een aanzienlijke vrijheidsstraf worden volstaan.

7. Als landelijk oriëntatiepunt voor een overval op een woning geldt tussen de drie en vijf jaar gevangenisstraf. De rechtbank gaat in deze uit van vier jaren (overval op familie [slachtoffer C en D]). Als landelijk oriëntatiepunt voor een overval op een geldtransport (inclusief overval geldloper) geldt tussen de 30 maanden en vier jaren gevangenisstraf. De rechtbank gaat ten aanzien van de beroving van de Porsche-eigenaar en de overval op de taxichauffeur telkens uit van 30 maanden gevangenisstraf. Dat maakt in totaal reeds een gevangenisstraf van negen jaren. Voor de overige feiten zal de rechtbank geen extra straf opleggen, gelet op de bepalingen betreffende samenloop. Voor enige matiging, zoals door de officier van justitie in zijn eis tot uitdrukking is gebracht, ziet de rechtbank geen enkele aanleiding. De gevorderde zeven (7) jaar gevangenisstraf doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de grote ernst van de feiten en de veelheid daarvan, en daarbij is ook onvoldoende verdachtes hardnekkige recidivegedrag in aanmerking genomen.

8. Alles overwegende komt de rechtbank tot de oplegging van een gevangenisstraf van negen (9) jaren. Gelet op vorenoverwogene ten aanzien van de geconstateerde schendingen in een aantal van de politieverhoren, zal een strafkorting van 3 maanden worden toegepast. Dit leidt aldus tot oplegging van acht (8) jaren en negen (9) maanden gevangenisstraf.

Vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [tankstation B] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 55,47 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder feit 4 van parketnummer 06/850337-11 ten laste gelegde.

De benadeelde partij [slachtoffer E] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.774,24, vermeerderd met de wettelijke rente gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder parketnummer 06/850682-11 tenlastegelegde.

De benadeelde partij [taxibedrjf] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.626,73, vermeerderd met de wettelijke rente gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder parketnummer 06/850682-11 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde bedragen vermeerderd met de wettelijke rente toewijsbaar zijn, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt, nu niet is weersproken dat de benadeelde partijen, zoals deze hebben gesteld, als gevolg van het, respectievelijk onder parketnummer 06/850682-11 en onder feit 4 van parketnummer 06/850337-11 ten laste gelegde, bewezen verklaarde handelen schade hebben geleden tot de gevorderde bedragen en de vorderingen de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen, dat deze vorderingen zullen worden toegewezen en ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer E] en [taxibedrijf] telkens vermeerderd met de wettelijke rente. De verdachte is voor de schade - naar burgerlijk recht - telkens aansprakelijk.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van de benadeelde partijen.

Vordering tenuitvoerlegging

Nu is bewezen dat verdachte zich opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank te Arnhem van 23 maart 2010 (parketnummer 05/720020-10) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, ten uitvoer gelegd te worden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen:

- 10, 14g, 27, 36f, 45, 57, 63, 91, 138, 310, 312, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte:

- het onder 2 primair, 3 primair en 4 primair (parketnummer 06/850337-11);

- het onder primair (parketnummer 06/850682-11) ten laste gelegde

heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het feit onder parketnummer 06/950076-11, de feiten onder parketnummer 06/850337-11 onder 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair, 4 subsidiair (als hierboven weergegeven) en 5 primair en het feit onder parketnummer 06/850982-11 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Parketnummer 06/950076-11

Diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Parketnummer 06/850337-11

Feit 1:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Feit 2 subsidiair:

In het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Feit 3 subsidiair:

Opzetheling.

Feit 4 subsidiair:

Diefstal.

Feit 5 primair:

Afpersing.

Parketnummer 06/850682-11

Subsidiair:

Poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaar en 9 (negen) maanden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank te Arnhem van 23 maart 2010 (parketnummer 05/720020-10), te weten van:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [tankstation B], [adres, plaats]n (rekeningnummer [nummer]), van een bedrag van € 55,47, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [sla[adres, plaats] (rekeningnummer [nummer]), van een bedrag van € 1.774,24 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2010, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [taxibedrijf], [adres, plaats] (rekeningnummer [nummer]6), van een bedrag van € 2.626,73 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2010, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde tevens de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de navolgende benadeelde partijen te betalen, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal hechtenis zal kunnen worden toegepast van na te melden duur zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Benadeelde partij Bedrag Verv. hechtenis

1. [tankstation B] € 55,47 1 dag

2. [slachtoffer E] € 1.774.24 met wett.rente 27 dagen

3. [taxibedrijf] € 2.626,73 met wett.rente 36 dagen

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mrs. Ouweneel, voorzitter, De Jong en Rademaker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Hoesstee-ter Haar, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 mei 2012.

Voetnoten:

1 In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar de bijlagen

van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0660 2011011235, gesloten en getekend op 15 maart 2011 door K.N. Snoek, hoofdagent van politie

2 Aangifte door [slachtoffer A], p. 59 - 63

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 74

4 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 76

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 66

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 68, 69

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 107

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 91, 92

9 Proces-verbaal verhoor [getuige A], p. 93 - 96

10 Proces-verbaal verhoor [getuige B], p. 115, 116

11 Proces-verbaal verhoor [getuige C], p. 279 - 282

12 Proces-verbaal verhoor [getuige D], p. 318, 320

13 Proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte], p. 351

14 Processen-verbaal van bevindingen, p. 126 - 128 en 228 en 229.

15 In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar de bijlagen

van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2010123791, gesloten en getekend op 15 december 2010, door [verbalisant 2], hoofdagent van politie (PV A)

van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2010118180, gesloten en getekend op 11 januari 2011, door [verbalisant 3], hoofdagent van politie en [verbalisant 4], brigadier van politie (PV B)

16 Proces-verbaal van aanhouding, p. 20 (PV A)

17 Proces-verbaal van aanhouding, p. 20 (PV A)

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 51 (PV A)

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 53 (PV A)

20 Proces-verbaal van aangifte, p. 11, 12 (PV A)

21 Proces-verbaal van verhoor, p. 45 (PV A)

22 Loopproces-verbaal, p. 5, 6 (PV A)

23 Proces-verbaal van aangifte, p. 71, 72 (PV A)

24 Proces-verbaal van bevindingen, p. 111, 112 (PV A)

25 Processen-verbaal van aangifte, pag. 79 en pag. 95 (PV A)

26 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 20 (PV B)

27 Proces-verbaal van aangifte, p. 94 en 95 (PV A)

28 Proces-verbaal van bevindingen, p. 102 en 104 (PV A)

29 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 105 en loopprocesverbaal, p. 7 (PV A)

30 Proces-verbaal van aangifte, p. 25, 26 en 28 (PV B)

31 Proces-verbaal van bevindingen, p. 35 (PV B)

32 Google Earth uitdraai, p. 64 (PV B) en loopprocesverbaal, p. 8 (PV B)

33 Proces-verbaal van bevindingen, p. 35 (PV B)

34 Proces-verbaal van bevindingen, p. 31 (PV B)

35 Fotobijlage, p. 57 (PV B)

36 Proces-verbaal van bevindingen, p. 29, 30 (PV B)

37 Proces-verbaal van bevindingen, p. 32, 33 (PV B)

38 Deskundigenrapport van het NFI d.d. 30 september 2011

39 In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar de bijlagen

van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL078C 2010115448, gesloten en getekend op 1 september 2011, door [verbalisant 5], hoofdagent van politie

40 Proces-verbaal van aangifte, p. 25 - 29

41 Proces-verbaal, p. 35 - 37

42 Proces-verbaal van bevindingen, p. 39 + fotobijlage, p. 49

43 Deskundigenrapport van het NFI d.d. 1 juni 2011