Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW4375

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
125886 FA RK 11-2171
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenloop schuldsanering en kinderalimentatie

Moeder vraagt kinderalimentatie van vader, die in WSNP zit. Ten tijde van de scheiding heeft zij geen kinderalimentatie verzocht, omdat de vader een huwelijkse schuld overnam en daardoor geen draagkracht had. De WSNP is op de man van toepassing geworden vóór 1 juli 2010; er is nimmer een verzoek gedaan aan de rechter-commissaris rekening te houden met een onderhoudsverplichting jegens de kinderen.

Naar aanleiding van de uitspraak HR 18 november 2011, LJN: BU4937 is de richtlijn van Recofa aangepast. In elke individuele situatie dient de r-c te beslissen of en in hoeverre met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen rekening wordt gehouden. Niet valt uit te sluiten dat dit ook kan in situaties waarin nog geen bedrag was vastgesteld op het moment waarop de WSNP van toepassing werd.

De familierechter dient op grond van behoefte en draagkracht te beslissen of er gronden bestaan een bijdrage op te leggen. Nu de noodzaak en redelijkheid van de schulden gedeeltelijk niet is komen vast te staan, wordt met een lagere aflossing rekening gehouden, waardoor enige draagkracht resteert. De totale draagkracht vanaf indiening verzoekschrift tot vermoedelijk einde van de WSNP wordt gedeeld op het aantal maanden waarin in het VTLB nog rekening gehouden zou kunnen worden met de verplichting om de draagkracht per maand vast te stellen. Vervolgens wordt de zaak aangehouden om de man in de gelegenheid te stellen de rechter-commissaris te vragen met dit bedrag, dan wel enig bedrag, aan kinderalimentatie rekening te houden.

Artikelen: 1:392 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 125886 FA RK 11-2171

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 27 maart 2012

in de zaak van:

[verzoekerster],

wonende te [plaats, gemeente],

verzoekster, verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. P.C.L. van Breemen te Doetinchem,

t e g e n

[verweerder],

wonende te [plaats, gemeente],

verweerder, verder te noemen de man,

advocaat: mr. J. Zeegers te Doetinchem.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 25 oktober 2011;

- het journaalbericht van 26 oktober 2011 met bijlage van mr. Van Breemen;

- het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 15 december 2011;

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 22 december 2011;

- het journaalbericht van 23 januari 2012 met bijlage van mr. Zeegers;

- het journaalbericht van 1 februari 2012 met bijlagen van mr. Van Breemen;

- het journaalbericht van 17 februari 2012 met bijlagen van mr. Van Breemen;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 21 februari 2012.

De feiten

Uit het huwelijk tussen de vrouw en de man zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:

- [kind 1], geboren op [1995 te plaats], en

- [kind 2], geboren op [2000 te plaats].

Bij beschikking van deze rechtbank van 31 augustus 2005 is tussen de vrouw en de man de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 14 september 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Montferland. In verband met een doorlopend krediet ad € 35.000,-- dat de man in het kader van de echtscheiding overnam en de daarmee verbonden aflossing is op dat moment geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide minderjarige kinderen van partijen vastgesteld.

Het verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank de man te veroordelen om met ingang van 1 november 2011 aan haar een bedrag van € 250,-- per kind per maand te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde kinderen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht.

Zij stelt dat de man inmiddels draagkracht heeft voor de ten behoeve van beide minderjarige kinderen van partijen gevraagde bijdrage. De man heeft doormiddel van het traject van de Wettelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen (de WSNP) inmiddels de schulden afgelost. Daarnaast heeft de man sinds juni/juli 2011 een nieuwe baan als ploegleider. De vrouw gaat ervan uit dat de man in verband daarmee een hoger inkomen heeft. Zijzelf heeft een inkomen dat uit een ZW-uitkering bestaat ad € 272,55 netto per week. De door haar gevraagde bijdrage is afgestemd op de - geïndexeerde - behoefte van de beide kinderen en is gebaseerd op het voormalige gezinsinkomen van partijen.

Het verweer

De man verzoekt dat de rechtbank het verzoek van de vrouw zal afwijzen, dan wel de te betalen bijdrage voor de kinderen op nihil zal stellen, althans een zodanige bijdrage zal

vaststellen als de rechtbank juist acht.

Hij stelt dat het WSNP-traject eerst op 2 september 2012 zal eindigen. Hij is van mening dat hij tijdens dit traject geen draagkracht voor een bijdrage voor de beide minderjarige kinderen van partijen. Ter onderbouwing van dat standpunt verwijst hij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 18 november 2011 (LJN: BU4937). Verder stelt hij onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 14 november 2008 (LJN: BD7589) dat er in het individuele geval gekeken dient te worden of de rechter-commissaris binnen het aan de saniet vrij te laten bedrag een bedrag betreffende (kinder)alimentatie heeft gereserveerd dan wel heeft opgenomen. Omdat in zijn geval de rechter-commissaris een dergelijk bedrag niet heeft opgenomen, is zijn draagkracht voor een kinderbijdrage nihil, in ieder geval voor de duur van de schuldsanering.

De beoordeling

Het oudste minderjarige kind van partijen is in de gelegenheid gesteld zijn mening aan de rechtbank kenbaar te maken omtrent het door de vrouw gedane verzoek.

Beoordeeld dient allereerst te worden in hoeverre er ruimte bestaat om gedurende de schuldsanering van de man ten laste van hem een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide minderjarige kinderen van partijen vast te stellen.

De WSNP is op de man van toepassing geworden vóór 1 juli 2010. Op dat moment gold als uitgangspunt dat een kinderbijdrage gedurende de schuldsanering op nihil werd gesteld. Dit verklaart dat in het voor de man vrij te laten bedrag (het VTLB) geen rekening is gehouden met de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn beide minderjarige kinderen. De mogelijkheid om in het VTLB wel rekening te houden met laatstbedoelde verplichting bestaat sinds 1 juli 2010. Op dat moment heeft het overleg van rechters-commissarissen in faillissementen en schuldsaneringen (Recofa) in een richtlijn in het VTLB-rapport verwezen naar de richtlijnen van de Werkgroep Alimentatienormen, waarin is voorzien in de mogelijkheid in het VTLB rekening te houden met een bedrag aan kinderalimentatie tot een maximum van € 136,-- per kind per maand. In de uitspraak van de Hoge Raad van 18 november 2011 (LJN: BU4937) is geoordeeld dat de beslissing daartoe een discretionaire bevoegdheid van de rechter-commissaris is en dat stelselmatige toepassing van deze richtlijn zonder oog voor de individuele situatie op gespannen voet staat met de wet. Dat oordeel heeft geleid tot een aanpassing in het VTLB-rapport, op grond waarvan in elke individuele situatie door de rechter-commissaris dient te worden beslist of en in hoeverre met een onderhoudsverplichting jegens minderjarige kinderen rekening wordt gehouden. Deze mogelijkheid bestaat derhalve nog immer.

Weliswaar heeft de richtlijn betrekking op reeds bestaande afspraken en beschikkingen, maar niet op voorhand valt uit te sluiten dat de rechter-commissaris ook in zaken waarin nog geen bedrag is vastgesteld gebruik zal maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Dit kan met name gelden in situaties waarin wel reeds een onderhoudsverplichting bestond ten tijde van de aanvang van de schuldsanering, zoals in de onderhavige situatie.

Bovendien heeft de familierechter een eigen, zelfstandige beslissingsbevoegdheid op afzonderlijke wettelijke gronden, te weten behoefte en draagkracht. Dat betekent dat de rechtbank zelfstandig zal (dienen te) beoordelen of er in de onderhavige situatie in beginsel grond bestaat een bedrag aan kinderalimentatie vast te stellen op basis van de behoefte en de draagkracht. Voor zover daartoe aanleiding bestaat, zal vervolgens de man in de gelegenheid dienen te worden gesteld de rechter-commissaris te vragen het VTLB met een bedrag aan kinderalimentatie te verhogen alvorens kan worden beslist.

In verband met het voorgaande zal de rechtbank overgaan tot de beoordeling van de behoefte van de minderjarige kinderen en de draagkracht van de man.

De man heeft de behoefte van de beide minderjarige kinderen van partijen aan de verzochte alimentatie niet betwist; deze behoefte staat daarom vast. Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man.

Ter beoordeling van de draagkracht van de man rekent de rechtbank - op grond van de overgelegde bescheiden, met name de salarisspecificaties over de maanden oktober, november en december 2011 - met een bruto maandinkomen van € 2.100,-- te vermeerderen met 8% vakantiegeld, hetgeen een bruto jaarinkomen oplevert van € 27.216,--.

Rekening houdend met alles op jaarbasis - de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage inzake de Zorgverzekeringswet ad € 1.932,--, de algemene heffingskorting ad € 2.033,--, de arbeidskorting ad € 1.611,-- en de inkomensheffing ad € 6.907,-- berekent de rechtbank het besteedbaar inkomen van de man - na aftrek van voormelde inkomensafhankelijke werk¬geversbijdrage Zorgverzekeringswet - op afgerond € 1.692,-- per maand.

Bij de bepaling van het draagkrachtloze inkomen van de man is de rechtbank uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande van € 935,-- per maand minus de wooncomponent van € 213,-- en van de navolgende, door de vrouw niet betwiste lasten op maandbasis:

- de huur ad € 525,--;

- de totale premie Zorgverzekeringswet ad € 23,50, bestaande uit de basis- en aanvullende premie ad € 106,50 verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW ad € 49,-- en de zorgtoeslag ad € 34,--.

De man heeft aangevoerd tandartskosten te hebben gemaakt, maar dit niet met stukken onderbouwd, zodat niet kan worden vastgesteld dat of in hoeverre hij het verplichte eigen risico opmaakt. Daarmee wordt daarom geen rekening gehouden.

Ten aanzien van de schulden heeft de man gesteld dat er sprake is van een flexibel krediet ad € 43.000,--. De vrouw heeft enerzijds gesteld dat dit krediet € 33.000,-- bedraagt, maar anderzijds bevestigd dat zij een BKR-registratie heeft voor € 43.000,--, zodat de stelling van de man onvoldoende gemotiveerd is betwist.

Uit het verslag van de bewindvoerder van 10 november 2011 (prod. VII bij het verweerschrift) blijkt dat sprake is van een totale schuldenlast van ruim € 54.000,--. Weliswaar heeft op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad als uitgangspunt te gelden dat met alle schulden rekening wordt gehouden, maar de aard en oorzaak van de overige schulden is in het geheel niet toegelicht door de man. Vanwege het ontbreken van iedere vorm van onderbouwing zijn de noodzaak voor het aangaan van de schulden en de redelijkheid om daarmee in verhouding tot de alimentatiegrechtigden rekening te houden niet komen vast te staan. Dat deze schulden voorlopig erkend zijn door de bewindvoerder doet daaraan niet af, omdat deze niet op dezelfde wijze als de alimentatierechter de noodzaak en redelijkheid van de schulden toetst. In dat licht ziet de rechtbank aanleiding met dit deel van de schulden geen rekening te houden.

De totale aflossing op de schulden beloopt € 470,79 per maand en het totaal van de schulden bedraagt ruim € 54.000,--. De rechtbank zal daarom een bedrag van 43/54 x € 470,79 oftewel € 375,-- per maand ten laste van de draagkracht van de man brengen.

Aldus resteert een draagkrachtruimte van € 46,-- per maand. Omdat de man in verband met de schuldsanering feitelijk geen vrije ruimte heeft, ziet de rechtbank geen aanleiding om - zoals gebruikelijk - met 70% van de draagkrachtruimte te rekenen en wordt het volledige bedrag geacht beschikbaar te zijn voor kinderalimentatie.

Indien geen sprake was geweest van een schuldsaneringssituatie, zou de rechtbank aanleiding hebben gezien als ingangsdatum aan te sluiten bij de datum van het indienen van het verzoekschrift en de kinderalimentatie laten ingaan per 1 november 2011, nu de man vanaf dat moment rekening diende te houden met de verschuldigdheid van een bedrag. Dit zou echter in de onderhavige situatie betekenen dat een nieuwe schuld zou ontstaan, hetgeen een probleem kan opleveren voor het verkrijgen van een schoneleiverklaring. Bovendien wordt feitelijk met de kinderalimentatie nog geen rekening gehouden bij de vaststelling van het VTLB, zodat er op dit moment feitelijk nog geen draagkracht is. De rechtbank acht een praktische oplossing hiervoor aangewezen.

Aannemende dat de WSNP uiterlijk op 1 oktober 2012 zal eindigen, zou de man - indien de ingangsdatum 1 november 2011 zou worden gehanteerd - gedurende de resterende looptijd van de WSNP € 506,-- als bij¬drage verschuldigd zijn. Nu de man nog een verzoek aan de rechter-commissaris zal dienen te richten, zal de ingangsdatum niet eerder dan 1 mei 2012 kunnen zijn. Daarom wordt het bedrag van € 506,-- over de dan nog resterende vijf maanden verdeeld, wat neerkomt op afgerond € 50,-- per kind per maand. De rechtbank acht het redelijk met dit bedrag vanaf 1 mei 2012 rekening te houden, nu de man gedurende het grootste deel van de looptijd van de WSNP het volledige bedrag van de beslagvrije voet (zonder vermindering met kinderalimentatie) aan de schuldeisers heeft kunnen afdragen.

Nu echter de beslissing of het VTLB met € 50,-- per kind per maand (of enig ander bedrag) wordt verhoogd door de rechter-commissaris dient te worden genomen, zal de rechtbank de beslissing aanhouden om de man in de gelegenheid te stellen hiertoe een verzoek aan de rechter-commissaris te doen.

Over de door de man te betalen bijdrage vanaf het moment dat de WSNP eindigt hebben partijen ter terechtzitting overeenstemming bereikt. Zij zijn overeengekomen dat de man € 190, per kind per maand zal voldoen vanaf 1 oktober 2012 dan wel zo veel later als de WSNP feitelijk zal zijn beëindigd. Nu de rechtbank deze bijdrage in overeenstemming acht met de wettelijke maatstaven, zal dienovereenkomstig worden beslist.

De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:

- [kind 1], geboren op [1995 te plaats], en

- [kind 2], geboren op [2000 te plaats],

met ingang van 1 oktober 2012, dan wel zoveel later als de WSNP feitelijk zal zijn beëindigd, een bedrag van € 190,-- (eenhonderd negentig euro) per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling, aan de vrouw dient te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af voor zover de behandeling van de zaak daartoe niet is aangehouden;

alvorens verder te beslissen:

houdt de behandeling ten aanzien van de bijdrage voor de periode tot 1 oktober 2012, dan wel het moment waarop de WSNP feitelijk zal zijn beëindigd, aan tot de pro forma terechtzitting op dinsdag 8 mei 2012 teneinde de man in de gelegenheid te stellen de beslissing van de rechter-commissaris in de WSNP te verzoeken over de verhoging van het vrij te laten bedrag met een bijdrage voor de minderjarige kinderen;

bepaalt dat de man uiterlijk op voormelde datum de beslissing van de rechter-commissaris dient over te leggen;

houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.