Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW4276

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
11/101 WOW44
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BY6761, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrechter verklaart beroep tegen een verleende bouwvergunning voor het oprichten van een manege in Ermelo ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 11/101 WOW44

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser A];

[eiser B]; en

[eiser C];

allen wonende te Ermelo,

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder aan

[aanvrager bouwvergunning manege] (hierna: [aanvrager bouwvergunning manege]) een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een manege met bijbehorende inrichting op het perceel [adres] ongenummerd te Ermelo. Voorts heeft verweerder bij ditzelfde besluit ten behoeve van het bouwplan ontheffing verleend van het geldende bestemmingsplan.

Eisers hebben beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 2 februari 2012, waar eisers zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. I.J.J.M. Roorda, advocaat te Vught. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M. van den Brink en mr. R.A. Oosterveer, advocaat te Ermelo.

2. Overwegingen

2.1 Bij brief van 9 november 2009 heeft [aanvrager bouwvergunning manege] een reguliere bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een manege met de bijbehorende inrichting op het perceel [adres] ongenummerd te Ermelo.

2.2 Verweerder heeft aan het bestreden besluit – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat het bouwplan voor wat betreft de nokhoogte weliswaar in strijd is met het geldende bestemmingsplan “Wijziging 21, Buitengebied 1983”, maar dat hiervoor ontheffing kan worden verleend op grond van artikel 38, eerste lid onder c, van dit bestemmingsplan. Volgens verweerder waren er verder geen weigeringsgronden aanwezig, zodat de bouwvergunning kon worden verleend.

2.3 Eisers hebben in beroep – kort samengevat – het navolgende betoogd.

Het perceel [adres] ongenummerd is te krap voor de exploitatie van een volwaardig manegebedrijf. [aanvrager bouwvergunning manege] wil ook helemaal geen manegebedrijf exploiteren op dit perceel, maar is hiertoe verplicht op grond van een civielrechtelijke overeenkomst die hij met verweerder heeft gesloten. Dit handelen van verweerder is in strijd met artikel 122 van de Woningwet. Voorts had verweerder de bouwvergunning moeten weigeren nu er geen samenhang bestaat tussen het bouwplan en hetgeen [aanvrager bouwvergunning manege] daadwerkelijk beoogd te gaan uitvoeren. Daarnaast is voor het oprichten van de manege een milieuvergunning vereist.

2.4 De rechtbank overweegt als volgt.

2.4.1 Aangezien geen van de beroepsgronden van eisers zijn gericht tegen de verleende binnenplanse ontheffing, beperkt de beoordeling van de rechtbank zich tot de verleende bouwvergunning. In dit kader bepaalt artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze wet gold ten tijde hier van belang, – kort samengevat en voor zover in deze procedure relevant – dat een aangevraagde bouwvergunning alleen kan worden geweigerd indien tenminste één van de expliciet in dit artikel genoemde weigeringsgronden zich voordoet.

2.4.2 De rechtbank begrijpt het betoog van eisers dat er geen samenhang bestaat tussen hetgeen [aanvrager bouwvergunning manege] heeft aangevraagd en hetgeen [aanvrager bouwvergunning manege] daadwerkelijk beoogd aldus, dat een beroep wordt gedaan op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State – hierna: de Afdeling – waarin is overwogen dat een bestuursorgaan bij de toetsing van een bouwplan aan het bestemmingsplan niet slechts moet beoordelen of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar ook of het bouwwerk met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van

23 april 2003, LJN: AF7641). Volgens de Afdeling is er (ook) sprake van strijd met de bestemming, indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet. Naar het oordeel van de rechtbank is echter niet aannemelijk geworden dat een dergelijke situatie zich hier voordoet. De enkele omstandigheid dat de aanvraag van [aanvrager bouwvergunning manege] voortvloeit uit een met verweerder gesloten overeenkomst is in ieder geval onvoldoende voor een andersluidend oordeel. Dit betoog van eisers kan niet slagen.

2.4.3 De overige beroepsgronden van eisers hebben geen betrekking op één van de in artikel 44 van de Woningwet genoemde weigeringsgronden voor een aangevraagde bouwvergunning, zodat er in beginsel geen grond is voor het oordeel dat verweerder ten onrechte de aangevraagde bouwvergunning heeft verleend.

2.5 Eisers hebben daarnaast, naar de rechtbank begrijpt, betoogd dat verweerder ondanks het voorgaande de beslissing omtrent de bouwaanvraag op grond van artikel 52 van de Woningwet had moeten aanhouden omdat voor de oprichting van de manege een milieuvergunning is vereist. Meer concreet hebben eisers in dit kader betoogd dat de op te richten manege niet valt onder de toepassing van het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: het Besluit).

2.5.1 In de eerste plaats hebben eisers in dit kader betoogd dat de op te richten manege niet valt onder het begrip “paardenhouderij” zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid onder d, van het Besluit. Dit betoog slaagt niet. Het begrip “paardenhouderij” wordt in het Besluit niet nader gedefinieerd. In de Nota van Toelichting van het Besluit wordt een manege echter onomwonden geschaard onder het begrip paardenhouderij. In dit licht bezien ziet de rechtbank in hetgeen door eisers is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de op te richten manege geen paardenhouderij in de zin van het Besluit is.

2.5.2 Vervolgens hebben eisers in dit kader betoogd dat er woningen zijn gelegen binnen de in het Besluit voor deze categorie objecten bepaalde minimumgrens van 50 meter. Ook dit betoog slaagt niet. Ter zitting is namelijk gebleken dat er geen woningen zijn gelegen binnen 50 meter vanaf de staldeuren van de manege. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij de afstandsmeting ten onrechte deze staldeuren als meetpunt heeft gehanteerd, nu volgens artikel 4, vierde lid, van het Besluit bij deze metingen het emissiepunt van het dierenverblijf geldt als meetpunt en gesteld noch gebleken is dat de stallen een ander emissiepunt hebben dan de staldeuren.

2.5.3 Tot slot hebben eisers in dit kader betoogd dat het Besluit niet van toepassing is op de op te richten manege, omdat zich op de Zandkampweg 21 te Ermelo een object van dagrecreatie bevindt en dit object ligt binnen de hiervoor geldende minimumgrens van 100 meter van de op te richten manege.

Ook dit betoog faalt. De afstandseis van 100 meter geldt op grond van artikel 4, tweede lid onder a, van het Besluit voor objecten die vallen onder categorie II. Onder categorie II vallen volgens artikel 1 van het Besluit onder meer objecten voor dagrecreatie. Volgens de Nota van Toelichting van het Besluit is de categorie-indeling gebaseerd op de oude Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn). De Afdeling heeft in het kader van de Richtlijn geoordeeld dat slechts objecten die regelmatig door een niet onaanzienlijk aantal mensen worden bezocht en waarin deze bezoekers zich binnen een zekere begrenzing bevinden, als objecten voor dagrecreatie kunnen worden aangemerkt (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2011, LJN: BP2092). Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat op het object op nummer 21 dagrecreatie van de genoemde omvang plaatsvindt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eisers ter zitting niet concreet, duidelijk en eenduidig hebben kunnen aangeven welke activiteiten worden ontplooid op nummer 21. Voorts acht de rechtbank het in dit kader van belang dat eisers in hun beroepschrift het object op nummer 21 beschrijven als een object voor recreatief nachtverblijf, hetgeen zich moeilijk laat verenigen met het door eisers ter zitting ingenomen standpunt dat er sprake is van dagrecreatie.

2.5.4 Gelet op het voorgaande hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat voor de op te richten manege een milieuvergunning is vereist.

2.6 Nu er ontheffing is verleend van het geldende bestemmingsplan, er zich verder geen van de in artikel 44 van de Woningwet genoemde weigeringsgronden voordoen en verweerder voorts zijn beslissing omtrent de bouwaanvraag niet behoefde aan te houden op grond van artikel 52 van de Woningwet, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de aangevraagde bouwvergunning ten onrechte heeft verleend. Hetgeen eisers verder hebben betoogd kan niet tot een ander oordeel leiden. Bij de beoordeling van een bouwaanvraag mag verweerder immers geen rekening houden met de vraag of het bouwplan wellicht elders beter of doelmatiger verwezenlijkt kan worden. Evenmin maakt de omstandigheid dat de bouwaanvraag voortvloeit uit een met verweerder gesloten – al dan niet nietige – overeenkomst dat de verlening van de bouwvergunning in strijd is met artikel 122 van de Woningwet.

2.7 Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J.P. Lambooij. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.