Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW4275

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
11/403 WOB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:1903, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuursrechter verklaart beroep op besluit tot weigering van informatieverzoek ongegrond. WOB; wet openbaarheid bestuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 11/403 WOB

Uitspraak in het geding tussen:

[eiseres]

te Apeldoorn,

eiseres,

en

de Staatssecretaris van Financiën

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2010 heeft verweerder een verzoek van eiseres van 15 oktober 2010, om een afschrift van alle documenten die betrekking hebben op een strafrechtelijk onderzoek naar het frauderen bij het aan land brengen van vis en op doorzoekingen die in dat kader op 27 maart 2010 hebben plaatsgevonden, afgewezen.

aantal invallen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar het frauderen bij het aan land brengen van vis, afgewezen.

Bij besluit van 14 maart 2011 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder ten aanzien van een deel van de betreffende documenten de weigering om deze openbaar te maken herroepen. Ten aanzien van de overige documenten heeft verweerder de weigering gehandhaafd.

Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Naar aanleiding van verweerders verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met betrekking tot de documenten en gegevens waarvan verweerder openbaarmaking heeft geweigerd heeft de rechtbank bij uitspraak van 24 juni 2011 bepaald dat de beperking van de kennisgeving hiervan gerechtvaardigd is. Bij brief van 4 augustus 2011 heeft eiseres toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Het beroep is behandeld ter zitting van 22 maart 2012, waar eiseres zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H. van Drunen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.G. Zandee en mr. W.J.G van Duin.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder e, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

2.2 Bij brief van 15 oktober 2010 heeft eiseres aan verweerder verzocht om een afschrift van alle documenten die betrekking hebben op een strafrechtelijk onderzoek naar het frauderen bij het aan land brengen van vis. Voorts heeft eiseres bij deze brief verzocht om een afschrift van alle documenten die betrekking hebben op een aantal doorzoekingen die op 27 maart 2010 in het kader van dit strafrechtelijke onderzoek hebben plaatsgevonden.

2.3 Verweerder heeft aan het bestreden besluit – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat hij niet in bezit is van de documenten over het genoemde strafrechtelijke onderzoek. De doorzoekingen op 27 maart 2010 hebben echter tevens plaatsgevonden in het kader van een onderzoek naar sigarettensmokkel. Verweerder is wel in het bezit van documenten die betrekking hebben op de doorzoekingen die in dit kader hebben plaatsgevonden. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de volgende documenten openbaar gemaakt:

- een proces-verbaal van ambtshandeling;

- een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming met bijlagen;

- een proces-verbaal verzoek doorzoeking woning;

- een kennisgeving van inbeslagneming;

- een bewijs inbeslagneming.

In deze documenten heeft verweerder een aantal gegevens onleesbaar gemaakt. Met een beroep op de Wet Politiegegevens (Wpg) heeft verweerder de namen, adressen en andere gegevens die kunnen leiden tot identificatie van betrokkenen onleesbaar gemaakt. Met een beroep op artikel 10, tweede lid onder c, van de Wob heeft verweerder de gegevens onleesbaar gemaakt die inzicht geven in vertrouwelijk te houden opsporingsstrategieën en

-methoden. Ten slotte heeft verweerder met een beroep op artikel 10, tweede lid onder e, van de Wob de namen van functionarissen van de FIOD, het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak onleesbaar gemaakt.

2.4 Eiseres heeft in beroep – kort samengevat – betoogd dat verweerder, ten aanzien van de vertrouwelijk te houden opsporingsstrategieën en de namen van overheidsfunctionarissen, ten onrechte niet per onleesbaar gemaakte passage heeft aangegeven wat voor gegevens hier onleesbaar zijn gemaakt en waarom voor deze gegevens de belangenafweging in het nadeel van bekendmaking is uitgevallen. Daarnaast heeft eiseres betoogd dat verweerder ten onrechte het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten heeft afgewezen, nu het primaire besluit bij de beslissing op bezwaar deels is herroepen.

2.4.1 Eerst ter zitting heeft eiseres betoogd dat verweerder ook ten aanzien van het onleesbaar maken van andere gegevens, waaronder het merk van een motorvoertuig, het kenteken van een motorvoertuig en de naam van een schip, ten onrechte niet heeft gemotiveerd op welke grond openbaarmaking is geweigerd. De rechtbank zal deze beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten. Hierbij overweegt de rechtbank dat verweerder er, gelet ook op de inhoud van het verweerschrift, tot aan de zitting in beroep van is uitgegaan en ook van mocht uitgaan dat het beroep niet zag op deze gegevens, waardoor verweerder niet adequaat op deze beroepsgrond heeft kunnen reageren. De rechtbank neemt bij deze beslissing voorts in aanmerking dat niet is gebleken dat eiseres deze grond niet eerder dan ter zitting heeft kunnen aanvoeren.

2.5 De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is in geschil of verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom in de openbaar gemaakte documenten namen van overheidsfunctionarissen en passages die inzicht geven in vertrouwelijk te houden opsporingsstrategieën onleesbaar zijn gemaakt. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat een bestuursorgaan in beginsel per document of onderdeel daarvan dient te motiveren dat aan de belangen die zich tegen openbaarmaking verzetten doorslaggevend gewicht toekomt. Van deze motivering kan echter onder omstandigheden worden afgezien, indien een dergelijke motivering zou leiden tot herhalingen die geen redelijk doel dienen (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van

7 september 2011, LJN:BR6884). De rechtbank stelt vast dat verweerder niet per passage, maar enkel per categorie gegevens het onleesbaar maken hiervan heeft gemotiveerd. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank moeten beoordelen of verweerder een motivering per onleesbaar gemaakte passage terecht achterwege heeft gelaten, omdat een dergelijke motivering geen redelijk doel zou dienen.

2.6 Ten aanzien van de onleesbaar gemaakte namen van overheidsfunctionarissen stelt de rechtbank voorop dat het vaste jurisprudentie van de Afdeling is, dat het openbaar maken van namen de persoonlijke levenssfeer raakt en dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen de openbaarmaking van deze namen kan verzetten (bijvoorbeeld de uitspraak van 18 juli 2007, LJN: BA9807). De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaren niet in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang dat met openbaarmaking is gediend. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het geen redelijk doel dient om per onleesbaar gemaakte naam te herhalen dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken ambtenaar zwaarder weegt dan het belang dat met openbaarmaking is gediend. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de beoordeling die verweerder heeft gemaakt bij elke functionaris gelijk is, aangezien zij ieder voor zich een gelijk recht hebben op de eerbiediging van hun persoonlijke levenssfeer. Het per onleesbaar gemaakte naam vermelden van deze steeds gelijke beoordeling dient dan ook geen redelijk doel.

2.7 Ten aanzien van de onleesbaar gemaakte passages die volgens verweerder niet openbaar kunnen worden gemaakt omdat hierdoor het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten zou worden geschonden, overweegt de rechtbank als volgt. Met toepassing van artikel 8:29 van de Awb heeft de rechtbank kennis genomen van deze onleesbaar gemaakte gegevens. De rechtbank stelt vast dat deze gegevens inzicht geven in de wijze waarop de opsporingsdiensten informatie hebben verzameld in het kader van het strafrechtelijke onderzoek. Bij openbaarmaking van deze gegevens zou de opsporing in dit specifieke geval kunnen worden geschaad. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten, zoals bedoeld in artikel 10, tweede lid onder c, van de Wob, zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang dat met openbaarmaking is gediend. Aangezien het voorgaande geldt voor alle passages die in dit kader onleesbaar zijn gemaakt, is de rechtbank voorts van oordeel dat het geen redelijk belang zou dienen om per onleesbaar gemaakte passage een afzonderlijke motivering te vermelden.

2.8 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de beroepsgronden die eiseres heeft gericht tegen het door verweerder onleesbaar maken van delen van de openbaar gemaakte documenten niet kunnen slagen.

2.9 Eiseres heeft tot slot betoogd dat verweerder ten onrechte het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten heeft afgewezen. Op grond van de artikelen 8:75, eerste lid, en 7:15, tweede lid, van de Awb is er voor een proceskostenvergoeding in bezwaar alleen plaats indien het primaire besluit wordt herroepen vanwege een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Volgens eiseres is hiervan sprake, omdat in het primaire besluit het informatieverzoek is afgewezen op grond van de Wpg, terwijl in het bestreden besluit is overwogen dat niet alle gegevens van de betreffende documenten vallen onder het regime van de Wpg. Dit betoog mist echter feitelijke grondslag. In het primaire besluit is het informatieverzoek namelijk ook afgewezen op grond van artikel 10, tweede lid onder c, van de Wob. De van het primaire besluit afwijkende constatering in het bestreden besluit dat niet alle gegevens vallen onder het regime van de Wpg is dan ook niet de reden geweest voor de herroeping van het primaire besluit. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het primaire besluit is herroepen vanwege een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, temeer nu verweerder in het bestreden besluit nadrukkelijk en gemotiveerd heeft overwogen dat het primaire besluit alleen wordt herroepen omdat de belangenafweging in het kader van artikel 10, tweede lid onder c, van de Wob inmiddels anders uitvalt.

2.10 Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J.P. Lambooij. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.