Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW4270

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
06/921014-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en een onvoorwaardelijke werkstraf van 140 uur voor het feitelijk leiding gegeven aan het bedrijf dat aan haar kalveren het verboden en groeibevorderend middel Salmeterol heeft toegediend en daarnaast op ongeconotroleerde wijze waterstofperoxide aan veevoer heeft toegediend om bederf te voorkomen. Elk middel op zich brengt al gezondheidsrisico’s met zich. Het valt niet te overzien wat een de combinatie van deze middelen, soms ook nog in combinatie met regulier verstrekte diergeneesmiddelen, voor nadelig effect voor de voedselketen kan hebben. Het valt de verdachte te verwijten dat consumenten deze risico’s hebben gelopen.

De rechtbank heeft de resultaten van onderzoeken naar de van kalveren genomen haarmonsters van het bewijs uitgesloten. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet meer mogelijk om uit te zoeken welk mooster buiten twijfel zuiver en niet gecontamineerd en dus geschikt zou zijn voor tegenonderzoek. Aan alle door de verdediging gedane verzoeken die gerelateerd zijn aan de haarmonsters kan derhalve niet worden voldaan (uitspraken medeverdachte: LJN BW4267 en BW4274).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige economische kamer

Parketnummer: 06/921014-06

Uitspraak d.d.: 24 april 2012

Niet verschenen / oip

Tegenspraak: raadsman uitdrukkelijk gemachtigd - art. 279 Sv.

HERSTELVONNIS

De rechtbank heeft geconstateerd dat in de strafoverweging bij de toepasselijke wettelijke voorschriften is verzuimd artikel 44 van de Diergeneesmiddelenwet te vermelden. Bovendien is in het dictum abusievelijk in de kwalificatie van feit 2 subsidiair vermeld overtreding van artikel 4 van de Diergeneesmiddelenwet, terwijl dit artikel 44 van die wet moet zijn.

In onderstaand vonnis is één en ander hersteld.

in de zaak tegen:

[verdachte B],

geboren te [plaats op 1976],

wonende te [plaats, adres].

Raadsman: P.J. Hoogendam advocaat te 's-Gravenhage

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 8 april 2008, 15 juli 2008, 14 oktober 2008, 13 september 2011 en 10 april 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

verdachte

op of omstreeks 10 november 2006, in de gemeente Putten (op of nabij locatie [locatie]) en/of

op of omstreeks 6 december 2006, in de gemeente Putten, althans in Nederland (in de auto met het kenteken [kenteken]) en/of

op of omstreeks 18 december 2006, in de gemeente Putten (op of nabij perceel [perceel 1]) en/of

op of omstreeks 18 december 2006, in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 2 te plaats] en/of

op of omstreeks 18 december 2006, in de gemeente Ermelo (op of nabij perceel [perceel 3]),

als degene die bedrijfsmatig dieren, te weten kalveren, houdt tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (telkens) door de Minister van Landbouw en Visserij aangewezen substanties, te weten [bèta]-agonisten, in casu Salmeterol, voorhanden heeft gehad of in voorraad heeft gehad;

Opmerking: de terminologie in deze tenlastelegging is gebezigd in de zin van de Diergeneesmiddelenwet;

art 44 lid 1 Diergeneesmiddelenwet

ALTHANS, dat

[medeverdacht bedrijf C]

op of omstreeks 10 november 2006, in de gemeente Putten (op of nabij locatie [locatie]) en/of

op of omstreeks 6 december 2006, in de gemeente Putten, althans in Nederland (in de auto met het kenteken [kenteken]) en/of

op of omstreeks 18 december 2006, in de gemeente Putten (op of nabij perceel [perceel 1]) en/of

op of omstreeks 18 december 2006, in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 2 te plaats] en/of

op of omstreeks 18 december 2006, in de gemeente Ermelo (op of nabij perceel [perceel 3]),

als degene die bedrijfsmatig dieren, te weten kalveren, houdt tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (telkens) door de Minister van Landbouw en Visserij aangewezen substanties, te weten [bèta]-agonisten, in casu Salmeterol, voorhanden heeft gehad of in voorraad heeft gehad,

tot welk(e) bovenomschreven feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

(art. 44 lid 1 Diergeneesmiddelenwet jo. art. 51 Wetboek van Strafrecht)

Opmerking: de terminologie in deze tenlastelegging is gebezigd in de zin van de Diergeneesmiddelenwet;

art 44 lid 1 Diergeneesmiddelenwet

ALTHANS, dat

verdachte

op of omstreeks 10 november 2006, in de gemeente Putten (op of nabij locatie [locatie]) en/of

op of omstreeks 6 december 2006, in de gemeente Putten, althans in Nederland (in de auto met het kenteken [kenteken]) en/of

op of omstreeks 18 december 2006, in de gemeente Putten (op of nabij perceel [perceel 1]) en/of

op of omstreeks 18 december 2006, in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 2 te plaats] en/of

op of omstreeks 18 december 2006, in de gemeente Ermelo (op of nabij perceel [perceel 3]),

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (telkens) een hoeveelheid diergeneesmiddel(en), te weten Salmeterol, dat/die niet was/waren geregistreerd, voorhanden heeft gehad of in voorraad heeft gehad ;

Opmerking: de terminologie in deze tenlastelegging is gebezigd in de zin van de Diergeneesmiddelenwet;

art 2 lid 1 Diergeneesmiddelenwet

ALTHANS, dat

[medeverdacht bedrijf C]

op of omstreeks 10 november 2006, in de gemeente Putten (op of nabij locatie [locatie]) en/of

op of omstreeks 6 december 2006, in de gemeente Putten, althans in Nederland (in de auto met het kenteken [kenteken]) en/of

op of omstreeks 18 december 2006, in de gemeente Putten (op of nabij perceel [perceel 1]) en/of

op of omstreeks 18 december 2006, in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 2 te plaats] en/of

op of omstreeks 18 december 2006, in de gemeente Ermelo (op of nabij perceel [perceel 3]),

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (telkens) een hoeveelheid diergeneesmiddel(en), te weten Salmeterol, dat/die niet was/waren geregistreerd, voorhanden heeft gehad of in voorraad heeft gehad,

tot welk(e) bovenomschreven feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

(art. 2 lid 1 Diergeneesmiddelenwet jo. art. 51 Wetboek van Strafrecht)

Opmerking: de terminologie in deze tenlastelegging is gebezigd in de zin van de Diergeneesmiddelenwet;

art 3 lid 2 ahf/ond a Diergeneesmiddelenwet

2.

verdachte in of omstreeks de maand(en) augustus 2006 en/of september 2006, althans in of omstreeks het jaar 2006,

in de gemeente Putten (op of nabij perceel [perceel 1]) en/of

in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 4 te plaats]) en/of

in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 2 te plaats] en/of

in de gemeente Scherpenzeel (op of nabij perceel [perceel 5 te plaats]) en/of

in de gemeente Ermelo (op of nabij perceel [perceel 3 te plaats]),

althans op een of meerdere plaatsen in Nederland,

als degene die bedrijfsmatig dieren, te weten kalveren, houdt tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (telkens) door de Minister van Landbouw en Visserij aangewezen substanties, te weten [bèta]-agonisten, in casu Salmeterol, voorhanden heeft gehad of in voorraad heeft gehad;

Opmerking: de terminologie in deze tenlastelegging is gebezigd in de zin van de Diergeneesmiddelenwet;

art 44 lid 1 Diergeneesmiddelenwet

ALTHANS, dat

[medeverdacht bedrijf C] in of omstreeks de maand(en) augustus 2006 en/of september 2006, althans in of omstreeks het jaar 2006,

in de gemeente Putten (op of nabij perceel [perceel 1]) en/of

in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 4 te plaats]) en/of

in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 2 te plaats] en/of

in de gemeente Scherpenzeel (op of nabij perceel [perceel 5 te plaats]) en/of

in de gemeente Ermelo (op of nabij perceel [perceel 3 te plaats]),

althans op een of meerdere plaatsen in Nederland,

als degene die bedrijfsmatig dieren, te weten kalveren, houdt tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (telkens) door de Minister van Landbouw en Visserij aangewezen substanties, te weten [bèta]-agonisten, in casu Salmeterol, voorhanden heeft gehad of in voorraad heeft gehad,

tot welk(e) bovenomschreven feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

(art. 44 lid 1 Diergeneesmiddelenwet jo. art. 51 Wetboek van Strafrecht)

Opmerking: de terminologie in deze tenlastelegging is gebezigd in de zin van de Diergeneesmiddelenwet;

art 44 lid 1 Diergeneesmiddelenwet

ALTHANS, dat

verdachte in of omstreeks de maand(en) augustus 2006 en/of september 2006, althans in of omstreeks het jaar 2006,

in de gemeente Putten (op of nabij perceel [perceel 1]) en/of

in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 4 te plaats]) en/of

in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 2 te plaats] en/of

in de gemeente Scherpenzeel (op of nabij perceel [perceel 5 te plaats]) en/of

in de gemeente Ermelo (op of nabij perceel [perceel 3 te plaats]),

althans op een of meerdere plaatsen in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (telkens) een hoeveelheid diergeneesmiddel(en), te weten Salmeterol, dat/die niet was/waren geregistreerd, voorhanden heeft gehad of in voorraad heeft gehad ;

Opmerking: de terminologie in deze tenlastelegging is gebezigd in de zin van de Diergeneesmiddelenwet;

art 2 lid 1 Diergeneesmiddelenwet

ALTHANS, dat

[medeverdacht bedrijf C] in of omstreeks de maand(en) augustus 2006 en/of september 2006, althans in of omstreeks het jaar 2006,

in de gemeente Putten (op of nabij perceel [perceel 1]) en/of

in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 4 te plaats]) en/of

in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 2 te plaats] en/of

in de gemeente Scherpenzeel (op of nabij perceel [perceel 5 te plaats]) en/of

in de gemeente Ermelo (op of nabij perceel [perceel 3 te plaats]),

althans op een of meerdere plaatsen in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (telkens) een hoeveelheid diergeneesmiddel(en), te weten Salmeterol, dat/die niet was/waren geregistreerd, voorhanden heeft gehad of in voorraad heeft gehad,

tot welk(e) bovenomschreven feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

(art. 2 lid 1 Diergeneesmiddelenwet jo. art 51 Wetboek van Strafrecht)

Opmerking: de terminologie in deze tenlastelegging is gebezigd in de zin van de Diergeneesmiddelenwet;

art 3 lid 2 ahf/ond a Diergeneesmiddelenwet

3.

verdachte in of omstreeks de maand(en) augustus 2006 en/of september 2006, althans in of omstreeks het jaar 2006,

in de gemeente Putten (op of nabij perceel [perceel 1]) en/of

in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 4 te plaats]) en/of

in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 2 te plaats] en/of

in de gemeente Scherpenzeel (op of nabij perceel [perceel 5 te plaats]) en/of

in de gemeente Ermelo (op of nabij perceel [perceel 3 te plaats]),

althans op een of meerdere plaatsen in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (telkens) dieren, te weten kalveren, waaraan op enigerlei wijze bèta-agonisten, in casu Salmeterol, waren / was toegediend, (telkens) in de handel heeft gebracht;

(art. 2 lid 1 aanhef en onder a van de Verordening verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van bèta-agonisten 1997)

Opmerking: de terminologie in deze tenlastelegging is gebezigd in de zin van de Verordening verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van bèta-agonisten 1997;

art 19 lid 1 Landbouwwet

ALTHANS, dat

[medeverdacht bedrijf C] in of omstreeks de maand(en) augustus 2006 en/of september 2006, althans in of omstreeks het jaar 2006,

in de gemeente Putten (op of nabij perceel [perceel 1]) en/of

in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 4 te plaats]) en/of

in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 2 te plaats] en/of

in de gemeente Scherpenzeel (op of nabij perceel [perceel 5 te plaats]) en/of

in de gemeente Ermelo (op of nabij perceel [perceel 3 te plaats]),

althans op een of meerdere plaatsen in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (telkens) dieren, te weten kalveren, waaraan op enigerlei wijze bèta-agonisten, in casu Salmeterol, waren / was toegediend, (telkens) in de handel heeft gebracht;

(art. 2 lid 1 aanhef en onder a van de Verordening verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van bèta-agonisten 1997 jo. art. 51 Wetboek van Strafrecht)

Opmerking: de terminologie in deze tenlastelegging is gebezigd in de zin van de Verordening verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking en van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van bèta-agonisten 1997;

art 20 lid 1 Landbouwwet

4.

verdachte in of omstreeks de periode van januari 2006 tot en met augustus 2006, althans in of omstreeks het jaar 2006, in de gemeente Putten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (telkens) een toevoegingsmiddel of een vervangend voederproteïne dat niet ingevolge een communautaire maatregel is toegelaten, te weten waterstofperoxide, (telkens ) voorhanden of in voorraad heeft gehad;

Opmerking: de terminologie in deze tenlastelegging is gebezigd in de zin van de Kaderwet diervoeders;

art 5 lid 1 ahf/ond a Kaderwet Diervoeders

ALTHANS, dat

[medeverdacht bedrijf C] in of omstreeks de periode van januari 2006 tot en met augustus 2006, althans in of omstreeks het jaar 2006, in de gemeente Putten, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk (telkens) een toevoegingsmiddel of een vervangend voederproteïne dat niet ingevolge een communautaire maatregel is toegelaten, te weten waterstofperoxide, (telkens )

voorhanden of in voorraad heeft gehad,

tot welk(e) bovenomschreven feit(en) verdachte opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

(art. 5 Kaderwet diervoeders jo. art. 51 Wetboek van Strafrecht)

Opmerking: de terminologie in deze tenlastelegging is gebezigd in de zin van de Kaderwet diervoeders;

art 5 lid 1 ahf/ond b Kaderwet Diervoeders

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hiertoe is het volgende aangevoerd.

Processen-verbaal van de daadwerkelijke handelingen van monstername zijn niet aanwezig. Daardoor is niet te achterhalen welk kalf per box of stal als eerste is bemonsterd, in welke volgorde kalveren vervolgens zijn bemonsterd alsmede of en in welke mate deze kalveren positief waren op Salmeterol. Hierdoor is het recht op een contraonderzoek door toedoen van de AID-monsternemers en verbalisanten volledig gefrustreerd en onmogelijk geworden. Door deze grove onzorgvuldigheid zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (bedoeld zal mede zijn: behoorlijke procesorde) zodanig ernstig geschonden dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard, aldus de raadsman.

Niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt, als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Er moet derhalve sprake zijn van een flagrante strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De processen-verbaal (bemonsteringsrapporten) die telkens zijn opgemaakt naar aanleiding van het nemen van een haarmonster en het bijbehorende contramonster zijn aan het dossier toegevoegd. Niettemin valt uit het dossier, en dan met name de verklaringen welke door medewerkers van de AID en Task Force Hormonen zijn afgelegd, af te leiden dat gewerkt is op een wijze waarbij het risico van contaminatie niet volledig was uitgesloten.Het valt vanuit een oogpunt van zorgvuldige opsporing en waarheidsvinding weliswaar te betreuren dat de betrokken opsporingsambtenaren in hun verslaglegging niet zodanig nauwkeurig te werk zijn gegaan dat elk detail in volgorde van tijd en plaats per monsterneming is vastgelegd, waardoor contra-expertise zinloos is geworden, maar uit niets is de rechtbank echter gebleken, dat de betrokken opsporingsambtenaren de bedoeling hebben gehad om doelbewust aan de rechten van verdachte tekort te doen. Evenmin is er sprake van een grove veronachtzaming van die rechten.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Gevolg van het niet naleven van de plicht tot uiterst nauwkeurige verslaglegging bij de monsternames is evenwel, dat de rechtbank bij de beoordeling van het aldus verkregen bewijsmateriaal extra zorgvuldig en behoedzaam te werk zal moeten gaan. Dit zal wel gevolg hebben voor de bewijsvraag als hierna te melden. Het verweer van de raadsman over het niet verstrekken van de journaals van de laboratoriumonderzoeken, die vervolgens op de monsters zijn uitgevoerd, en de daaraan door hem verbonden conclusies zullen eveneens hierna besproken worden.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

In september 2006 ontving de AID een melding van Stichting Kwaliteitsgarantie Vleeskalversector (SKV) dat er in drie kalveren die ter slacht waren aangeboden het verboden groeihormoon Salmeterol was aangetroffen. Salmeterol is een stof, een zogenaamde bèta-agonist, die van nature niet bij kalveren voorkomt. Uit onderzoek is gebleken dat [verdachte] eigenaar van de kalveren was en ook is gebleken dat [verdachte] op een vierentwintigtal verschillende bedrijven mestkalveren op voergeld had staan. Het ging in totaal om ongeveer 150.000 mestkalveren. Er is vervolgens een strafrechtelijk onderzoek ingesteld, ondermeer door op verschillende locaties, eerst bij wijze van steekproef en gelet op de verkregen resultaten vervolgens bij alle kalveren van 7 bedrijven monsters te nemen. Tevens zijn forensische monsters genomen op verschillende locaties en zijn doorzoekingen verricht.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot vrijspraak van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en tot bewezenverklaring van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht. Hij heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring niet uitgelaten of dit telkens het primair ten laste gelegde zou moeten betreffen, danwel telkens de subsidiair ten laste gelegde variant.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

Met een toelichting als vermeld in de ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie heeft de verdediging ondermeer aangevoerd dat het ontbreken van de processen-verbaal van de daadwerkelijke haarmonsternamehandelingen van de kalveren en het ontbreken van de processen-verbaal van laboratoriumonderzoek -de zogenaamde journaals- van die haarmonsters, gezien de grote onvolkomenheden en de onherstelbare fouten, dan wel het ontbreken ervan. zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel vrijspraak.

Subsidiair is aangevoerd dat het openbaar ministerie de ontbrekende stukken alsnog aan het dossier moet toevoegen.

Meer subsidiair is de verdediging van mening dat diverse vragen en onduidelijkheden met betrekking tot uitvoering en toepassing van EU-regelgeving als prejudiciële vragen moeten worden voorgelegd aan het Europese Hof.

Voorts heeft de raadsman ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat er geen losse hoeveelheden Salmeterol zijn aangetroffen. De verdediging begrijpt de tenlastelegging zo dat dit verwijt wel wordt gemaakt.

Indien de rechtbank zou overwegen verdachte voor het onder 3 primair ten laste gelegde vrij te spreken, wijst de raadsman er op dat in het subsidiair ten laste gelegde een belangrijk bestanddeel ontbreekt zodat, indien er al geen vrijspraak zou volgen er in ieder geval ontslag van alle rechtsvervolging zal dienen te volgen.

Voorts heeft verdachte geen opzet gehad om kalveren waaraan Salmeterol was toegediend in de handel te brengen.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat dit geen strafbaar feit betreft, aangezien waterstofperoxide blijkens door hem overgelegde stukken een toegelaten middel is.

Op de verweren van de raadsman is hieronder voor zover relevant ingegaan.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1:

Onder feit 1 is in een viertal varianten aan verdachte ten laste gelegd het voorhanden hebben of in voorraad hebben van een bèta-agonist, in casu Salmeterol, en het aldus handelen in strijd met artikel 44 van de Diergeneesmiddelenwet.

In de genomen monsters van een werkbank aan de [locatie te plaats], op objecten in een aldaar geparkeerde bedrijfsauto die in gebruik was bij [medeverdachte A] en in medicijnmengers van aan de onderneming gelieerde bedrijven is blijkens onderzoek aan de monsters het materiaal Salmeterol aangetroffen.

Uit de Memorie van Toelichting van artikel 44 van de Diergeneesmiddelenwet en artikel 1, tweede lid, van die wet blijkt dat het voorhanden hebben en het in voorraad hebben van substanties ziet op hoeveelheden die kunnen worden gebruikt voor de voorbereiding van diergeneesmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat van de aangetroffen sporen Salmeterol niet kan worden gezegd dat deze voorhanden waren dan wel in voorraad werden gehouden ter voorbereiding van diergeneesmiddelen. Anders gezegd: er zijn slechts sporen van de verboden stof aangetroffen en geen bruikbare hoeveelheden.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat, hoewel de kleine hoeveelheden materiaal op in de tenlastelegging genoemde data zijn aangetroffen, niet kan worden vastgesteld dat verdachte op genoemde data ook telkens een zodanige hoeveelheid van die stof voorhanden dan wel in voorraad heeft gehad, dat deze als diergeneesmiddel toegepast kon worden. De aanwezigheid van de geringe hoeveelheden materiaal duidt wel op het telkens aanwezig hebben gehad van (grotere) hoeveelheden van dat materiaal op eerdere tijdstippen dan ten laste is gelegd.

Verdachte dient derhalve van het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 1 uiterst subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken te worden.

Feiten 2 en 3:

De haarmonsters:

Op grond van de stukken en het ter terechtzitting verhandelde kan met betrekking tot de van de kalveren genomen haarmonsters het volgende worden vastgesteld.

In augustus 2006 en september en oktober 2006 zijn er grote hoeveelheden haarmonsters genomen van kalveren van [medeverdacht bedrijf C], die op diverse locaties op voergeld stonden. Van de haarmonsternames zijn processen-verbaal (bemonsteringsrapporten) opgemaakt. Daaruit kan echter niet de exacte gang van zaken bij de monsternames worden opgemaakt. Daardoor valt bijvoorbeeld niet op te maken in welke volgorde de haarmonsters per kalf, stal of box zijn genomen. Evenmin valt uit te sluiten dat op de wijze waarop is gewerkt haar van een kalf na de monstername op (het mesje van) knip- of scheerapparaten is achtergebleven en terecht is gekomen in een volgend monster. Op grond daarvan en op grond van de complexiteit en de hoeveelheid van de per locatie genomen haarmonsters is het daarom naar het oordeel van de rechtbank niet meer mogelijk om uit te zoeken welk monster buiten twijfel en niet gecontamineerd en dus geschikt zou zijn voor tegenonderzoek. Aan alle door de verdediging gedane verzoeken die zijn gerelateerd aan de haarmonsters kan derhalve niet worden voldaan. Hoewel uit het onderzoek van de genomen haarmonsters genoegzaam is komen vast te staan dat er op enig moment wel de lichaamsvreemde stof Salmeterol aan (een aantal van) (mede)verdachtes kalveren moet zijn toegediend, is de rechtbank van oordeel dat de dat de resultaten van de haarmonsters van het bewijs uitgesloten dienen te worden. De verdachte zal daarom voor dat deel van het onder 2 en 3 ten lastegelegde vrijgesproken worden.

De overige met betrekking tot de haarmonsters gevoerde verweren behoeven derhalve geen bespreking.

Om dezelfde reden wordt het verzoek van de officier van justitie om de zaak aan te houden voor het horen van getuigen afgewezen.

De urine- en oogmonsters:

Ten aanzien van de urine- en oogmonsters heeft de rechtbank vastgesteld dat de raadsman daaraan in de door hem gevoerde correspondentie en tijdens eerdere zittingen wel aandacht aan heeft besteed. De rechtbank heeft echter ook vastgesteld dat de raadman ter zitting van 10 april 2012 geen uitdrukkelijk onderbouwd verzoek heeft gedaan om ook ten aanzien van die genomen monsters contra-expertise te laten verrichten.

De verweren met betrekking tot een onderzoek naar medicijngebruik, de nadere vaststelling van gehaltes en ondanks accreditatie gehanteerde onderzoeksmethoden worden verworpen, nu Salmeterol een zogenaamde nultolerantiestof is ingevolge Richtlijn 96/22/EG.

Op 4 september 2006 zijn er op een slachterij vleeskalveren aangevoerd die afkomstig waren van het bedrijf [bedrijf 1 te plaats]2. Door de Stichting Kwaliteitsgarantie Vleeskalversector (SKV) zijn van deze kalveren monsters genomen, bestaande uit drie paar ogen. Deze zijn door TNO te Zeist onderzocht op de aanwezigheid van verboden stoffen. De uitslag van dit onderzoek was dat er in deze monsters Salmeterol aanwezig was3.

Er heeft een analyse plaatsgevonden van bedrijven die administratief verbonden waren met het bedrijf [naam BV]4. Dit betroffen onder meer [naam 1 te plaats] en [naam 2 te plaats]. Op 11 september 2006 zijn er bij de bedrijven van [naam 2] en [naam 1] urinemonsters van kalveren genomen5 die korte tijd later ter slacht aangeboden zouden worden.

Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat zes bij [naam 2] genomen urinemonsters Salmeterol bevatten6.

Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat drie bij [naam1] genomen urinemonsters Salmeterol bevatten7.

[naam 2] heeft verklaard8 dat hij van beroep vleeskalverhouder is. Het bedrijf is gevestigd te [plaats aan perceel 1]. Hij hield 400 stuks witvleeskalveren op voergeld, die eigendom waren van [verdachte]. Voor het houden daarvan kreeg hij begeleiding van [medeverdachte A]. [medeverdachte A] kwam één keer in de twee tot drie weken langs om te zien hoe het met de kalveren ging. Later heeft [naam 3] dat overgenomen. Het voer werd via [verdachte] geleverd. De voersoort en combinatie werd door [verdachte] bepaald. Op 5 september 2006 is hij begonnen met het geven van oxytetracycline (hierna: OTC). Dit werd door [medeverdachte A] of [naam 3] gebracht. [medeverdachte A] heeft verteld hoe hij dat moest toedienen en wanneer hij daar mee moest starten. De kuur van 28 dagen begon ongeveer een week of vijf voor het afleveren van de dieren. De koppel kalveren die de laatste keer is afgevoerd, dus de koppel waar ook de vijf positief geteste dieren in zaten, zijn hoesterig geweest.

[naam 4] heeft verklaard9 dat hij een maatschap heeft met zijn zoon. Er waren op het bedrijf aan de [perceel 5 te plaats] ongeveer 1.400 kalveren voor de witvleesproductie gehuisvest. Deze waren eigendom van [medeverdachte A te plaats]. Zij hebben al sinds 2001 een overeenkomst. De vertegenwoordiger van [medeverdachte A] was [naam 3]. Hij kwam wekelijks op het bedrijf en bepaalde het voerschema, het soort voer en gebruik van geneesmiddelen. De kalveren van de afgelopen week (rechtbank: verhoor op 11 september 2006) zijn afgeleverd en geslacht. Hijzelf heeft de kalveren nooit geneesmiddelen toegediend.

[naam 5] heeft verklaard10 dat hij samen met zijn ouders een maatschap had waarin binnen kalveren werden gehuisvest. Deze waren eigendom van [verdachte]. De vertegenwoordiger was [naam 3], die de medicijnen regelde. Buiten zijn vader, zijn moeder en hijzelf kwamen alleen [medeverdachte A] en [naam 3] in de stal. Er kwamen geen vreemde personen in de stal.

[naam 2] heeft verklaard11 dat hij een agrarisch bedrijf heeft te [plaata, aan de perceel 2]. [medeverdachte A] en [verdachte B] en hij en zijn vrouw hebben de 400 witvleeskalveren als gezamenlijk eigendom. Een ronde kalveren duurt 30 weken en per ronde worden er 445 kalveren opgezet.

[naam 3] is de vertegenwoordiger van [verdachte]. Medicatie wordt geregeld door [medeverdachte A]. Het technisch resultaat en het financieel resultaat wordt bijgehouden door [verdachte]. [medeverdachte A] was degene die het slachthuis regelde. [naam 3] was het aanspreekpunt voor de verzorging van de kalveren. [naam 6] regelde het daadwerkelijk voeren van de kalveren. Als er Salmeterol is aangetroffen in de kalveren is dat buiten hem omgegaan. Hij heeft daar geen bemoeienis mee gehad.

Verdachte heeft verklaard12 dat de organisatie [verdachte] veel BV's heeft. Zijn taak was administratief en [medeverdachte A] deed de in- en verkopen van zowel het voer en de kalveren. [medeverdacht bedrijf C] was de eigenaar van alle kalveren die er op bedrijven stonden. Van sommige bedrijven was de eigenaar van het bedrijf mede-eigenaar van de kalveren. Het begeleiden werd gedaan door de vertegenwoordiger [naam 3]. Hij werkte sinds september 2005 voor het bedrijf. Zijn broer [medeverdachte A] begeleidde ook een aantal stallen. Zij kwamen beide op alle stallen. Er was geen vaste verdeling. Zij zelf bepaalden het tijdstip van aan- en afvoer van de kalveren en bepaalden ook wat er gevoerd werd. De medicijnen regelden [medeverdachte A] en [naam 3].

[naam 3] heeft verklaard13dat hij vanaf september 2005 in dienst was bij [medeverdacht bedrijf C]. [medeverdachte A] en [verdachte B] regelden de gang van zaken binnen die onderneming. [medeverdacht bedrijf C] was eigenaar van de kalveren en regelde de levering van het voer, de begeleiding etc. Ook waren er vrije mesters, die hij vaak bezocht. Hij deed de technische begeleiding en gaf adviezen met betrekking tot medicijnen. Er werd gewerkt met melkpoeder waarin verschillende componenten waren opgenomen die voor een goede groei nodig zijn.

Hij had het meeste overleg met [medeverdachte A] en soms met [verdachte B]. Hij nam beslissingen over het inzetten van een dierenarts, zonder daarover contact met [medeverdachte A] of [verdachte B] op te nemen. Daarover waren afspraken gemaakt. Als er problemen waren in een stal overlegden de veehouders met hem. Hij bracht wel geneesmiddelen naar een veehouder. Op de bedrijven stonden mengers waarmee dit aan de melk werd toegevoegd.

Er zijn naar zijn weten geen initiatieven binnen [verdachte] genomen om te achterhalen hoe de Salmeterol in de kalveren is gekomen. Hij sluit uit dat de Salmeterol al in de kalveren zat toen ze als nuchter kalf naar Nederland kwamen. De kalveren kwamen uit verschillende landen en als er wel Salmeterol in had gezeten hadden de monsteruitslagen van de jonge kalveren ook positief moeten zijn. [medeverdachte A] regelde het leveren van de OTC aan de stallen. Dit zat in plastic zakjes. [medeverdachte A] vertelde dat er een toevoeging in de OTC zat, maar hij wilde niet zeggen wat er was toegevoegd.

[naam 7] heeft verklaard14 dat hij kalveren heeft gehouden voor [medeverdacht bedrijf C], die alles bepaalde. Hij had geen zeggenschap over de kwaliteit van de kalveren, de medicijnen en de voerschema's. [naam 3], de vertegenwoordiger, kwam wekelijks. [medeverdachte A] kwam zelf ook wel eens. [naam 3] heeft hem gezegd dat hij OTC moest bijmengen in het voer.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat verdachte in enigerlei wijze opzet heeft gehad om het middel Salmeterol voorhanden te hebben of in voorraad te hebben.

Verdachte dient derhalve van de onder 2 primair, 2 subsidiair, 2 meer subsidiair en 2 meer meer subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken te worden.

Ten aanzien van het verweer dat opzet ontbreekt met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde wordt het volgende overwogen.

De rechtbank is van oordeel dat het opzet niet gericht hoeft te zijn op het verboden zijn van de gedraging (vgl. HR 24 april 2007, LJN AZ8783). Tegen deze achtergrond behoeven de omstandigheden die ter onderbouwing van het verweer zijn aangevoerd, geen bespreking meer. Dit verweer slaagt derhalve niet.

Uit deze bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd, komt naar voren dat verdachte niet als medepleger maar als feitelijk leidinggevende moet worden aangemerkt.

De rechtbank acht derhalve het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op de wijze waarop feit 3 subsidiair ten laste is gelegd, namelijk dat [medeverdacht bedrijf C] het feit tezamen en in vereniging zou hebben gepleegd, en de in de tekst opgenomen verwijzing naar artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht heeft de steller van de tenlastelegging kennelijk voor ogen gehad om subsidiair ten laste te leggen het door verdachte opdracht geven en/of feitelijk leiding geven. Nu dit bestanddeel in het subsidiair ten laste gelegde ontbreekt, maakt dat zowel onder 3 primair als onder 3 subsidiair medeplegen ten laste is gelegd. Nu verdachte niet als medepleger maar als feitelijk leidinggevende moet worden beschouwd, dient verdachte derhalve niet alleen van het onder 3 primair ten laste gelegde maar ook van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken te worden.

Feit 4:

Uit onderzoek15 is naar voren gekomen dat er waterstofperoxide werd toegevoegd aan voer voor vleeskalveren, namelijk wei.

[verdachte B] heeft verklaard16 dat er op het bedrijf van verdachte waterstofperoxide aan wei werd toegevoegd om daarmee de houdbaarheid te verbeteren. Hij heeft ook verklaard dat dit volgens hem geen kwaad kon. Indien dit niet is toegestaan, zal hij stoppen met het toepassen daarvan.

[naam 8] heeft verklaard17 dat er bij [medeverdacht bedrijf C] waterstofperoxide aan het voer werd toegevoegd. Dat gebeurde al vanaf het begin dat hij bij [verdachte] werkte. Het toevoegen ervan had te maken met de houdbaarheid van het voer. [verdachte B] had hem verteld dat het een bepaalde bacterie zou doden. Dit gebruik van waterstofperoxide stond niet in de computer, omdat dit middel niet mocht worden toegevoegd. Hij heeft ook gezien dat een chauffeur van een tankauto waterstofperoxide heeft toegevoegd aan de inhoud van een vrachtauto.

Op grond van artikel 5 van de Kaderwet diervoeders is het verboden een toevoegingsmiddel of een vervangend voederproteïne dat niet volgens een communautaire maatregel is toegelaten, voorhanden of in voorraad te hebben, in het verkeer te brengen, te vervoeren of in voormengsels of diervoeders te verwerken. Bij artikel 7 van die wet is het verboden te handelen in strijd met de bij een toelating gegeven voorschriften. Daarbij gaat het om de bestemming als ook om de maximaal toegestane gehaltes en eventuele menging met andere producten. Voor het bereiden van voedermiddelen en mengvoerders is op grond van artikel 10 van die wet een vergunning nodig, dit om de kwaliteit van het product en de risico's voor mens, dier en milieu te beperken.

Verdachte had waterstofperoxide als toevoegingsmiddel aan diervoeder in voorraad en gebruikte dit ook als zodanig. Er is niet gebleken dat verdachte daarvoor een vergunning had aangevraagd en verkregen. Bovendien is niet gebleken dat er bij het toevoegen van het middel aan het voer op enigerlei wijze een (nauwkeurige) berekening werd gemaakt van de toe te voegen hoeveelheid, zodanig dat werd voorkomen dat een eventueel maximaal toegestane waarde werd overschreden.

Uit deze bewijsmiddelen en voornoemde bewijsmiddelen met betrekking tot de feiten 2 en 3 in onderling verband en samenhang beschouwd, komt naar voren dat verdachte niet als medepleger maar als feitelijk leidinggevende moet worden aangemerkt.

De rechtbank acht het onder 4 subsidiair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 subsidiair en 4 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

2. subsidiair:

[medeverdacht bedrijf C] in het jaar 2006,

in de gemeente Putten (op of nabij perceel [perceel 1]) en

in de gemeente Barneveld (op of nabij perceel [perceel 2 te plaats] en

in de gemeente Scherpenzeel (op of nabij perceel [perceel 5 te plaats]),

als degene die bedrijfsmatig dieren, te weten kalveren, houdt tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk telkens door de Minister van Landbouw en Visserij aangewezen substanties, te weten [bèta]-agonisten, in casu Salmeterol, voorhanden heeft gehad,

aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

4 subsidiair:

[medeverdacht bedrijf C] in de periode van januari 2006 tot en met augustus 2006, in de gemeente Putten, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, telkens opzettelijk telkens een toevoegingsmiddel of een vervangend voederproteïne dat niet ingevolge een communautaire maatregel is toegelaten, te weten waterstofperoxide, telkens voorhanden en in voorraad heeft gehad,

aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

2. subsidiair: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 44, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

4. subsidiair: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5 van de Kaderwet diervoeders, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de onder 3 en 4 ten laste gelegde te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

- een werkstraf van 140 uur, subsidiair 70 dagen hechtenis.

Ter toelichting heeft de officier van justitie aangevoerd dat door medeverdachten gedurende een langere tijd verboden middelen aan kalveren zijn toegediend. Daarmee is voorbij gegaan aan de gezondheidsbelangen van zowel dieren als consumenten, alsmede de belangen van de sector waarin verdachte werkzaam is. Anderzijds heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat naar zijn mening verdachte van 2 feiten vrijgesproken dient te worden en dat zijn aandeel in het geheel geringer is.

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte er mede voor verantwoordelijk is geweest dat er kalveren in de handel zijn gebracht waaraan het verboden en groeibevorderend middel Salmeterol was toegediend, dit teneinde de opbrengst van de veestapel te laten toenemen. Salmeterol is verboden vanwege de schadelijke bijwerkingen die het heeft op de kalveren en de consumenten die het vlees uiteindelijk eten.

Verder is verdachte er mede verantwoordelijk voor geweest dat op een ongecontroleerde wijze waterstofperoxide aan veevoer is toegediend om bederf te voorkomen. Het toepassen van toevoegingsmiddelen aan veevoer is, gelet op de gevaren voor mens, dier en milieu, aan strenge regels verbonden.

Elk middel op zich brengt al gezondheidsrisico's met zich. Het valt niet te overzien wat een combinatie van deze middelen, soms ook nog in combinatie met regulier verstrekte diergeneesmiddelen, voor nadelig effect voor de voedselketen kan hebben. Het valt de verdachte te verwijten dat consumenten deze risico's hebben gelopen.

De rechtbank houdt er rekening mee dat bij verdachte minder feiten bewezen zijn verklaard dan bij zijn mededaders. Verdachte heeft een kleinere rol in het geheel gehad en er is sprake geweest van een aanzienlijk tijdsverloop sinds de start van het onderzoek en de afdoening ter terechtzitting. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie is verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank acht oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden, teneinde verdachte - die nog steeds in dezelfde branche werkzaam is - ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op de ernst van de feiten zal daarnaast een onvoorwaardelijke werkstraf aan verdachte worden opgelegd.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend is. Zij zal deze eis overnemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen:

- 1, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57, en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 44 van de Diergeneesmiddelenwet;

- 5 van de Kaderwet diervoeders.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair, 1 uiterst subsidiair, 2 primair, 3 primair, 3 subsidiair en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het 2 subsidiair en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

2. subsidiair: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel

44, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, opzettelijk begaan door een

rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft

gegeven aan de verboden gedraging;

4. subsidiair: medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5

van de Kaderwet diervoeders, opzettelijk begaan door een rechtspersoon,

meermalen gepleegd, terwijl verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de

verboden gedraging.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

* bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 140 (éénhonderd en veertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 70 (zeventig) dagen.

Voetnoten:

Aldus gewezen door mrs. Van de Wetering, voorzitter, Prisse en Ouweneel, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

24 april 2012.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 71704 (0onderzoek Lavendel), van de Algemene Inspectiedienst. Team Noord/Oost Nederland, gesloten en ondertekend op 10 mei 2007.

2 Proces-verbaal (met bijlagen)inzake resultaten van door SKV genomen oogmonsters op 4 september 2006, pag. 381-389

3 Brief van TNO Zeist aan SKV d.d. 11 september 2006, pag. 386-387

4 Proces-verbaal, pag. 405-408

5 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 950- 954

6 Bijlagen 1561-1572, pag. 2908-2919

7 Bijlagen 1915-1920, pag. 3267-3272

8 Processen-verbaal van verhoor van [naam 2], pag. 1214-1225

9 Proces-verbaal van verhoor van [naam 4], pag. 1259-1260

10 Proces-verbaal van verhoor van [naam 5] pag. 1259-1260

11 Proces-verbaal van verhoor van [naam 2], pag. 1188-1192

12 Processen-verbaal van verhoor van [verdachte B], pag. 1050-1084

13 Processen-verbaal van verhoor van [naam 3], pag. 1144-1151 en 1171-1174

14 Proces-verbaal van verhoor van [naam 7], pag. 1234-1243

15 Relaasproces-verbaal, pag. 364 en 370

16 Proces-verbaal van verhoor van [verdachte B], pag. 1062

17 Proces-verbaal van verhoor van [naam 8], pag. 1113 en pag. 1118