Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW0247

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
472817 HA 12-47
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwbedrijf Goldewijk BV uit Doetinchem verzoekt de kantonrechter om 99 arbeidsovereenkomsten te ontbinden. Van de 99 zijn er 10 verzoeken vooraf ingetrokken en zijn er 3 gevallen geregeld tussen het bouwbedrijf en de werknemers. De resterende 86 verzoeken zijn op vier zittingsdagen (1,2 6 en 9 maart 2012) behandeld. Hiervan zijn 60 verzoeken tot ontbinding toegewezen. Aan de werknemers van de toegewezen zaken is een vergoeding toegekend op basis van een c-factor van 0,25. 26 verzoeken zijn afgewezen. Het grootste deel van de afwijzingen houdt verband met een onjuiste functie-indeling. In deze uitspraak is het verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0298

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Kanton – Locatie Oude IJsselstreek

Zaaknummer : 472817 HA 12-47

Grosse aan : verweerder

Afschrift aan : verzoekster

Verzonden d.d. : 27 maart 2012

beschikking d.d. 27 maart 2012 van de kantonrechter

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Goldewijk Personeel B.V.,

gevestigd te Doetinchem,

verzoekster, hierna te noemen “Goldewijk”,

gemachtigde: mr. M. de Jong,

tegen

[verweerder],

wonende te Zelhem,

verweerder, hierna te noemen “werknemer”,

gemachtigde: J.J. Zondag.

1. Het procesverloop

Dit blijkt uit:

- het op 20 januari 2012 ingekomen verzoekschrift (met producties 1 t/m 24a);

- het verweerschrift;

- de producties 25 t/m 27 van Goldewijk;

- de producties 1 t/m 3 en A van de gemachtigde van werknemer;

- de mondelinge behandeling van 1 maart 2012, bij gelegenheid waarvan voormelde

producties in het geding zijn gebracht. Door de gemachtigden van beide partijen is gebruik gemaakt van een pleitnota en van het overige verhandelde is aantekening gehouden door de griffier.

2. De feiten

2.1 Goldewijk B.V. is bestuurder en enig aandeelhouder van Goldewijk Personeel. Enig aandeelhouder van Goldewijk B.V. is Goldewijk Holding B.V. Via persoonlijke vennootschappen zijn de aandelen van deze holding in handen van de heer [naam A] en zijn zoon de heer [naam B].

De Goldewijk groep bestaat uit 15 vennootschappen. Twee van deze vennootschappen zijn uitvoerende bouwbedrijven van de Goldewijk groep, te weten Goldewijk Doetinchem B.V. en Goldewijk Steenbergen B.V. Goldewijk Wonen B.V. en Goldewijk Projectontwikkeling B.V. zijn ook werkmaatschappijen. Het personeel wordt gedetacheerd bij deze verschillende werkmaatschappijen.

De Goldewijk groep heeft één financieringsarrangement en alle 15 vennootschappen hebben jegens de financiers getekend voor hoofdelijkheid.

Waar hieronder gesproken wordt over “Goldewijk” wordt de hele groep vennootschappen bedoeld, tenzij anders vermeld.

2.2 Goldewijk is een bouwbedrijf en projectontwikkelaar. Het bedrijf is landelijk actief in de particuliere, de zakelijke en de institutionele markt.

2.3 Over het jaar 2008 bedroeg het geconsolideerde resultaat voor belastingen van Goldewijk € 178.134 op een omzet van ruim € 95 miljoen. Over het jaar 2009 bedroeg dit resultaat ruim € 3 miljoen negatief bij een omzet van bijna € 86 miljoen. De cijfers over het jaar 2010 bedroegen respectievelijk bijna € 2 miljoen negatief en ruim

€ 71 miljoen.

Het eigen vermogen heeft zich over die jaren ontwikkeld van ruim € 15 miljoen in 2008 naar ruim € 14 miljoen in 2009 tot bijna € 12,5 miljoen in 2010.

De door Goldewijk geprognosticeerde omzet over 2011 bedraagt € 84 miljoen met een negatief bedrijfsresultaat van ruim € 3 miljoen en - na afboeking van ruim € 7 miljoen aan bijzondere lasten - een negatief resultaat van ruim € 9,5 miljoen. Het eigen vermogen over dit jaar is begroot op ruim € 2,8 miljoen.

2.4 In juli 2011 is een nieuw ontwikkelde bedrijfsvisie aan onder meer de ondernemingsraden gepresenteerd. Het organisatieadviesbureau Berenschot te Utrecht is ingeschakeld om deze visie en strategie nader te toetsen. Berenschot heeft hiertoe in de periode van augustus 2011 tot en met oktober 2011 een organisatieonderzoek uitgevoerd en herstructureringsmaatregelen onderzocht.

2.5 De conclusies van het rapport Berenschot zijn voorgehouden aan het externe accountantskantoor VHM Accountants en Belastingadviseurs (hierna: VHM). In haar rapportage d.d. 2 november 2011 is onder meer het volgende opgenomen:

“(…) de conclusies uit het Berenschot rapport achten wij zorgelijk en wij onderschrijven de conclusie van Berenschot tot een krachtdadig ingrijpen in de Goldewijk organisatie teneinde de continuïteitsmogelijkheden van het bedrijf te verbeteren om anders een - naar zich laat aanzien - onafwendbare déconfiture van de gehele groep te voorkomen.

Mede in het licht van een bouwmarkt waarvan een herstel ook in 2012 niet opportuun lijkt te zijn onderschrijven wij de absolute noodzaak van een omvangrijke herstructurering van het integrale bedrijf tot behoud van de continuïteit. (…)”

2.6 Goldewijk is voornemens een reorganisatie door te voeren, die alle onder 2.1 genoemde vennootschappen treft. Bij de vestiging te Doetinchem wil zij 79 van de 216 arbeidsplaatsen laten vervallen en bij de vestiging in Steenbergen 28 van de 80 arbeidsplaatsen. Het betreft zowel arbeidsplaatsen op de bouwplaatsen als op kantoor.

2.7 Op 4 november 2011 is aan de ondernemingsraden van de vestigingen in Doetinchem en Steenbergen advies gevraagd.

De beide ondernemingsraden hebben hierna een extern financieel adviseur ingeschakeld.

Vanaf 4 november 2011 heeft diverse malen overleg plaatsgevonden tussen Goldewijk en de ondernemingsraden. Bij brief van 16 december 2011 hebben de ondernemingsraden geadviseerd het voorgenomen besluit niet uit te voeren. Goldewijk heeft op 19 december 2011 besloten het voorgenomen besluit niettemin om te zetten in een definitief besluit. Dit heeft zij dezelfde dag aan de ondernemingsraden kenbaar gemaakt.

2.8 Bij brief van 11 januari 2012 heeft de ING Bank, de huisbankier van Goldewijk, onder meer aangegeven niet bereid te zijn tot invulling van het financieringstekort.

De Nationale Borg heeft bij brief van 24 oktober 2011 aangegeven vooralsnog geen nieuwe garanties onder de garantiefaciliteit te willen afgeven. Kredietverzekeraars Atradius en Euler Hermes hebben hun faciliteiten opgeschort.

2.9 Goldewijk heeft overleg gevoerd met de vakorganisaties CNV en FNV over een sociaal plan met betrekking tot de voorgenomen reorganisatie. Er zijn twee concepten besproken en op 9 december 2011 is door Goldewijk een eindvoorstel gedaan. Er is geen akkoord bereikt.

2.10 Op 4 november 2011 hebben er twee meldingen in het kader van de Wet melding collectief ontslag (WMCO) plaatsgevonden. UWV Arnhem en UWV Breda hebben de ontvangst van de melding bevestigd en aangegeven dat de meldingen voldoen aan de vereisten van de WMCO.

2.11 VHM heeft bij brief van 22 februari 2012 een oordeel gegeven over de door haar gewaarmerkte consolidatiestaat 2011. Zij schrijft onder meer:

“Bij de intern opgestelde consolidatiestaat 2011 plaatsen wij de volgende opmerkingen:

- 2011 is het derde jaar met een groot verlies op rij, dit heeft gevolgen voor het eigen vermogen en de solvabiliteitspositie. Beide zijn nog steeds wel positief maar aanzienlijk verslechterd.

Het eigen vermogen en de solvabiliteit zijn indicatoren voor de capaciteit van de onderneming om op lange termijn aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.

Deze getallen zeggen echter niets over de liquiditeitspositie op korte termijn. Een groot deel van het eigen vermogen en de solvabiliteit is vastgelegd in onderhanden projecten en voor langere termijn geïnvesteerd in grondposities. Hieruit kan op korte termijn geen gelden worden vrijgemaakt voor de reorganisatie.

- Dit derde verliesjaar op rij heeft daarnaast een zeer grote impact op de liquiditeitspositie.

(...) Door de korte maar hevige vorstperiode in februari is de liquiditeitspositie in 2012 nog verder verslechterd.

(...)

Wanneer er bijvoorbeeld geen regeling getroffen kan worden met crediteuren zal op basis van de huidige crediteurenpositie een bedrag van € 3.600.000,-- terstond verschuldigd en opeisbaar zijn. Gezien de huidige liquiditeitspositie kan dit bedrag niet worden betaald, er is absoluut geen ruimte meer binnen de bestaande kredietfaciliteit. (...)

- In de Consolidatiestaat 2011 is een voorziening voor reorganisatie opgenomen van

€ 303.550. Dit bedrag bestaat uit een outplacementbudget van € 2.500,--- per ontslagen werknemer en € 400,- kosten rechtsbijstand per ontslagen werknemer. Mede als gevolg van het hiervoor genoemde punt is het echter naar ons idee niet eens mogelijk dit bedrag op korte termijn daadwerkelijk uit te betalen zonder het voortbestaan van de onderneming acuut in gevaar te brengen (...) Het maximale bankkrediet bedraagt € 3.500.000, waarvan het dagelijkse gebruik over de afgelopen weken schommelt tussen € 2.500.000 en € 3.200.000. Hier zit dus geen enkele ruimte.

- Evenals de jaarrekeningen 2009 en 2010 is het onroerend goed in de Consolidatiestaat 2011 gewaardeerd tegen kostprijs of lagere opbrengstwaarde. Als gevolg van de sterk verslechterende marktomstandigheden voor onroerend goed projecten heeft in 2011 een afwaardering van het onroerend goed moeten plaatsvinden ex artikel 2:387 BW en artikel 213.5 van de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving. Op basis van externe onafhankelijke taxaties heeft dit tot een afwaardering geleid in 2011 van € 7.142.000. Overeenkomstig BW2 Titel 9 en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving dient dit bedrag ineens ten laste van het resultaat te worden gebracht. Het is derhalve niet toegestaan dit over meerdere jaren uit te smeren.

- De pensioenvoorziening die in 2010 in de geconsolideerde cijfers naar voren komt heeft betrekking op het in eigen beheer opgebouwde pensioen van de DGA. Deze pensioenvoorziening is om fiscale redenen gedurende 2010 en 2011 opgenomen in de geconsolideerde cijfers. Vanaf 1 januari 2012 wordt deze voorziening niet meer in de geconsolideerde cijfers opgenomen.

(...)”

2.12 Werknemer is geboren op [datum, 1955] en sinds 12 maart 1984 in dienst van Goldewijk. Hij is in het kader van de voorgenomen reorganisatie ingedeeld in de functiegroep Timmerman/Keukensteller. Zijn laatstelijk genoten periodesalaris bedraagt

€ 2.665,60 bruto, exclusief vakantietoeslag.

3. Het geschil

3.1 Goldewijk heeft verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2012 te ontbinden wegens gewichtige redenen, gelegen in veranderingen in de omstandigheden, met toekenning aan werknemer van een outplacementvoorziening tot een bedrag van € 2.500,-- exclusief BTW en een vergoeding van door werknemer daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten tot een bedrag van € 400,-- exclusief BTW, kosten rechtens.

3.2 Zij legt aan haar verzoek, bezien tegen de achtergrond van de feiten, het volgende ten grondslag.

Binnen Goldewijk is al vanaf 2009 sprake van een onafgebroken verlieslatende situatie. Door de aanhoudend slechte marktomstandigheden in de bouwsector is Goldewijk geconfronteerd met dramatisch teruglopende verkopen in de particuliere woningbouw. De productie van deze woningen zal in 2012 volledig stil komen te liggen. Ook de bedrijfsonderdelen van Goldewijk die zich bezighouden met verbouw, projecten, renovatie en onderhoud hebben te kampen met overcapaciteit. Herstel in 2012 is niet aan de orde en ook voor 2013 zijn zeer matige prognoses afgegeven. De financiële positie van Goldewijk zal verder verslechteren omdat werkzaamheden onder kostprijs zullen worden uitgevoerd. De financiële buffers zijn geminimaliseerd en de solvabiliteit heeft een kritisch niveau bereikt. De directie van Goldewijk heeft in 2011 intensief gewerkt aan een meer levensvatbare toekomstvisie voor het bedrijf. Uit het door Berenschot in dat kader verrichte onderzoek komt naar voren dat het businessmodel verregaande aanpassing behoeft om de positie van het bouwbedrijf te herstellen, hetgeen tot gevolg heeft dat diverse arbeidsplaatsen komen te vervallen.

Werknemer bekleedt de functie van timmerman/keukensteller. Deze functie komt te vervallen.

3.3 Werknemer heeft verweer gevoerd en heeft primair geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot ontbinding onder toekenning van een vergoeding als in het verweerschrift vermeld. Op de inhoud van het verweer zal hieronder waar nodig nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Het onderhavige ontbindingsverzoek maakt deel uit van een groep van 99 ontbindingsverzoeken die gelijktijdig door Goldewijk zijn ingediend. Een gering aantal verzoeken is voordat de mondelinge behandeling zou plaatsvinden, ingetrokken. De resterende verzoeken zijn bloksgewijs op achtereenvolgende tijdstippen behandeld. Gelet op de samenhang tussen de ontbindingsverzoeken zullen zij door de kantonrechter in hun onderlinge samenhang worden beoordeeld. Voor zoveel nodig zal worden ingegaan op de bijzondere aspecten van de afzonderlijke zaken, waarbij niet ten nadele van individuele werknemers rekening zal worden gehouden met feiten en omstandigheden die niet tijdens de behandeling van het op hen betrekking hebbende verzoek aan de orde zijn gekomen.

4.2 Gesteld noch gebleken is dat het verzoek verband houdt met enig wettelijk opzegverbod.

4.3 In de praktijk plegen collectieve beëindigingsverzoeken door de werkgever aan UWV te worden voorgelegd. Dergelijke verzoeken kunnen ook aan de kantonrechter worden gedaan, die bij de beoordeling niet rechtstreeks is gebonden aan het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) en de daarop gebaseerde nadere regelgeving (Ontslagbesluit). De opgeworpen verweren, inhoudend dat de ontbindingsverzoeken niet aan de criteria voldoen die UWV stelt bij het in behandeling nemen van aanvragen voor toestemming voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, worden daarom verworpen. Wel komt bij de beoordeling van een collectief ontbindingsverzoek reflexwerking toe aan de beleidsregels die door UWV worden gehanteerd bij de toetsing van collectieve ontslagen. Bedoelde reflexwerking komt erop neer dat bij de beoordeling door de kantonrechter van een collectief ontbindingsverzoek in beginsel aan dezelfde materiële bepalingen getoetst dient te worden als bij een collectief ontslag dat ter toetsing aan UWV is voorgelegd.

4.4 Door Goldewijk zijn ter onderbouwing van de door haar gestelde financiële noodzaak om tot een reorganisatie en ontbinding van de diverse arbeidsovereenkomsten te komen diverse bescheiden overgelegd, waaronder de (geconsolideerde) balans en winst- en verliesrekeningen over de jaren 2008, 2009 en 2010 alsmede de voorlopige cijfers over het jaar 2011. Voorts heeft Goldewijk een brief van VHM overgelegd, zoals hiervoor reeds weergegeven. Uit de cijfers en genoemde brief blijkt dat Goldewijk na een geringe winst in het jaar 2008, zowel in 2009 alsook in 2010 een negatief bedrijfsresultaat heeft gehaald. Ook het jaar 2011 zal met een negatief bedrijfsresultaat worden afgesloten; volgens de consolidatiestaat zal dit resultaat ruim € 3 miljoen bedragen en na afboeking van ruim € 7 miljoen aan bijzondere lasten ruim € 9,5 miljoen. Zowel het vermogen als de solvabiliteitspositie zijn in de loop der jaren aanzienlijk verslechterd. Goldewijk heeft de omzet en het bedrijfsresultaat voor het jaar 2012 op basis van een ongewijzigd beleid geprognosticeerd op € 80 miljoen respectievelijk ruim € 4 miljoen negatief. Indien de voorgestelde reorganisatie kan worden gerealiseerd, kan 2012 met een neutraal resultaat worden afgesloten en zal het bedrijfsresultaat de jaren daarna telkens verbeteren, zo blijkt uit de daarop gebaseerde prognose.

4.5 Door werknemers zijn diverse opmerkingen gemaakt op de overgelegde financiële stukken. Onder meer zijn vragen gesteld bij de voorziening ad bijna € 2,9 miljoen die in het jaar 2010 ineens in de balans is opgenomen voor pensioenen. Door Goldewijk is toegelicht dat de in 2010 genomen pensioenvoorziening betrekking heeft op het in eigen beheer opgebouwde pensioen van de DGA. Op deze wijze blijven zoveel mogelijk liquiditeiten in de onderneming. De pensioenvoorziening is niet getroffen ten laste van de resultaten over de laatste jaren, de laatste dotatie heeft plaatsgevonden in 2005. Overigens wordt deze voorziening vanaf 1 januari 2012 niet meer in de geconsolideerde cijfers opgenomen, aldus Goldewijk. Goldewijk heeft hiermee voldoende weerlegd dat de pensioenvoorziening op enigerlei wijze invloed heeft gehad op de resultaten. Ook is opgemerkt dat over het jaar 2011 een groot verlies wordt geleden door de post bijzondere lasten van ruim € 7 miljoen. Zijdens Goldewijk is toegelicht dat een groot deel van haar vermogen in grondposities zit, die door de economische recessie veel minder waard zijn geworden. De accountant heeft daarom deze posities zeer aanzienlijk moeten afwaarderen en in 2011 de actuele waarde in de consolidatiestaat vermeld, aldus Goldewijk.

Op dit punt wordt overwogen, dat de accountant met zijn brief van 22 februari 2012 genoegzaam heeft weerlegd dat niet juist zou zijn gehandeld door de afwaardering geheel ten laste van het jaar 2011 te brengen. Overigens is ook zonder deze bijzondere lasten het geprognosticeerde resultaat over 2011 een verlies van enige miljoenen. Door Goldewijk is voorts ter zitting ingegaan op de door een aantal werknemers geplaatste opmerkingen betreffende de zogenaamde transitievoorziening waarvan melding wordt gemaakt in het financieringsmemorandum van 22 november 2011. In dit van VHM afkomstige stuk worden de met de voorgenomen “transitie en inkrimping” verband houdende gevolgen geschetst met betrekking tot de financiering van Goldewijk. In het stuk is opgenomen dat de kosten die voor de transitie moeten worden gemaakt worden begroot op € 3,8 miljoen en dat deze ten laste moeten komen van het jaar 2011. Goldewijk heeft hierop een toelichting gegeven, inhoudend dat een deel van de transitiekosten inderdaad in 2011 is genomen. Een belangrijk deel hiervan heeft betrekking op de doorlopende personeelskosten, aldus Goldewijk. In plaats van de afwaardering op de grondposities die in eerste instantie begroot waren op 5,6 miljoen is deze afwaardering uiteindelijk de eerder vermelde € 7 miljoen geworden. Ten laste van de jaarrekening komt uiteindelijk alleen die € 7 miljoen, in plaats van de eerder beoogde in totaal ruim € 9 miljoen. Voor het restant van de transitievoorziening is geen geld meer beschikbaar, zo heeft Goldewijk aangegeven. Hiermee is voldoende aannemelijk gemaakt dat geen andere voorziening is getroffen ten laste van het jaar 2011 dan die noodzakelijk was.

De overige opmerkingen kunnen evenmin leiden tot het oordeel dat de cijfers geen goed beeld geven van de financiële toestand van de onderneming of dat er ongeoorloofde onttrekkingen hebben plaatsgevonden. Voor de beoordeling van de verzoeken zal daarom van deze cijfers worden uitgegaan.

4.6 Goldewijk heeft aangegeven de afgelopen jaren veel werknemers aan het werk te hebben gehad op verliesgevende projecten. Er waren nauwelijks nog werkzaamheden in de particuliere woningbouw en omdat zij haar personeel aan het werk moest houden heeft zij andersoortige projecten aangehouden tegen (te) lage prijzen. Dit verklaart waarom de werknemers ten aanzien waarvan thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt verzocht, nog steeds op diverse locaties aan het werk zijn. Goldewijk wil in de toekomst meer als regisseur gaan optreden waarbij arbeidsintensief maatwerk wordt uitbesteed aan aannemers die deze werkzaamheden in tegenstelling tot Goldewijk, wel kostendekkend kunnen uitvoeren. Het financiële risico komt dan bij die aannemers te liggen. Goldewijk zal zich gaan richten op voorzieningen in de wijk, zoals zorgvoorzieningen, scholen of multifunctionele accommodaties. Het is noodzakelijk de nieuwe organisatie aan te passen aan deze nieuwe aanpak. Voor werkzaamheden waar geen continuïteit aanwezig is en daar waar specifieke kennis benodigd is, zal Goldewijk de samenwerking met andere partijen aangaan, aldus Goldewijk.

Door een aantal werknemers is aangevoerd dat Goldewijk haar vaste personeel zal gaan vervangen door ZZP-ers. Goldewijk heeft dit gemotiveerd betwist, waartoe zij heeft aangevoerd dat er ook voor ZZP-ers geen werk is. Mocht er in de toekomst toch weer een vraag naar personeel zijn, dan zal hieraan worden voldaan middels onderaanneming. Hetgeen Goldewijk heeft gesteld past in de nieuwe door haar beoogde situatie waarin het bedrijf overgaat van een klassieke aannemer naar een bedrijf met een regiefunctie, waarmee zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van een constructie om vast personeel in te ruilen voor ZZP-ers geen sprake is.

Een aantal werknemers heeft verzocht aan een eventuele ontbinding de voorwaarde te verbinden als genoemd in artikel 4:5 van het Ontslagbesluit. Omdat niet aannemelijk is dat Goldewijk binnen de in het Ontslagbesluit genoemde termijn weer zelf personeel in dienst zal nemen in de functies die thans komen te vervallen dan wel ZZP-ers zal inhuren, wordt hiervoor echter geen aanleiding gevonden.

4.7 Dat Goldewijk wenst in te grijpen in haar organisatie is op basis van de hiervoor weergegeven financiële situatie zonder meer te billijken. De wijze waarop zij dit wil doen behoort in beginsel tot haar beleidsvrijheid, ook al hebben niet alle werkmaatschappijen de afgelopen jaren verlies geleden.

Door werknemer is onder verwijzing naar de arbeidsovereenkomst en de loonstroken aangevoerd dat werknemer de functie van timmerman 1 bekleedt. Door Goldewijk is hierop uiteengezet dat werknemer wel degelijk keukens stelt en dit is ook door werknemer ter zitting erkend, zodat dit verweer wordt verworpen.

Dit betekent dat nu door de beoogde reorganisatie de arbeidsplaats van werknemer komt te vervallen, het ontbindingsverzoek in zoverre toewijsbaar is. Hieraan doet niet af dat de werkzaamheden (deels) blijven bestaan zoals door veel werknemers betoogd, omdat deze (in voorkomende gevallen) zullen worden uitbesteed. De voorgenomen ontbinding zal eerst met ingang van 1 oktober 2012 plaatsvinden in verband met de relevante wettelijke bepalingen terzake deelname aan regeling vroegpensioen voor werknemers van 57 jaar of ouder.

4.8 Bij een reorganisatie als de onderhavige is het uitgangspunt veelal een correctiefactor van 1 zoals ook door de werknemers verzocht. Toekenning van dergelijke vergoedingen is in dit geval gezien de financiële situatie van Goldewijk, evenwel niet aan de orde. Goldewijk heeft weliswaar nog een eigen vermogen maar dit zit voor een groot deel in grondposities en onderhanden projecten en bovendien dienen de grondposities ook als onderpand voor de bank. Het eigen vermogen is hiermee niet op korte termijn liquide te maken. Goldewijk heeft haar benarde liquiditeitspositie nader onderbouwd door te verwijzen naar het verleende uitstel van betaling van de omzetbelasting over het laatste kwartaal van 2011. Ook blijkt uit de brief van VHM van 22 februari 2012 dat Goldewijk dagelijks tot een bedrag van tussen de € 2,5 miljoen en € 3,2 miljoen van het maximale bankkrediet van € 3,5 miljoen gebruikt.

Niettemin zal Goldewijk, wil zij via deze procedure de reorganisatie (deels) bewerkstelligen, haar werknemers een vergoeding moeten toekennen. Weliswaar heeft Goldewijk voldoende aannemelijk gemaakt dat veel werknemers diverse vormen van scholing hebben gehad en dat zij inspanningen heeft verricht werknemers elders, bijvoorbeeld bij onderaannemers te plaatsen, maar gelet op de belangen van de werknemers van wie velen een erg lang dienstverband en hiermee een eenzijdig arbeidsverleden hebben, leidt het niet-vaststellen van enige vergoeding bovenop hetgeen reeds door Goldewijk is aangeboden, in de gegeven omstandigheden tot een onbillijk resultaat; hier vindt de eerder genoemde beleidsvrijheid zijn beperking. Indien Goldewijk de toegewezen verzoeken niet intrekt, zal zij een aanzienlijk bedrag aan loonkosten besparen. Weliswaar staan daar weer lagere opbrengsten of kosten tegenover, maar niet gebleken is dat Goldewijk enige besparing heeft meegenomen in haar (liquiditeits-)prognose. Evenmin is door Goldewijk inzicht verschaft in haar financieringsmogelijkheden, na de (gedeeltelijk) doorgevoerde reorganisatie. Gelet voorts op de omstandigheid dat Goldewijk verwacht na de onderhavige reorganisatie vanaf 2013 weer winst te zullen gaan maken, heeft Goldewijk niet voldoende aannemelijk gemaakt, dat zij niet in staat is na te melden vergoeding te voldoen.

4.9 De C-factor zal rekening houdend met alle omstandigheden worden vastgesteld op 0,25 en bovendien zal worden bepaald dat de vergoeding in twaalf achtereenvolgende maandelijkse termijnen moet worden betaald. De fictieve opzegtermijn leidt tot een verschuiving van het recht op een werkloosheidsuitkering in de tijd, maar niet tot een verlies van recht op die uitkering. Er is daarom geen reden om met de fictieve opzegtermijn rekening te houden, zoals door (vrijwel alle) werknemers verzocht.

4.10 Al hetgeen door partijen nog naar voren is gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden, zodat deze stellingen en verweren geen afzonderlijke bespreking behoeven.

4.11 Aan werknemer komt gezien het voorgaande en gelet op zijn leeftijd en de duur van het dienstverband, een vergoeding toe van € 26.509,-- bruto.

4.12 Omdat het voornemen bestaat een ontbinding waaraan een vergoeding verbonden wordt uit te spreken, zal een termijn worden vastgesteld binnen welke Goldewijk de bevoegdheid heeft haar verzoek in te trekken.

4.13 De proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt, tenzij het verzoek wordt ingetrokken in welk geval Goldewijk de proceskosten van werknemer moet voldoen. Aan gemachtigdensalaris zal in dat geval omdat de gemachtigde van werknemer in deze procedure ook de belangen van verschillende andere werknemers heeft behartigd en daarmee de kosten voor zijn werkzaamheden over verschillende zaken heeft kunnen verdelen, de helft van het gebruikelijke tarief worden toegekend.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1 Stelt Goldewijk in de gelegenheid uiterlijk 10 april 2012 het verzoek in te trekken;

en voor het geval Goldewijk hiervan geen gebruik maakt:

5.2 ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2012;

5.3 kent aan werknemer ten laste van Goldewijk een vergoeding toe van de door Goldewijk aangeboden outplacementvoorziening tot een bedrag van € 2.500,-- exclusief BTW en van door werknemer daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten tot een bedrag van

€ 400,-- exclusief BTW;

5.4 kent aan werknemer ten laste van Goldewijk een vergoeding toe van € 26.509,-- bruto en veroordeelt Goldewijk tot betaling van deze vergoeding aan werknemer;

5.5 bepaalt dat de onder 5.4 genoemde vergoeding door Goldewijk aan werknemer betaald dient te worden in twaalf gelijke achtereenvolgende maandelijkse termijnen. De eerste termijn dient betaald te zijn op uiterlijk 1 november 2012 en de daarop volgende termijnen telkens uiterlijk op de laatste dag van de maand;

5.6 compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen;

en voor het geval het verzoek binnen de aangegeven termijn wordt ingetrokken:

5.7 veroordeelt Goldewijk in de proceskosten aan de zijde van werknemer, tot de uitspraak van deze beschikking vastgesteld op € 200,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven op 27 maart 2012 en in het openbaar uitgesproken door

mr. I.C.J.I.M. van Dorp, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.