Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BW0048

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
06/940517-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een tankstation overvallen en de pompbediende bedreigt met geweld. Een dergelijk misdrijf veroorzaakt bij het slachtoffer doorgaans gevoelens van onveiligheid, zoals ook is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring van het slachtoffer.

Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zestien maanden en een schadevergoeding aan slachtoffer van 1.045 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940517-11

Uitspraak d.d.: 27 maart 2012

Verstek

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1983 te plaats],

thans zonder bekend woon- of verblijfplaats hier te lande.

Raadsvrouw: mr. H.J. Scholten, advocaat te Zutphen (niet gemachtigd).

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

13 maart 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 oktober 2011 te Zutphen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen enig geldbedrag en/of enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [tankstations], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, welke poging tot diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

voornoemde [slachtoffer] een mes heeft getoond en/of (vervolgens) dat mes op die [slachtoffer] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of waarbij hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] heeft toegevoegd dat zij een door hem overhandigde zak moest vullen met geld, terwijl de uitvoering van de voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 27 oktober 2011 te Zutphen, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van enig goed en/of enig geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [tankstations], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, voornoemde [slachtoffer] een mes heeft getoond en/of (vervolgens) dat mes op die [slachtoffer] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of waarbij hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] heeft toegevoegd dat zij een door hem overhandigde zak moest vullen met geld,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op 27 oktober 2011 is een man, naar later bleek de verdachte, de shop van het tankstation van [tankstation] aan de [adres in plaats] binnengelopen. De verdachte had een mes bij zich en eiste geld van de op dat moment alleen in de shop aanwezige medewerker van het tankstation, [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft vervolgens de alarmknop ingedrukt. Verdachte heeft de shop zonder buit verlaten.

Naar aanleiding van opgenomen en vastgelegde camerabeelden van het incident, is een signalement van de verdachte verspreid, onder meer via het televisieprogramma Opsporing Verzocht. Op 15 december 2011 meldde verdachte zich op het politiebureau te Zutphen met de mededeling dat de recherche naar hem op zoek was. Hierop is de verdachte aangehouden en in verzekering gesteld.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de subsidiair aan de verdachte tenlastegelegde poging tot afpersing. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen toegelicht en opgesomd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde op de bewezenverklaarde wijze heeft begaan en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen:

- een proces-verbaal van bevindingen; 2

- een proces-verbaal van aangifte; 3

- de bekennende verklaringen van de verdachte. 4 5

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 27 oktober 2011 te Zutphen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld

[slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag, toebehorende aan [tankstations], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] een mes heeft getoond en dat mes op die [slachtoffer] heeft gericht waarbij hij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] heeft toegevoegd dat zij een door hem overhandigde zak moest vullen met geld, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Poging tot afpersing.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van de subsidiair tenlastegelegde poging tot afpersing zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van een pompbediende van een tankstation. Een dergelijk misdrijf veroorzaakt bij het slachtoffer doorgaans gevoelens van onveiligheid, zoals ook is gebleken uit de schriftelijke slachtofferverklaring van aangeefster [slachtoffer], en brengen in de samenleving grote onrust teweeg. Naar de ervaring leert, kampen slachtoffers van zulke misdrijven in psychisch opzicht nog geruime tijd met de gevolgen daarvan. Zelfs als het zo is dat niet geldgewin maar een vraag om hulp de reden is geweest, zoals verdachte bij de politie heeft verklaard, dan doet dit geen afbreuk aan de ernst van het feit en de omstandigheid dat verdachte geen rekening heeft gehouden met de emotionele gevolgen voor het slachtoffer. Dat rekent de rechtbank hem zwaar aan.

Op een dergelijk feit kan dan ook niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 16 december 2011 is de verdachte als minderjarige veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van het beknopte reclasseringsadvies van 22 december 2011. Nadien is het de reclassering niet gelukt om een advies omtrent de persoon van de verdachte uit te brengen, nu contact met hem onmogelijk bleek.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 16 maanden een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van in totaal € 1.045,- (€ 245,- aan materiële schade en € 800,- immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakend feit, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat de opgevoerde materiële schade valt aan te merken als schade die rechtstreeks aan de benadeelde partij is toegebracht als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde feit en dat deze post genoegzaam is onderbouwd. Dit onderdeel van de vordering, met een totaalbedrag van € 245,-, is derhalve toewijsbaar. De wettelijke rente over de genoemde materiële schade zal worden toegewezen vanaf de datum van de facturering van de bij haar in rekening gebrachte psychologische consulten, te weten 21 februari 2012

De rechtbank is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gehele bedrag van € 800,-. De wettelijke rente over de genoemde immateriële schade zal worden toegewezen vanaf de dag van het schadeveroorzakend feit, te weten 27 oktober 2011.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank met inachtneming van het bovenstaande vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 1.045,- aansprakelijk is voor de schade die door het subsidiair bewezenverklaarde is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Poging tot afpersing

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien (16) maanden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van het subsidiaire feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 1.045,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2011 voor wat betreft het immateriële deel van € 800,- en vanaf 21 februari 2012 voor wat betreft het materiële deel van € 245,- en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 1.045,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2011voor wat betreft het immateriële deel van

€ 800,- en vanaf 21 februari 2012 voor wat betreft het materiële deel van € 245,-, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal twintig (20) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Aldus gewezen door mr. Gilhuis, voorzitter, mr. Van der Mei en mr. Van Lookeren Campagne, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Wegter, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 maart 2012.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2011151355, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, Regionaal Overvallen Team, gesloten en ondertekend op 30 december 2011.

2 Een proces-verbaal van bevindingen (bevindingen ter plaatse en camerabeelden), p. 20-22

3 Een proces-verbaal van aangifte [slachtoffer], p. 28-34

4 Een proces-verbaal verhoor verdachte, p. 86-91 en 96-102

5 Een proces-verbaal verhoor verdachte, p. 103-107